De weg is nu vrij voor de ledenloze partij

Morgen is het vijf jaar geleden dat Pim Fortuyn werd vermoord. De partij die hij oprichtte is ter ziele en over zijn befaamde gedachtegoed wordt weinig meer vernomen. Toch, constateert J.A.A. van Doorn, is zijn invloed op de Nederlandse politiek groot en groeiend. Hij schiep een nieuwe stijl en strategie en toonde overtuigend aan dat met personalisme en populisme formidabele electorale successen zijn te behalen. Eduard Bomhoff merkt op dat de kritiek van Fortuyn op regenten en het politieke bestel geen blijvend effect heeft gehad, en dat zijn pleidooi voor strengere normen is vertekend door de begripsverwarring tussen normen en waarden.

J.A.A. van Doorn

Oud-hoogleraar sociologie aan de Erasmus Universiteit. Binnenkort verschijnt van zijn hand ‘Duits socialisme: Het falen van de sociaal-democratie en de triomf van het nationaal-socialisme’.

Over de persoon Pim Fortuyn heb ik weinig goeds te melden. Wie onbevooroordeeld van zijn levensloop kennis neemt, krijgt last van plaatsvervangende schaamte. De man was een fantast en een leugenaar, een intrigant en een querulant: ‘Waar Pim komt, komt ruzie.’ Hoewel hij over zijn prestaties altijd hoog opgaf, mislukte hij in de meeste functies die hij vervulde. Wegens wanprestatie uit een bijzonder hoogleraarschap verwijderd, bleef hij zich – ook formeel ten onrechte – als ‘professor’ afficheren.

Fortuyn was egocentrisch tot in het absurde. Wat buiten hemzelf bestond, was er uitsluitend om zijn belangen te dienen en zijn dromen waar te maken. Zijn woning hing vol met portretten van hemzelf en zelfs zijn familienaam, Fortuin, moest voor het fraaiere Fortuyn plaatsmaken. Zijn befaamde parool At your service! drukte het tegengestelde uit van wat hem levenslang bezighield: anderen proberen te gebruiken.

Zijn ambitieniveau geeft de indruk dat hij af en toe het contact met de werkelijkheid kwijt was. Reeds als student vertelde hij ronduit te streven naar het premierschap. Een kwart eeuw later was het voor hem zekerheid geworden, zoals hij niet moe werd te verkondigen. De pretentie was daarom vooral zo komisch omdat Fortuyn eigenlijk volstrekt ongeschikt was voor de politiek. Niet alleen werd hij in de loop van zijn leven van orthodox marxist tot hoerapatriot, maar wat ernstiger was: bij gebrek aan enig bindend vermogen bleef hij altijd een volkomen geïsoleerde figuur. Hij werd weliswaar een Bekende Nederlander, maar hij had nauwelijks politieke vrienden en hij beschikte niet over een netwerk waaruit een partij of politieke organisatie viel op te bouwen.

Dat wreekte zich toen hij in de eerste maanden van 2002 genoodzaakt werd overhaast een politieke partij in elkaar te timmeren. De LPF – Lijst Pim Fortuyn – zoals de typerende naam luidde, werd dan ook bevolkt door een collectie brekebenen en scharrelaars die in een roman van Bordewijk niet hadden misstaan: een docent die zijn leerlingen seksueel had geïntimideerd; een medisch specialist die eerder was veroordeeld tot een boete van een kwart miljoen gulden en een half jaar voorwaardelijk wegens overtreding van de Wet tarieven gezondheidszorg; een andere medicus die door zijn universiteitsbestuur uit een leidinggevende functie was ontslagen wegens mismanagement en gerommel met hoogleraarsbenoemingen; een europarlementariër, in verband met de particuliere exploitatie van zijn zetel door het CDA uit de partij gezet. Et cetera.

