Geen zorg, we zijn onoverwinnelijk

Het is crisis in Israël wegens de laatste oorlog in Libanon. De regering was incompetent, de militaire top arrogant, het leger niet voorbereid. „Zijn we nog bereid echte offers te brengen?”

Israëlische soldaten zoeken dekking voor een aanval van Hezbollah, augustus 2006 Foto AP Israeli soldiers take cover as a rocket warning siren sounds while they were working at the site of a previous Hezbollah attack that killed 11, at the entrance the communal farm of Kfar Giladi in northern Israel Sunday Aug. 6, 2006. Hezbollah guerrillas pounded towns across northern Israel with an enormous barrage of rockets on Sunday afternoon, killing 11 people and wounding 14 others in the worst rocket attack on Israel since violence began July 12. (AP Photo/David Guttenfelder) Associated Press

Die eerste augustusnacht op vijandelijk gebied, net over de grens in Libanon, vlakbij een bunker met Hezbollahstrijders, zal Daniël Cohen (27), scherpschutter van de Israëlische Alexandroni Brigade, nooit vergeten. Hij had („shit, shit, streng verboden”) zijn mobieltje nog aanstaan. Zijn moeder belde met de vraag of hij en zijn kameraden wel voldoende eten en drinken bij zich hadden. Ima (moeder) had op het tv-nieuws gezien dat er veel schortte aan de bevoorrading.

Daniël, lang, zichtbaar sterk en karamelkleurig als een Palestijn, neemt een slok van zijn cappuccino. „We hadden inderdaad een probleem met drinkwater. Sommigen van ons zouden later uitdrogingsverschijnselen krijgen, maar er was genoeg te eten. Ik had bovendien mijn rugzak gevuld met energierepen. Ima, zei ik, maak je niet ongerust, je weet, we zijn onoverwinnelijk. Echt, zo voelden wij ons: onoverwinnelijk.”

Ten onrechte, bleek al snel. Met een vertraagde reactie van bijna tien maanden lijkt Israël nu te zijn begonnen aan de verwerking van een onvermijdelijk debacle. Het is gedocumenteerd door een onderzoekscommissie die eerder deze week een keihard oordeel over regering, leger en ook over het Israëlische volk zelf heeft geveld.

De Tzahal, Israëls bron van trots, het geliefde en gerespecteerde verdedigingsleger kan goed tegen Palestijnen vechten, maar was niet voorbereid op de grootschalige, klassieke oorlog die Israël vorige zomer tegen Hezbollah-strijders in Libanon begon.

„We dachten werkelijk dat we goed voorbereid waren”, zegt Yossi Avrahami (29), reservemajoor van de paracommando’s en student openbaar bestuur aan de Hebreeuwse Universiteit in Jeruzalem. „We dachten dat we alles wisten van de strijd tegen terroristen omdat we zoveel ervaring hebben opgedaan in de Palestijnse gebieden. Hezbollah, Hamas, wat maakt het uit, zeiden veel jongens toen we opgeroepen werden.’’

Yossi, die na ‘Libanon’ is gedecoreerd en zijn linkerarm is kwijtgeraakt op de Westelijke Jordaanoever: „We zijn erg goed geworden in politieacties, maar nu moesten we oorlog voeren in onbekend, moeilijk terrein tegen een gedisciplineerde, zwaarbewapende tegenstander. We hadden al jaren niet geoefend op klassieke oorlogsvoering.”

Daniël: „We moesten opeens weer marcheren in formatie, we moesten tijgeren door het struikgewas, we moesten het uitzingen met rantsoenen, we konden weken niet douchen. In de Palestijnse gebieden stappen we in een jeep en rijden een paar kilometer van onze bases naar onze doelwitten in de kampen en de steden toe. Ik had toen ik werd opgeroepen voor Libanon al vier jaar geen wapen aangeraakt. Onze eenheid was al zo’n beetje wegbezuinigd.”

Yossi: „En toch dachten we dat we Hezbollah binnen een paar maanden gebroken en de leider Nasrallah gedood zouden hebben.”

Daniël: „Als de politici en de media er niet zo’n bende van gemaakt hadden, was het ook gelukt. We hadden gewoon meer tijd nodig.”

Yossi: „Misschien wel, misschien niet. Wij hadden in ieder geval meer kunnen doen aan die katjoesja’s. Ik zat met mijn peloton van honderd man op een heuvel. In de vallei zagen we hoe Hezbollah die katjoesja-raketten afvuurden op Israël. We mochten niets doen, want dat waren niet onze doelen, dat moest de luchtmacht opknappen. We wisten toen al dat de luchtmacht dat niet voor elkaar zou krijgen.”

