Finish in zicht

Nicolas Sarkozy is favoriet in de beslissende ronde van de Franse presidents-verkiezingen, morgen. President Jacques Chirac, zijn partijgenoot, heeft hem nooit als opvolger gewild. De ‘pure gaullist’ en de ‘atleet in de politiek’ hebben alleen hun machtshonger gemeen.

‘Jacques Chirac is nooit mijn vader geweest. Daarom hoef ik met hem niet te doen wat men doorgaans met vaders doet.” Vadermoord. Het citaat is van Nicolas Sarkozy (52). Hij maakt de beste kans om morgen tot president van Frankrijk te worden gekozen. Als opvolger van zijn partijgenoot Jacques Chirac (74), ooit zijn mentor, die hij de afgelopen vijf jaar bijna onafgebroken als minister heeft gediend, op Binnenlandse Zaken (2002-2004), op Economie en Financiën (acht maanden in 2004) en opnieuw op Binnenlandse Zaken (2005-2007).

De koning is dood, leve de koning. Rechts gaat, rechts komt. Maar de komende rechtse koning is wel een andere dan de gaande. „Ik zal de Fransen geen rad voor ogen draaien, ik zal niet liegen, ik zal hen niet verraden. Ik ben dus anders dan Jacques Chirac.” Nicolas Sarkozy zei het gewoon hardop. Hij maakte de opmerking op dezelfde dag, in maart, als die niet mis te verstane andere, over de onnodige vadermoord. Er viel weinig tegenin te brengen. Chirac hééft een reputatie hoog te houden op het vlak van loze beloftes, halve waarheden, gesjoemel. En politieke moord wás niet meer nodig. Even ervoor had Chirac immers officieel zijn afscheid van de politiek aangekondigd. Eindelijk.

En wat was het antwoord van de sluwe vos in het Élysée, die geacht wordt wel zijn haren maar niet zijn streken te verliezen? Een week later gaf hij „vanzelfsprekend” zijn steun aan Sarkozy, die was immers „de kandidaat die mijn partij heeft gekozen om zijn kwaliteiten”.

Een minimale steunbetuiging, zeker, maar gezien de openlijke desavouering door Sarkozy van zijn persoon en reputatie was die vanzelfsprekende steun toch vooral een oefening in nederigheid. Hier sprak een Chirac op de knieën, kennelijk niet meer in staat tot wraakneming. Geen vadermoord? Het woord is te zwak. Het is, alles in politieke zin, de perfecte misdaad: zelfs van het lijk is geen spoor meer te bekennen.

Wel nog van zijn erfenis: een reeks teleurstellingen en desillusies. Chirac werd in 1995 gekozen met de belofte de sociale tweedeling te verkleinen. Zeven jaar later werd hij met een overgrote meerderheid door een verbitterd electoraat herkozen: na een historisch lage score van negentien procent in de eerste ronde was hij in de tweede het enige alternatief voor de extreemrechtse kandidaat Jean-Marie Le Pen. Die was geen alternatief, zelfs niet voor Chirac.

Populair was Chirac nog even toen hij zich in 2003 verzette tijdens de Amerikaanse oorlog tegen het Irak van Saddam Hussein. Maar daarna werd hij definitief ingehaald door de problemen die hij nooit had opgelost. De inefficiëntie van de verzorgingsstaat. De groeiende armoede. De vlucht van talentvolle jongeren naar het buitenland. Het vastlopen van de Europese integratie na het Franse en Nederlandse nee tegen de Europese grondwet in 2005. En de aanhoudend hoge werkloosheid, nu 8,5 procent – officieel het laagste cijfer sinds vijfentwintig jaar, maar nog altijd een van de hoogste in de EU en volgens experts in werkelijkheid hoger.

Gezien deze erfenis zou het logisch zijn als nu het andere kamp aan de beurt was. Sarkozy’s tegenkandidate, de socialiste Ségolène Royal, dus. Behalve Chiracs erfenis is er bovendien Sarkozy’s reputatie. Als minister van Binnenlandse Zaken maakte ‘Sarko’ zich gehaat in de banlieues, wegens zijn snijdende uitspraken over ‘gespuis’ onder de jongeren. In november 2005 groeide boeman Sarkozy, ook buiten de voorsteden, uit tot zondebok, toen rellen door het hele land uitbraken. Ook nu wordt hier en daar al gespeculeerd dat Sarkozy’s zege, morgen, nieuwe rellen zal uitlokken. Zelfs zijn grootste medestanders geven toe dat hun kandidaat felle weerstand oproept.

