Glenn Gould: met het jaar ont roerender en wezenlijker

In 1964 besloot de meesterpianist Glenn Gould nooit meer in een concertzaal op te treden. Hij sloot zich op in de opnamestudio als in een kloostercel.

Vriend en vijand waren het erover eens dat Glenn Gould voor vriend en vijand een gevaar op de weg was. ('Het is waar dat ik met enige regelmaat door het rode licht rijd, maar waar ik nooit krediet voor krijg is dat ik voor heel wat groene lichten tot stilstand ben gekomen.') Unaniem was ook het oordeel over de techniek van de wereldberoemde, in Toronto geboren pianist: die techniek was fabelachtig, in zijn virtuositeit ongeëvenaard. Glenn Gould was in staat om in onwaarschijnlijk hoge tempo's iedere afzonderlijke noot toch in volle helderheid tot zijn recht te laten komen, en wat misschien nog wonderlijker was, in langzame passages wist hij enkelvoudige klanken een grandioze intensiteit mee te geven. In de vijftig jaar van zijn leven (1932-1982) ontfermde hij zich met een springlevende, goedgemutste gedrevenheid, met een absolute doelgerichtheid, over het werk van componisten uit de laatste vijf eeuwen. Zijn onorthodoxe - om niet te zeggen vaak ongehoorde - interpretaties waren steevast verschoond van sentimentaliteit of van de geringste neiging tot romantiek. Er stond hem een andere gemoedssfeer voor ogen bij het uitvoeren van de hecht geconstrueerde contrapuntische composities die het leeuwendeel van zijn repertoire vormden: vervoering.

Glenn Gould zou ik hier alleen al als een van mijn helden willen bezingen vanwege de zuivere onbevangenheid waarmee hij zijn virtuositeit de vrije teugel gaf, maar wat hem tot een held in het kwadraat maakt is dat hij zonder een spoor van koketterie zijn pianospel voor kennisgeving aannam. Een middel tot een hoger doel, zo zag hij zijn gave: 'De piano is geen instrument waarvoor ik een speciale liefde koester, maar ik ben er nou eenmaal mee opgegroeid... het is het beste hulpmiddel waarover ik beschik om uitdrukking te geven aan mijn ideeën.' Hoezeer deze woorden hem menens waren bleek toen hij in 1982 de cirkel van zijn plaatopnames rond maakte door de Goldbergvariaties van Bach waarmee hij in 1955 was gedebuteerd, voor de tweede keer op te nemen. Het was zijn bedoeling om daarna nooit meer een muziekopname te maken. Hij wilde al zijn tijd gaan wijden aan een 'medium' waarvan hij zich al vaker had bediend om zijn ideeën uit te dragen. Hij wilde alleen nog maar gaan schrijven... essays, theoretische verhandelingen, werken van de verbeelding... alles in dienst van de verdieping en verheldering van de volgende fundamentele opvatting: 'Ik ben ervan overtuigd dat de rechtvaardiging van kunstwerken gelegen is in het innerlijke tumult dat ze teweegbrengen in onze harten, en niet in de oppervlakkige directe effecten van hun publieke verschijningsvormen. Het doel van kunst is niet de opwekking van een kortstondige adrenalinestoot, het doel van kunst is de gestage - een leven vergende - opbouw van een toestand waarin verwondering en sereniteit het gehele wezen van een mens bestemmen.' (Zijn grote schrijfplannen werden in de kiem gesmoord toen hij niet lang na zijn laatste plaatopname getroffen werd door een fatale beroerte.)

In zijn publicaties trad Glenn Gould zonder schroom naar voren als de theoreticus van een gelouterde mensheid, als een doorleefd ethicus die - zonder zucht naar wereldse faam - zijn eigen leven in overeenstemming bracht met zijn overtuigingen. Grote persoonlijke beslissingen vonden vaak hun oorsprong in morele overwegingen. Zijn besluit in 1964 om nooit meer in een concertzaal op te treden verklaarde hij als volgt: een vertolker die voor een volle zaal op een podium zat was de kroon op het werk van een vergiftigde muziekcultuur waarin competitiedrift en een zucht naar macht als een onvermijdelijk kwaad werden beschouwd. Volgens Gould was zo'n podiumpersoonlijkheid een exponent van een hedonistische samenleving, een bedrieger die zich bezondigde aan de ene na de andere concessie en de schijn wekte een unieke avond te verwezenlijken terwijl hij niet meer dan een routineklus afwerkte. Het besluit om niet meer op te treden had consequenties die wonderwel beantwoordden aan zijn morele standaard. Hij ging een teruggetrokken leven leiden omdat hij het als zijn plicht beschouwde zijn vermogen tot concentratie gestaag op te voeren. Hij sloot zich op in een opnamestudio als in een kloostercel. Moderne technieken stelden de musicus in staat om een compositie te verlossen van het vrijgevochten individu dat sinds de Romantiek in de muziek de dienst uitmaakte. De opnamestudio maakte het mogelijk om het klimaat van anonimiteit te recreëren waarin bijvoorbeeld in de Middeleeuwen kathedralenbouwers en verluchters van handschriften aan een doel werkten dat hun identiteit als vanzelfsprekend oversteeg. (Een minder moreel gegrond maar niet mis te verstaan voordeel van de technische mogelijkheden in de studio - er kon kunstig gemanipuleerd worden met verschillende takes en met de opstelling van microfoons - bestond erin dat de zuiverheid van een interpretatie op een hoger plan gebracht kon worden. Volgens Glenn Gould was de concertzaal een gedateerd fenomeen vanaf de dag dat musici en luisteraars in aanraking konden komen met uitvoeringen die voor het technologische tijdperk boven ieders macht hadden gelegen.)