Daniël: „Daardoor hebben we de oorlog ook verloren.”

Yossi, die niet mag vertellen waarvoor hij is gedecoreerd: „Nou, verloren... we hebben Hezbollah toch een enorme dreun gegeven. Ik weet niet meer hoeveel wij er gedood hebben, maar ik ben zelf de tel kwijt geraakt.”

Daniël: „Als wij Israëliërs een oorlog niet winnen en de vijand niet afmaken, hebben wij verloren en zij gewonnen. Wij hebben verloren, omdat Hezbollah nog bestaat, terwijl het geen mission impossible was om ze af te maken. We hadden er eerder en grootschaliger in moeten gaan. Maar dat durfde Olmert niet. Daarom moet hij ontslagen worden.”

Miljoenen Israëliërs lijken daar blijkens opiniepeilingen en een massale demonstratie op het Rabinplein in Tel Aviv net zo over te denken. De Tweede Libanonoorlog die op 12 juli 2006 begon met de ontvoering van twee reservisten door de shi’itische beweging Hezbollah, geleid door Hassan Nasrallah, had koste wat het kost gewonnen moeten worden. Dat de 34 dagen durende strijd eindigde met een door de internationale gemeenschap afgedwongen bestand wordt ervaren als een nederlaag.

Volgens oud-rechter Eliyahu Winograd, voorzitter van de onderzoekscommissie, waren premier Olmert, minister van Defensie Peretz en afgetreden chef-staf Halutz de hoofdverantwoordelijken. Het leidend trio is weggezet als „incompetent, onprofessioneel, niet tot oordelen bekwaam, impulsief en onervaren”.

De premier faalde ernstig en de bijdragen van de minister van Defensie hadden een „pointillistisch karakter”, omdat hij „geen kennis heeft van militaire, politieke of regeringszaken”.

De chef-staf was, vrij vertaald, een arrogante fly-boy (een F-16-piloot) die alle gereedliggende plannen om Hezbollah te vernietigen in de prullenbak mikte en zijn kaarten zette op de luchtmacht, die delen van Libanon in puin legde.

In Israël is een curieus monsterverbond ontstaan van teleurgestelde reservisten, rouwende ouders van gesneuvelde soldaten, linkse vredesactivisten en rechtse kolonisten die de regering tot aftreden willen dwingen. Iedere groep heeft zijn eigen motieven om verdriet, woede en frustraties af te reageren op de impopulaire Olmert en de altijd wat hulpeloos kijkende Peretz.

Als regering en leger zouden zijn geleid door capabele leiders, dan zouden Hezbollah en Nasrallah allang zijn opgeruimd, want het kan toch niet aan het gerespecteerde en bewonderde leger zelf gelegen hebben, is de overheersende mening.

Maar dat is volgens Winograd wel degelijk het geval. De regeringscommissie vindt zelfs dat de oorlog helemaal niet gevoerd had mogen worden en dat de twee gekidnapte soldaten met andere methoden (diplomatie, internationale druk, ruilen van gevangenen) bevrijd hadden moeten worden.

Waarom? „De politieke en militaire elites waren tot de conclusie gekomen dat de landstrijdkrachten alleen nog maar geconfronteerd zouden worden met laagintensieve, asymmetrische conflicten. Zij veronderstelden dat de tijden van oorlogen voorbij waren”, constateerde zijn commissie.

Deze vaststelling strookt niet met het beeld dat de meeste Israëliërs van het leger hebben, laat staan dat zij open staan voor het idee dat de Tzahal, door een oud-chef-staf het „meest morele leger ter wereld” is genoemd, feilbaar is. Bovendien, als het leger heeft gefaald dan heeft ook de maatschappij gefaald, want voor velen zijn leger en maatschappij nauw met elkaar verweven.

Niet verrast was de militaire historicus Martin van Crefeld. „Het is eigenlijk nogal eenvoudig. Als je jarenlang alleen maar tegen een zwakke tegenstander vecht, verzwak je zelf ook. Alle energie en middelen gingen naar de noodzakelijke strijd tegen de Palestijnse terreur. Dat heeft een prijs”, aldus de schrijver van The Sword and the Olive, het standaardwerk over de geschiedenis van het Israëlische leger.

„Wij zijn in Israël vergeten wat het betekent om een echte oorlog te voeren. Bijna niemand weet meer dat Moshe Dayan in 1954 bepaalde dat geen enkele eenheid een missie mocht opgeven als er minder dan vijftig procent doden en gewonden waren gevallen’’, zegt Van Crefeld.