En toch is niet Royal de favoriet van morgen, maar Sarkozy. Alle opiniepeilingen sinds januari – minstens vijf per week – voorspellen dat hij wint, al dan niet met een ruime voorsprong. Ondanks de erfenis van partijgenoot Chirac. Zowel met die nalatenschap als met de erflater heeft hij doeltreffend de vloer aangeveegd. Hij heeft zijn campagne met straffe hand geleid. Hij heeft, dit weer wel in navolging van Chirac, zijn politieke familie naar zijn hand gezet. Machtshonger – dat hebben de voorganger en de vermoedelijke opvolger gemeen. De UMP, hun partij, werd opgezet door Chirac, als een ‘machine om te winnen’. Dat werd het. Voor Sarkozy.

Het is een publiek geheim dat Chirac Sarkozy niet als opvolger wilde. Geen wonder. Chirac is hoofd van een clan, stamoudste. Opgewonden standjes als Sarkozy plegen in de traditie van de ‘chiraquie’, de kring getrouwen, het lid op hun neus te krijgen. Wie te ambitieus is, te weinig onderdanig, en niet bereid tot lippendienst en pluimstrijkerij, kan het vergeten. Daarbij: de weerstand beperkt zich niet tot de chiraquie. Heel Frankrijk begrijpt wat de linkse oppositie bedoelde met ‘Sarkozy, l’américain’. Te neoliberaal, te Amerikaansgezind.

Dat is geen pré, in Frankrijk.

Maar Sarkozy heeft al die ongunstige eigenschappen als het ware uitvergroot: het werden van de weeromstuit kwaliteiten. Hij heeft de troon eenvoudig opgeëist. Hij heeft nooit wie dan ook voor wat dan ook om toestemming gevraagd. Of het nu om zijn eerste politieke benoeming ging – burgemeester van de rijkste voorstad van Parijs, Neuilly-sur-Seine, op zijn 28ste – of om het leiderschap van regeringspartij UMP in 2004.

Ook heeft hij nooit verstoppertje gespeeld. In 2004 werd hem op televisie gevraagd of hij wel eens aan het presidentschap dacht, ’s morgens onder het scheren. „Niet alleen onder het scheren”, antwoordde ‘le petit Nicolas’ stoutmoedig. In maart 2005 ging hij nog verder. Wederom live op tv beloofde hij „hoe dan ook kandidaat te zijn bij de presidentsverkiezingen van 2007”. Ook als Chirac opnieuw kandidaat zou zijn? Ja, dan ook. En bij de aanvang van het traditionele interview met de president op de nationale feestdag 14 juli verliet Sarkozy demonstratief diens ‘gardenparty’ om in zijn eigen ministerie, pal tegenover het Élysée, een persconferentie te geven. „Als de baas maar tevreden over me is”, zei hij tegen wie het maar horen wilde.

President van de Republiek worden: Sarkozy heeft het altijd al gewild. In de talrijke biografieën over hem wemelt het van de jeugdvriendinnetjes die hem ooit uitlachten nadat hij hun juist die ambitie had geopenbaard. Lach maar. In 1982 vroeg het 27-jarige – toen nog – gemeenteraadslid van Neuilly-sur-Seine om een afspraak met Jacques Attali, destijds naaste adviseur van president Mitterrand. Jaren later herinnerde Attali zich nog zijn verbazing toen een medewerker hem het verzoek overbracht: „Een jonge gaullistische advocaat die president van de Republiek wil worden, wenst u te ontmoeten.” Ik doe wat ik zeg, Sarkozy heeft het Pim Fortuyn vaak nagezegd.

De allereerste anekdote over Sarkozy en Chirac stamt uit juni 1975. Voor een partijbijeenkomst in Nice van de Gaullisten, geleid door Chirac, staat de 20-jarige Sarkozy voor het eerst op de sprekerslijst. Chirac kijkt de hem onbekende jongeman kort aan als hij het podium beklimt. „Ben jij Sarkozy? Je krijgt twee minuten”.

De overlevering wil dat Sarkozy een toespraak hield van een half uur, waarin hij alle oude Gaullistische mannen op de voorste rij bezong. Naar eigen zeggen werd hij ‘dronken’ van het applaus. „Toen heb ik de beslissing genomen de politiek in te gaan”, vertelde hij later aan Cathérine Nay, een journaliste die gespecialiseerd is in biografieën van „grote politieke roofdieren”.