Niettemin deed de LPF het bij de verkiezingen in mei 2002 uitstekend en kwam zij uit het niets met 26 afgevaardigde in de Kamer. Daarna ging echter alles mis wat mis kon gaan, deels ongetwijfeld door het wegvallen van Fortuyn, maar zeker ook door de dubieuze samenstelling van het gezelschap. Terwijl de Kamerleden elkaar continu belaagden, raakte de partij in de problemen, onder meer door in korte tijd een financiële puinhoop aan te richten, bestreden door vastgoedjongens die elkaar het licht in de ogen niet gunden. Toen twee van de LPF-ministers elkaar openlijk naar het leven begonnen te staan, was de maat vol. Na 87 dagen viel het doek. Bij de nieuwe verkiezingen, in januari 2003 ging de LPF terug van 26 naar zes zetels. Dientengevolge bleef de partij buiten het kabinet-Balkenende II.

In minder dan één jaar was de rebellie ontstaan en bedwongen. Opgelucht namen de ‘oude’ partijen de draad van het verleden weer op, zij het met enige aanpassing op punten waarmee de LPF had gescoord. Business as usual leek de einduitkomst, waarmee meteen de vraag lijkt te zijn beantwoord die menigeen zich deze week stelt: wat is eigenlijk de blijvende invloed geweest van het fenomeen Fortuyn?

Deze voorstelling van zaken is misleidend omdat ze redeneert vanuit de bestaande politieke orde. Om werkelijk zicht te krijgen op wat zich in dat roerige jaar 2002 afspeelde, dienen we niet de zwakte van Fortuyn als politicus tot uitgangspunt te nemen, maar zijn kracht. De LPF was volgens alle criteria inderdaad een rommeltje, maar dat was van ondergeschikt belang omdat niet de partij en evenmin de Kamerleden voor het politieke succes van belang zijn geweest, maar uitsluitend de naamgever: Pim Fortuyn. Zijn zeer matige capaciteiten als conventioneel partijleider werden immers méér dan gecompenseerd door het nieuwe type politicus dat hij op de planken zette.

Fortuyn bewees dit zelfs tot tweemaal toe binnen een tijdsverloop van een half jaar. In november 2001 werd hij door het protestpartijtje Leefbaar Nederland (LN) tot eerste man gekozen en binnen enkele maanden stuurde hij LN in de peilingen naar tien en zelfs twintig zetels. Aan de kant gezet, begon Fortuyn voor eigen rekening en herhaalde de stunt, deze keer vertaald in 26 Kamerzetels.

Fortuyn was er heel wel van doordrongen dat zijn persoonlijke aantrekkingskracht doorslaggevend was, maar hij was voldoende politicus om te beseffen dat zijn partij een zwak punt zou gaan vormen. De kandidatenlijst van Leefbaar Nederland had hij al een keer „nogal dun” genoemd – niet vriendelijk voor een nieuwkomer, maar wel goed gezien. Wat de LPF betrof schijnt hij met de gedachte te hebben gespeeld na de verkiezingen een ‘zuivering’ door te voeren en een aantal onbruikbare partijleden ‘eruit te schoppen’ – een onmogelijke operatie maar geen onlogische gedachte.

Toch zou er ook bij die schoonmaak een zwakke stee zijn overgebleven: de LPF als partij, met een ruziënd bestuur en bemoeizieke leden, ertoe neigend zich met de besluitvorming in de fractie te bemoeien. LPF-leider Mat Herben, de opvolger van Fortuyn, zei het al in augustus 2002 met zoveel woorden: de LPF zou beter af zijn zonder leden. „Een klassieke partij met leden” leidde naar zijn mening tot een verkalkte structuur waarin „partijbaronnen” de lakens gaan uitdelen.

Of van deze wijze woorden invloed is uitgegaan op andere politieke formaties, valt niet vast te stellen. Niettemin is het opvallend dat sindsdien twee nieuwe partijen besloten hebben dezelfde gedachtengang te volgen en in een nieuw partijmodel om te zetten. Zo maakten vorig jaar augustus Pastors en Eerdmans – respectievelijk afkomstig uit de kring van de Leefbaren en de LPF – bekend dat hun pas opgerichte partij Eén NL geen leden zou accepteren. Donateurs en vrijwilligers waren welkom, kiezers zo mogelijk nog meer, maar alleen de twee leiders zouden als partijleden fungeren. Anderen werden even bruusk als eerlijk afgewezen: „een blok aan het been”.