Een dergelijke order zou nu een storm van protesten uitlokken. Want bij alle kritiek op de oorlogsvoering van vorig jaar lijkt vergeten te zijn dat in de zomer van 2006 een meerderheid van de Israëlische bevolking tegen een langdurig grondoffensief was.

Anno 2007 is de joodse staat niet meer te vergelijken met het land van hoofdzakelijk agrarische zionisten. Vormde in de laatste grote en gewonnen oorlog (de Zesdaagse Oorlog van 1967) het mobiliseren van tienduizenden jonge mannen geen probleem – de oogsten waren al binnengehaald –, in 2006 lag dat anders. Regering en bedrijfsleven aarzelden met een grootscheepse mobilisatie om te voorkomen dat de belangrijkste takken van de exporterende industrieën (computertechnologie, chemie, diamanten, medische apparatuur) werden ontwricht.

Het moderne Israël is rechtstreeks aangesloten op de wereldeconomie. Intel en Microsoft maken in Israël de chips voor de nieuwste generaties laptops en servers, de Amerikaanse investeerder Warren Buffett heeft immense belangen in Israël, jaarlijks stromen er tientallen miljoenen dollars aan buitenlandse investeringen richting Israël. De beurs zakte juli 2006 even in, maar veerde snel weer op. Het leven in het overgrote deel van Israël ging in de oorlogsdagen gewoon door en in de meer Monegaskische plaatsen aan de kusten zaten de restaurants van de jachthavens, golfbanen en paardrijverenigingen vol.

„Dat is waar het nu over gaat. Zijn we nog bereid om echte offers te brengen voor de noodzakelijke strijd voor het in stand houden van een joodse staat?” vraagt filosoof, schrijver, Haaretz-columnist en „links-liberale zionist” Ari Shavit (43).

Hij is een van de leidende intellectuelen in de campagne tegen premier Olmert, die hij een „fat cat zonder scrupules” noemt.

„Het politieke en militaire establishment heeft gefaald omdat het de bevolking heeft voorgespiegeld dat wij oorlogen, die noodzakelijk zijn voor ons voortbestaan als joodse staat, kunnen voeren zonder bloed, zweet en tranen. Natuurlijk, voor de bezetting van de Palestijnse gebieden betalen we een hoge prijs. Alle middelen worden ingezet in de strijd tegen de Palestijnse terreur en de bezetting heeft onze normen en waarden gecorrumpeerd. Maar we hebben ook te maken met het falen van de zelfgenoegzame elites in de politiek, het leger, de media en het zakenleven”, stelt Shavit.

De bescherming die het zwaarbeveiligde Fort Israël biedt, leidt volgens hem tot zelfgenoegzaamheid. Voor wie het niet wil zien, bestaat in Israël het Midden-Oosten niet of nauwelijks. De Palestijnen, opgesloten in enclaves, spelen een steeds kleinere rol in het bewustzijn en Irak, Libanon en Iran mogen de media bezighouden, de meeste Israëliërs hebben andere besognes.

„We doen alsof Israël een soort Zwitserland is geworden. Maar het Midden-Oosten is geen Europese Unie. En er is meer aan de hand. Een krachtige, zelfbewuste overheid op sociaal-democratische grondslag was een goede vorm om joden uit alle hoeken van de wereld te laten samenwerken, misschien wel de enige geschikte vorm om joden bij elkaar te houden. De sociaal-democratie in Israël heeft het echter verloren van de ethiek van de privatiseringen en de markten. Het laatste publieke instituut dat wij nog hebben is het leger en ook daar is het ernstig fout gegaan”, vindt Shavit.

Op de voor de hand liggende vraag of met de ondergang van de sociaal-democratie in Israël – alle banken, instellingen voor de gezondheidszorg, verzekeraars, havens en nutsbedrijven zijn geprivatiseerd – ook het zionisme zijn langste tijd heeft gehad, reageert hij kribbig. Zelfs geïrriteerd als de vraagsteller daaraan toevoegt dat joden anno 2007 in Europa, Duitsland voorop, de Verenigde Staten en Latijns-Amerika een stuk veiliger lijken te zijn dan in de joodse staat zelf. Bits: „Nee, onzin, zonder een joodse staat gaat de joodse cultuur verloren en zijn joden vogelvrij in de wereld.”

Maar meteen daarop nuanceert hij zijn uitspraak: „Israël wordt op het ogenblik geleid door de meest incompetente en corrupte premier in onze geschiedenis. De minister van Financiën is ook corrupt, de president is een seksmaniak, en de minister van Justitie kon niet van een soldate afblijven. Ik ben niet preuts, maar zijn dat de normen en waarden waar een jonge soldaat voor zou willen sterven of anderen voor zou willen doden? Is dat het land waar ouders bereid moeten zijn om zonen en dochters naar het front te sturen? Ik, als vader van twee kleine kinderen, in ieder geval niet.”