Nay schreef in 1980 over Mitterrand, in 1994 over Chirac en zijn rivaal Edouard Balladur, en vorig jaar ‘deed’ ze Sarkozy. Ze omschrijft hem als een ‘atleet in de politiek’, een topsporter die leeft voor prestaties. Hij drinkt geen druppel alcohol, ligt elke avond stipt om twaalf uur in bed, jogt bijna dagelijks. Het Élysée is voor hem bijna letterlijk de eindstreep van een jarenlange marathon, die hij met discipline heeft volgehouden. Hij heeft zo weinig mogelijk omwegen gekozen, om in één keer te slagen. Hij heeft jarenlang gebouwd aan een netwerk in media en bedrijfsleven dat groter is dan dat van alle andere Franse politici (behalve Chirac). Hij is intiem bevriend met de machtigste magnaten in het land: Martin Bouygues, bouwondernemer en eigenaar van de grootste tv-zender, TF1, Arnaud Lagardère, onder meer grootaandeelhouder van het Europese luchtvaartconcern EADS (met dochteronderneming Airbus) en uitgever, aandeelhouder ook van Le Monde. Serge Dassault, wapen- en luchtvaartmagnaat, eigenaar van Le Figaro.

Zijn voornaamste tegenstanders, Ségolène Royal en centrumpoliticus François Bayrou, vrezen Sarkozy’s „nauwe banden met grootkapitaal en media”. Ze vergelijken hem met de Italiaanse ex-premier Sylvio Berlusconi. Volgens Bayrou combineert Sarkozy zijn netwerken met een stijl van optreden die „bedreigend en intimiderend” is.

De verwijten zijn niet nieuw. Journalisten die onwelgevallig over hem schreven, hebben geklaagd dat hij aan de bel trekt bij de eigenaar van hun medium. De voormalige hoofdredacteur van Paris Match, Alain Genestar, is ervan overtuigd te zijn ontslagen, door eigenaar Lagardère, op aandringen van Sarkozy. Die was hels over een omslag van Paris Match waarop zijn vrouw Cécilia te zien was met haar minnaar.

Cécilia is inmiddels weer terug, maar onduidelijk is of zij na een zege van Sarkozy met hem op het Élysée gaat wonen. Ooit, toen het stel nog onafscheidelijk was, en veelvuldig samen naar buiten trad, zei ze dat niet te willen. Nog geen journalist heeft gewaagd er naar te informeren hoe het er nu mee staat.

Recht vooruit, nooit afslaan. Dat devies heeft het parcours van Sarkozy bepaald. Misschien toch iets geleerd van Chirac, volgens Cathérine Nay eveneens ooit „een door macht verblinde kroonprins” (van ex-president Georges Pompidou). In zijn verblinding verloor Chirac zich al te vaak in machinaties en psychologische misrekeningen. Hij verried de Gaullistische kandidaat Chaban-Delmas door bij de presidentsverkiezingen in 1974 de centrumkandidaat Valéry Giscard d’Estaing te steunen. Hij werd beloond met het premierschap, maar hij stapte na twee jaar al op omdat hij onder Giscard „niet de middelen” kreeg om te regeren. Hij werd burgemeester van Parijs en begon een nieuwe partij, de RPR, maar in 1981 was hij kansloos in de eerste ronde tegen Giscard en Mitterrand.

In 1986 trad Chirac na een overwinning in de parlementsverkiezingen aan als premier onder president Mitterrand. Het bleek de opmaat om door de linkse president te worden ingepakt en verslagen bij de presidentsverkiezingen in 1988. Zo ging het door. In 1993 maakte Chirac zijn vriend Edouard Balladur na een overwinning in de parlementsverkiezingen premier, omdat hij zijn eigen kansen op het presidentschap niet wilde vergooien door een nieuwe cohabitation met Mitterrand. Maar in 1995 stelde Balladur zich zelf ook kandidaat. Chirac werd president, na een onwaarschijnlijke inhaalrace. Hij koos voor stevige liberale hervormingen. Na twee jaar schreef Chirac parlementsverkiezingen uit om het verzet daartegen te breken. Hij verloor en moest zelf als president óók geloven aan politiek hokken. Het werd de langste cohabitation uit de geschiedenis van de Vijfde Republiek: vijf jaar met de socialistische premier Jospin.

