Droog & zonnig

Karel Knip

Hoe lang heeft de mooiweerperiode van de afgelopen tijd eigenlijk geduurd? Wie het vraagt aan een voorbijganger, krijgt te horen dat het een week of drie was. ‘Misschien een maand’. Feit is dat het sinds 21 maart niet of nauwelijks geregend heeft, zoals moeiteloos is na te gaan op de site van het KNMI (www. knmi.nl). Onder het hoofdje ‘Klimaat’ en het lemma ‘Klimatologie/Verleden weer’ valt door te klikken naar ‘Gegevens in tabelvorm per station’ waarin het dagelijks weer vanaf 1901 ligt opgeslagen. Een Fundgrube voor historici! Wat voor weer was het toen Troelstra op zaterdag 2 november 1918 per manifest opriep tot de revolutie? Een typische grauwe novemberdag met wat regen (5,7 mm) en wind uit het zuidoosten. Toen het volk ruim twee weken later het Malieveld op stroomde om eeuwige trouw aan het Oranjehuis te zweren was het trouwens een stuk grauwer en kouder. De wind zat die maandag 18 november in het westnoordwesten en ’s nachts vroor het. Maar er viel minder regen: 3,4 mm.

Sinds 21 maart heeft het niet meer geregend, afgezien van iets onduidelijks op 3 en 7 april. Maar is het al die tijd mooi weer geweest? Dat hangt natuurlijk af van de definitie van ‘mooi weer’. Die is er gelukkig. ‘Mooi’ is een dag volgens het KNMI als aan drie eisen tegelijk wordt voldaan: hooguit 0,2 mm neerslag, minstens 50 procent zonneschijn en een gemiddelde temperatuur die ruim boven het langjarig gemiddelde voor die dag ligt. Dat laatste is wat vaag en je vraagt je af of de temperatuur überhaupt een rol moet spelen. ‘Mooi’ is toch vooral droog en zonnig, zoals ook blijkt uit de meteorologische aanduiding voor het begrip: Above Normal Dry and Sunny (ADS).

De laatste periode van onafgebroken mooi weer begon pas op 25 april. De dagen ervoor was het heel somber geweest. Op 20 april was het bovendien niet warmer dan normaal en op 17 april was het opnieuw te somber. Gisteren hadden we pas 10 dagen onafgebroken mooi weer volgens ADS-definitie achter de rug.

De secure definitie speelt een rol in een kleine kwestie die de AW-redactie al jaren bezig houdt. Kun je het komende weer ook uit het bestaande weer voorspellen? Dus helemaal zonder kennis van wind, wolken, weerkaarten en wat nog meer. Als het nu flink regent is de kans groot dat het over een uur nog steeds flink regent. Als het nu stormt stormt het straks ook nog wel. Dat is het idee. De idee, misschien wel.

Het gevoel zegt: als het één dag ‘mooi’ is geweest is er niet bijzonder veel extra kans dat het de dag erna ook mooi weer is. Bij twee mooie dagen misschien ook nog niet. Maar na een week of zo gaat dat toch veranderen dan kon het wel eens hardnekkig mooi weer zijn. Anderzijds: als het al drie weken ‘mooi’ weer is moet het zo zoetjesaan wel eens omslaan, anders is men zomaar getuige van een krankzinnige abnormaliteit. Er is ergens een optimum van waaruit men met tamelijk grote zekerheid ook voor een volgende dag ‘mooi weer’ kan voorspellen. Waar ligt dat optimum? Dat is de vraag. En hoe groot is de zekerheid?

De kwestie werd elektronisch voorgelegd aan KNMI-onderzoeker Geert Jan van Oldenborgh die liet weten de vraag waarschijnlijk vrij gemakkelijk te kunnen oplossen maar daar toch wel een uur of twee voor nodig te hebben. “Hopelijk kan ik die vanavond vinden”.

Maar al de volgende ochtend kwam het goede nieuws: het had maar een uur geduurd. Anders dan van AW-wege was verondersteld hebben mooiweerperioden geen voorkeurlengte. De kortste, dus die van één dag, komen het vaakst voor. Die van twee dagen wat minder en van drie weer minder. Enzovoort, in een monotoon dalende rij. Van Oldenborgh zette alle periodes binnen het zomerseizoen (mei-augustus) sinds 1901 in een overzichtelijk histogram uit. Overigens had hij de definitie aangepast: hij vond het al mooi zat als het minder regende dan 2 mm, maar stelde anderzijds de eis dat de maximum-temperatuur (niet de gemiddelde temperatuur) boven de 25 graden kwam. De eis aan de fractie zonneschijn bleef gehandhaafd. Belangrijk is dat Van Oldenborgh een dag al mooi noemde als aan één van de drie voorwaarden werd voldaan, en niet aan alle drie tegelijk zoals gangbaar is. Dat laatste zou te weinig waarnemingen opleveren.

De eenduidige vraag die de computer kreeg voorgelegd was: hoe groot is de kans dat er na x dagen ‘mooi weer’ weer een dag mooi weer komt. En dat volgens drie definities.

Op voorhand viel niet uit te maken of er iets zinnigs uit zou komen, dus het resultaat was zelfs voor de geharde klimatoloog ‘onverwacht’. De kans op nòg een droge dag na een aaneengesloten periode van droge dagen is het grootst na twee weken en neemt dan af. Dus: als het in de zomer twee weken niet geregend heeft is de kans heel groot dat het nog wel een dag niet zal regenen. De thuis-meteoroloog hoeft niet anders te doen dan de dagen te turven om op dag 14 met een tamelijk betrouwbare verwachting voor de volgende dag te komen.

Voor de maximum-temperauur geldt zo te zien ruwweg hetzelfde. De grafiek wordt boven de 12 dagen wat onrustig omdat hij op steeds minder gegevens berust. Belangrijk is dat de kans op een goede voorspelling nooit zo groot wordt als bij droogte. Voor de zonneschijn ligt het nog ongunstiger. De duiding komt misschien nog, voor de AW-redactie was dit al voldoende.