Shavit: „Israël wordt een onhoudbare staat, een staat die op geleende tijd leeft. Als jongeren en ouders niet bereid zijn offers te brengen, dan maken we in het Midden-Oosten van de eenentwintigste eeuw geen kans, vrees ik.”

Zover is het nog niet. „Wij hebben een sterke economie, een onverstoorbare en veerkrachtige, zij het geschokte, bevolking. Eén nederlaag in Libanon is nog geen holocaust, het is niet het einde van Israël. De situatie is heel moeilijk, maar niet hopeloos. We moeten alleen de huidige generatie van corrupte leiders, Olmert voorop, afzetten en vervangen door een generatie gematigde leiders die ook serieus gaat proberen vrede te sluiten met Syrië en met de Palestijnen.”

Shavit is ervan overtuigd dat een grote meerderheid van de Israëlische bevolking vrede wil sluiten met de Arabische wereld en een Palestijnse buurstaat zal accepteren en Jeruzalem wil delen. „Een Palestijnse staat is een groot, strategisch belang voor Israël geworden”, zegt hij.

Dat niets erop wijst dat er ook maar één nederzetting op de bezette Westelijke Jordaan wordt ontruimd, is volgens hem te wijten aan het zwakke, richtingloze leiderschap van de premier. „Olmert krijgt nog geen theepot weg uit de bezette gebieden.” Maar welke politicus dat wel zou kunnen weet hij ook niet. Niemand lijkt dat te weten.

Voor brigadegeneraal Danny van Buren is Ari Shavit „een van die vele onheilsprofeten, op wie wij Israëliërs een patent lijken te hebben”. Van Buren, van Nederlandse afkomst, is een van de jongere leden van de generale staf in Tel Aviv en verantwoordelijk voor „de ruggengraat” van het leger, de reserve-eenheden.

„De offerbereidheid was vorig jaar juist erg groot. Het aantal reservisten en actieve soldaten dat niet is komen opdagen, was historisch klein. De meeste eenheden hadden opkomstpercentages van honderd procent. Ik denk dat de teleurstelling die we nu zien daarmee te maken heeft. De bereidheid om te vechten was erg groot, terwijl het resultaat niemand bevredigde.”

Hij ziet de Tweede Libanonoorlog in de eerste plaats als een „wake up call voor een misschien wat verwend geraakte samenleving”. De generaal vertelt dat de generale staf allang bezig is „de lessen van Libanon” om te zetten in de praktijk. Reserve-eenheden worden opnieuw uitgerust en ondergaan intensieve trainingen. Alle bezuinigingen zijn geschrapt, alle plannen om eenheden af te schaffen of te verkleinen zijn ingetrokken.

„Het is waar dat de verhouding tussen investeringen in technologie en investeringen in trainingen uit balans waren geraakt. Dat zijn we aan het herstellen. En we werken ook aan een verandering van de algemene state of mind van reservisten. We betalen zelfs de kosten van de sportclubs, want we willen bij een volgende oorlog geen buikjes meer zien”, zegt de generaal.

Hij is net terug van een grote oefening met honderden tanks en duizenden manschappen in de Hoogten van Golan, waar net als in de Jordaanvallei en de Negevwoestijn de laatste maanden de stilte ernstig wordt verstoord door kanongebulder en ronkende tankmotoren. „Het is onder de nieuwe chef-staf Gabi Ashkenazi back to basics’’, zegt Van Buren.

De nieuwe chef-staf, een voormalige infanterieofficier, heeft de generale staf uitgemest en bereidt het leger voor op een nieuwe oorlog.

Yossi, de pelotonscommandant: „Gabi is de nieuwe bezem. In hem hebben wij vertrouwen.”

Daniël, de scherpschutter die over zijn activiteiten in Libanon en de Palestijnse gebieden niets wil zeggen: „Ik weet zeker dat ik in mijn leven nog een keer een oorlog zal meemaken. Of we zijn deze zomer weer terug in Libanon, want Hezbollah is aan het herbewapenen, of we gaan weer naar de Gazastrook. Ik blijf in de vakantie daarom ook in Israël.”

Yossi: „Het enige wat ik weet is dat we de volgende oorlog niet mogen verliezen. Die oorlog komt, dat staat vast, maar ik vraag mij vaak af of de samenleving er klaar voor is.”

Daniël heeft zijn blinde vertrouwen in leger en land niet verloren: „Ik wil het niet en laat mijn moeder dit niet lezen, maar ik ben bereid dan te sterven.”