Behalve macht zijn tactische vergissingen de rode draad in de carrière van Chirac. De ratificatie van de Europese Grondwet, in mei 2005, was daarvan het laatste voorbeeld. Chirac wilde zijn plaats in de geschiedenis van de Europese integratie op klassiek-gaullistische wijze bezegelen met een referendum. Het werd nee. Daarna trad Chirac, minder klassiek-gaullistisch, niet af. Sindsdien was hij vleugellam.

Hoe word je van zo’n brokkenpiloot de erfgenaam, nee, neutraler: de opvolger? Misschien heeft Sarkozy zich ooit de vraag gesteld. Toen hij in 1977 begon in de gemeenteraad van Neuilly, was hij 22 jaar en net afgestudeerd met een scriptie over de rol van Georges Pompidou in het afscheid van generaal Charles de Gaulle uit de politiek. Conclusie: Pompidou hielp een handje door tijdig zijn ambities te laten blijken. Zonder vrees voor de vijandige reacties. Precies dat deed Sarkozy. Tot machteloze razernij van Chirac, soms. „Je décide, il exécute! Ik beslis, hij voert uit”, zei de president twee jaar geleden bits over zijn opstandige minister. Het il exécute werd in de volksmond onmiddellijk il m’exécute, hij brengt me om. De openbare terechtwijzing werd een boemerang.

Er zijn foto’s van Sarkozy tijdens een studentendemonstratie. Lange haren, overhemd strak gespannen over de borst, handen in de spijkerbroek, schreeuwend: hij demonstreerde tegen de stakingen van linkse studenten. Al op zijn dertiende vroeg hij vrij van school om tegen de studentenrevolte van mei 1968 te demonstreren. Hij kreeg het niet. Anders dan Jacques Chirac is Sarkozy nooit links geweest. Chirac verkocht in zijn studiejaren nog de communistische krant l’Humanité. Volgens de sociaal-democratische oud-premier Michel Rocard, een studievriend, was de vertrekkende president in die periode „veel linkser dan ik”.

Chirac was afkomstig uit een familie die niet zelf tot de machtigen van het land behoorde, plattelandsnotabelen uit de Corrèze. Via het werk van zijn vader, een bankier, stond hij in contact met de familie Dassault, de wapen- en luchtvaartfabrikant. Het werd zijn entree tot de kringen rondom premier Pompidou. In diens schaduw ontwikkelde Chirac zich tussen 1966 en 1972 tot kroonprins. Toen was hij anti-Europees en fel liberaal. Later ontwikkelde hij zich onder invloed van zijn dochter Claude en van de huidige premier Dominique de Villepin tot de humanist die hij nu is.

Sarkozy wist al heel lang dat hij „nooit de natuurlijke erfgenaam” zou zijn van Chirac, vertelde François Fillon, vijf keer minister onder Chirac en nu de voornaamste kandidaat om premier te worden van Sarkozy, begin dit jaar aan weekblad Le Point. Het betekent niet dat hij onverschillig stond tegenover de leider van rechts. „Sarkozy verwacht van Chirac een erkenning, die nooit gekomen is”, volgens Fillon. Een breuk, ooit, was in zijn ogen alleen al daarom onvermijdelijk.

„Het is een verandering van stijl en generatie. Meer niet.” Dominique Perben, eerst minister van Justitie en tegenwoordig minister van Verkeer onder Chirac, is kort over het verschil tussen zijn oude en zijn nieuwe voorman.

Élysée in zicht

Vervolg van pagina 33

Hij heeft Sarkozy zojuist met duizenden anderen in het Parijse sportpaleis Bercy beloond met applaus voor zijn redevoering tegen ‘mei 1968’. Zo’n rede heeft Chirac nooit gehouden. Toch verandert er inhoudelijk niets, vindt Perben. De kandidaat-parlementariër Jean-Claude Beaujour (43) is daar minder stellig over. Chirac was nog een „pure gaullist” vindt hij, met naoorlogse stokpaardjes als vanzelfsprekende sociale vooruitgang met genereuze voorzieningen. Sarkozy is „gevormd door een andere tijd”, denkt hij: „werkloosheid, Europa, de multiculturele samenleving, dat zijn de problemen die zijn gedachten hebben bepaald.” Wat ze delen, meent Beaujour, is dat ze „hechten aan de belangrijke plaats van Frankrijk in de wereld”.