Glenn Goulds hang naar anonimiteit ging gepaard met een groot verlangen om zijn ideeën met andere mensen te delen. Zijn moralisme stond in dienst van een hoog ideaal: de vervolmaakbaarheid van ieder mens, het streven naar de realisatie van een staat waarin verwondering en sereniteit voorgoed de toon zetten. Met sereniteit stond hem geen mentale windstilte voor ogen, maar een innerlijke orde die gelijkstond aan een equilibrium tussen de duizend-en-een krachten die samen een menselijke persoonlijkheid vormden. Muziek, de interpretatie van een compositie, bood Glenn Gould het vehikel bij uitstek om zijn hoge ideaal kenbaar te maken aan zijn tijdgenoten. Een waarachtige compositie (het oeuvre van Bach stond er stijf van maar de werken van een 19de-eeuwer als Chopin konden hem niet overtuigen) bevatte een perfecte innerlijke samenhang. Door zichzelf in opperste concentratie weg te cijferen, door niet te blijven steken in subjectiviteit bij het najagen van echt contact met een kunstwerk, door zich ten slotte niet meer bewust te zijn van zijn techniek, kon een pianist, in vervoering, de rijkdom van de innerlijke samenhang vol in beeld krijgen. Door de extatische eenwording met de inner coherence van een compositie in plaatopnames vast te leggen, wilde Glenn Gould een luisteraar in de gelegenheid stellen om in aanraking te komen met de zuiverste vormen van samenhang die onze wereld kende.

De van ijdelheid gespeende vanzelfsprekendheid waarmee hij getuigde van zijn idealen, komt me met het jaar ontroerender voor. En zijn idee dat de harmonie vervat in een tijdloze compositie een standaard vormt voor de levende harmonie die een mens gedurende zijn aardse bestaan in zijn innerlijk moet opbouwen, komt me met het jaar wezenlijker voor.

Het was voor Glenn Gould een uitgemaakte zaak dat een compositie zich leende voor een veelvoud aan interpretaties, mits de musicus zich de verborgen structuur eigen had gemaakt. Er waren simpelweg meer wegen die naar Rome leidden. Zolang een interpreet niet zondigde tegen wat zijn doorschouwing van de structuur zichtbaar had gemaakt, kon hij zich vrijheden met een partituur veroorloven.

De interpreet Glenn Gould veroorloofde zich vrijheden die hem lang niet altijd in dank werden afgenomen (regelmatig koos hij voor een ongebruikelijk hoog of langzaam tempo, hij negeerde aanwijzingen in de partituur, hij neuriede hoorbaar en atonaal mee met zijn pianospel). Het feit dat hij zich niets gelegen liet liggen aan de vaste inzichten van gezaghebbende muziektheoretici en gevestigde critici, zette veel kwaad bloed. Zijn interpretaties impliceerden dat hun standards of excellence geen bestaansrecht hadden. Het was menselijk dat die gemeenschap van fijne luiden wild om zich heen ging maaien. Het gelukkige geval wilde dat Gould nogal excentriek was.

Criticasters duidden zijn excentrieke gedragingen gretig als evenzovele bewijzen voor zelfoverschatting, aanstellerij, narcisme of zelfs als symptomen van een geestesziekte. Er stond hun een aardige waslijst ter beschikking: midden in de zomer droeg hij geduchte winterkleding omdat hij altijd bang was om kou te vatten; voor iedere pianosessie weekte hij zijn handen en onderarmen twintig minuten lang in heet water zodat ze knalrood waren als hij plaatsnam op het wankele, erg lage stoeltje zonder zitting dat hij zijn leven lang overal mee naartoe zeulde; hij was doodsbenauwd voor fysieke contacten - zelfs handen schudden met vreemden was uit den boze - en een onverwachte amicale schouderklop van een geluidstechnicus zorgde ervoor dat hij een jaar uit de roulatie was omdat hij zeker wist dat de klap blijvende schade had toegebracht aan zijn schouder en aan zijn ruggengraat. Voeg daarbij zijn compulsieve geneurie en zijn éénhandige gedirigeer tijdens het pianospelen, en de eenvoudige uitkomst van de optelsom was dat zo'n malloot onmogelijk voor vol kon worden aangezien, onmogelijk een baanbrekend musicus kon zijn.

Maar de criticasters wilden blind zijn voor de waarheid dat Glenn Gould een man was die dankzij een hoge mate van zelfkennis en ongeforceerd zelfvertrouwen nauwkeurig had uitgedokterd wat hij wilde bereiken. Hij leidde een leven dat hem in staat stelde zijn idealen te verwezenlijken. Hij had veel loyale vrienden die zijn gedragingen niet als 'afwijkend' bestempelden maar als 'typerend'. Zij omschreven hem als een zachtmoedige, hartelijke, geestige, hoffelijke, onderhoudende en trouwe man.

Ik geloof zijn vrienden op hun woord. En ik weet dat zijn vervoering talloze mensen op deze aarde heeft opgetild. Er bestaat een kans dat zijn greep ooit ook buiten ons zonnestelsel gevoeld zal worden want de in 1977 gelanceerde Voyager die beladen is met exempelen van wat onze planeet te bieden heeft, herbergt als sluitsteen een prelude en een fuga van Bach uitgevoerd door de geboren idealist uit Toronto.