Wat ze ook gemeenschappelijk hebben: hun streven om koste wat het kost ‘de familie’ bijeen te houden’.

Sarkozy is de zoon van een Hongaarse adellijke immigrant en een Franse dochter van een Grieks-joodse arts. Hij heeft zijn jeugd veelvuldig als een onplezierige periode omschreven. Hij leed naar eigen zeggen onder het gedrag van zijn vader, die het gezin met drie zoons na verloop van tijd verruilde voor een playboybestaan. Vooral dat hij weigerde alimentatie te betalen, ondanks een goed inkomen, nam Nicolas, de middelste – en kleinste – zoon hem kwalijk. In de politiek vond hij naar eigen zeggen zijn „alternatieve familie”, inclusief indrukwekkende heren, vooral oude gaullisten. Chirac was voor de jonge Sarkozy de machtigste van hen. In 1977, was Chirac gekozen tot de eerste burgemeester van Parijs. Hij had in 1976 een nieuwe partij opgericht, de RPR. Sarkozy werd afgevaardigde van de gaullistische jeugdbeweging.

Het nauwst was de relatie tussen de gaande president en zijn vermoedelijke opvolger in de jaren tussen 1989 en 1993. Sarkozy was bevriend met Chiracs dochter Claude, toen beginnend adviseur van haar vader. Ze leerde dat vak van Sarkozy, zei ze later zelf. Omgekeerd zou de band minder vruchtbaar zijn geweest. „Zij wilde altijd dat ik met haar vader werkte”, vertelde Sarkozy aan biografen, „maar ze heeft geen rol gespeeld in mijn carrière.”

1993 was een sleuteljaar voor Sarkozy. Hij werd (onder-)minister voor Begroting en woordvoerder van premier Balladur. Het grote publiek leerde hem dat jaar kennen tijdens een gijzeling op een basisschool in Neuilly-sur-Seine door een geestelijk gestoorde man, ‘human bomb’. Sarkozy, behalve minister nog steeds burgemeester, maakte indruk door onder het oog van tv-camera’s de school in te gaan om in zijn eentje te onderhandelen. Hij kreeg een paar kinderen vrij en bood zich aan als gijzelaar in ruil voor de kinderen. Maar Balladur verbood zijn minister zijn leven te riskeren. Na twee dagen schoot een overvalcommando de gijzelnemer dood.

Over de voorzichtige, statige liberaal Balladur is Sarkozy opvallend veel lovender dan over Chirac. Hij noemt hem „mijn echte vader”. Als Balladur het in de presidentsverkiezing van 1995 wil opnemen tegen zijn oude metgezel Chirac, kiest Sarkozy voor zijn nieuwe beschermheer. Dat heeft een prijs. Na de verkiezing van Chirac in 1995 trekt hij een paar jaar ‘door de woestijn’. In 1999 is hij toch weer lijsttrekker voor de verkiezingen voor het Europees parlement. Maar hij mist zijn kans: de RPR scoort nog lager dan de afgescheiden partij van Eurosceptici, onder leiding van Charles Pasqua.

In de maanden die volgen op zijn nederlaag schrijft Sarkozy een autobiografie: Libre. Het is een blauwdruk voor zijn latere aanpak. Hij leert van zijn fouten, anders dan Chirac. Hij cultiveert zijn persoonlijke tegenslagen, om zich te presenteren als een gelouterde – ‘vrije’ – politicus. Hij eist het predicaat ‘rechts’ op, dat Chirac volgens hem heeft laten liggen. Waarden als autoriteit, gezin, respect, werk komen voorop te staan. Maar Sarkozy denkt ook na over positieve discriminatie – een Frans taboe –, toont zich voorstander van een ‘open’ Frankrijk dat niet leunt op het verleden, belijdt zijn Europese gezindheid, zijn belangstelling voor de Verenigde Staten. Hij is op zoek naar de sleutel tot hervorming en modernisering van Frankrijk, die Chirac maar niet kan vinden. Hij definieert zichzelf als liberaal.

Chirac de president heeft juist tegengestelde conclusies getrokken uit de schipbreuk in 1997. Chirac gelooft niet meer dat Frankrijk harde hervormingen verdraagt. Het moet met de fluwelen handschoen of anders maar niet. In twee bundels toespraken die hij dit voorjaar liet uitgeven komen enige constante thema’s sinds begin jaren negentig naar voren. „Liberalisme is even slecht als communisme”: het vrije markt denken beschouwt Chirac als een gevaarlijk ideologisch dogma. Hij ziet zichzelf voortaan als humanist en wereldaanvoerder van het verzet tegen Amerikaanse culturele nivellering.

Chirac wilde geen vernieuwer zijn, hij verdedigde wat er al was: van het eeuwige Frankrijk en het oude Afrika tot het verworven recht van de Europese landbouwsteun. Voormalige hervormingsgezinde aanhangers, zoals de invloedrijke journalist Franz-Olivier Giesbert van weekblad Le Point, oordelen achteraf vernietigend over Chirac. De nu gaande president is na zijn herverkiezing in 2002 verworden tot vleesgeworden onmacht, slachtoffer van zijn eigen manipulatieve heerszucht. „Een naakte koning in een eenzaam paleis”, schreef Giesbert vorig jaar in een geruchtmakende afrekening, La Tragédie du Président.

Sarkozy werkte sinds 1999 nadrukkelijk aan een eigen alternatieve koers. Wrijving bleek onvermijdelijk. Toen hij in 2004 voorzitter wilde worden van regeringspartij UMP, in 2002 opgericht door Chirac, dwong de president hem tot een keuze: de partij of het ministerschap – de basis onder de populariteit van Sarkozy. De partij, zei Sarkozy. Het bleek een beslissende stap. De UMP werd zijn verkiezingsmachine in plaats van die van Chirac. Sarkozy predikte la rupture: een breuk met „dertig jaar verkeerde politiek”: economisch, sociaal en internationaal. Die periode omspant – niet toevallig – de gehele politieke carrière van Jacques Chirac.

Hoe sterk Sarkozy al binnen een jaar stond, bleek toen Chirac na het echec van het referendum een nieuwe regering aanstelde. Sarkozy mocht terugkeren als minister en tegelijkertijd partijvoorzitter blijven. Als nummer twee van de regering was hij eigenlijk al de sterke man – niet te beteugelen voor zijn collega’s, inclusief de jaloerse premier Dominique de Villepin.

De banlieue-rellen konden die positie niet meer aantasten. Azouz Begag, minister ter Bevordering van Gelijke Kansen, die protesteerde tegen de felle woordkeuze van Sarkozy tegen criminele jongeren, kreeg een treffende demonstratie van het leiderschap van Sarkozy. Nadat hij tijdens een lezing in het land afstand van hem nam door te zeggen dat hij geen ‘Azouz Sarkozy’ heette, was het afgelopen met zijn carrière in de UMP. Eerst dreigde Sarkozy via de telefoon – zo schreef Begag dit voorjaar in zijn memoires – hem „op je bek te slaan”. Daarna werd Begag in de regeringspartij UMP doodgezwegen. Begag koos voor een andere partij.

Binnen de UMP behield Sarkozy de eenheid. Toen hij op 14 januari van dit jaar officieel door de partij werd aangewezen als presidentskandidaat, stonden behalve Villepin en Chirac zelf, alle voormalige handlangers van Chirac naast hem op het podium, van ex-kroonprins Alain Juppé tot minister van Defensie Michèle Alliot-Marie, die er tot in december nog van droomde in plaats van Sarkozy presidentskandidaat te worden.

Zijn laatste grote rede voor de verkiezingen wijdde Sarkozy aan de terugkeer van de moraal in de politiek. Wie goed luisterde, kon menen dat hij op Chirac doelde, toen hij uitvoer tegen het cynisme, het niet nakomen van beloftes, het niet luisteren, het nepotisme. Als Chirac op 16 mei weggaat uit het Élysée, na 35 jaar in de paleizen van de Republiek gewoond te hebben, kan hij (na drie maanden wettelijk respijt) nog ter verantwoording worden geroepen voor zijn mogelijke betrokkenheid bij illegale praktijken op het stadhuis van Parijs begin jaren negentig.

Sarkozy gaf vorige week zondag de schuld van de neergang van de laatste jaren liever aan de tijdgeest dan aan zijn voorganger. Aan de erfenis van mei 1968, het individualisme van de libertaire generatie van net ná de 74-jarige Chirac. De vijand waar hij als 13-jarige al tegen wilde vechten. Sarkozy is geen ideologische avonturier zoals Chirac lang is geweest. Maar net als Chirac is hij wel een klassieke Franse politieke patron die er alles voor over heeft om de macht te krijgen. Morgen is het zover, vermoedelijk. „Eindelijk”, zei Sarkozy vorige week.