Eén NL haalde de kiesdrempel niet en is sindsdien uit het zicht verdwenen. Zeer zichtbaar is daarentegen de Partij voor de Vrijheid (PVV) van Geert Wilders, waar hetzelfde regime geldt. Vorige maand werd bekend dat Wilders het enige partijlid is en dat andere gegadigden niet welkom zijn.

Hier wordt op bescheiden wijze parlementaire geschiedenis geschreven. Voor het eerst zit er een partij in de Kamer die geen leden heeft, op de aanvoerde na. Heeft deze bij zijn fractiegenoten de wind eronder – en dat is Wilders wel toevertrouwd – dan kan niemand zijn positie bedreigen of zelfs maar kritiseren.

Wat we hier ontwaren, is de uiterste consequentie van een persoonsgebonden opvatting van politiek. Wat met Fortuyn begon is door Wilders voltooid: niet de partij is van belang, maar de partijleider, wiens charisma, brutaliteit of naamsbekendheid garant staat voor het succes van de formatie die hij representeert.

Het gaat hier in alle drie de gevallen om nieuwe partijen. Bij vanouds bestaande ledenpartijen is deze formule moeilijk te verkopen. Toch zien we in de afgelopen jaren bij de VVD enigszins verwante tendenties. Zowel Ayaan Hirsi Ali als Rita Verdonk – niet toevallig nieuwkomers – hebben weten te bewerkstelligen dat hun persoonlijk gekozen koers stevig was afgeschermd, zowel ten aanzien van de partijleden als van de fractie. De eerste vond voor haar eigenmachtig optreden de nodige protecie van fractieleider Van Aartsen, de tweede deed het op eigen kracht.

Overzien we de afgelopen vijf jaar, dan zou – in bescheiden mate maar onmiskenbaar – gesproken kunnen worden van een geleidelijk toenemend politiek personalisme. Dat heeft grote consequenties. Het is namelijk deze nieuwe stijl en strategie die noodzakelijkerwijs een tweede majeure tendentie uitlokt of zelfs onvermijdelijk maakt: de neiging bij politici de populistische trom te roeren. Indien immers de partij – als ledencollectief en programmatisch gestuurde organisatie – wegvalt, verdwijnt daarmee het belangrijkste intermediaire instituut uit het politieke spel. De politicus kan niet anders dan zich in persoon rechtstreeks tot de kiezers wenden, zoals hij omgekeerd zijn autonomie zal rechtvaardigen door te verwijzen naar de op hem of haar uitgebrachte voorkeursstemmen.

Heel ostentatief, uitdagend zelfs, gebeurde dat door Pim Fortuyn, die zich ongegeneerd tot „het volk van Nederland” richtte met de belofte „de politiek aan de mensen terug te geven”. Ook Wilders tapt uit dit vaatje, terwijl Hirsi Ali en Verdonk bij elk kritisch geluid op hun persoonlijk gekleurd beleid hun aantal voorkeursstemmen uit de kast haalden. Verdonk meende op grond van die stemmen zelfs het recht te hebben zich als fractieleider van de VVD op te werpen: de gunst van de kiezers, niet de voorkeur van de leden achtte zij van doorslaggevend belang.

Populistisch heet deze politieke houding in zoverre de standpunten van een politicus zo dicht aansluiten bij wat er in de kiezersmassa leeft, aan integere maar ook aan bedenkelijke opvattingen. Daarmee ontstaat echter het risico dat het politieke discours in parlement en publiciteit wordt teruggedrukt naar het niveau van borrelpraat en kroeggezwets. Wilders en zijn maten hebben het zelfs tot sport gemaakt dergelijke geluiden vrijwel letterlijk als Kamervragen op te voeren, ongefilterd door kennis van zaken of door eenvoudige bedachtzaamheid.

Het zou allemaal niet zo dramatisch zijn indien er niet drie maatschappelijke ontwikkelingen waren te signaleren die deze wijze van politiek bedrijven tot een ernstig risico maken.

In de eerste plaats is het electoraat, meer dan ooit tevoren, vrijwel vloeibaar geworden. Dat Fortuyn, zonder een solide partij en zonder een doortimmerd program, in verbazend korte tijd 1,6 miljoen kiezers achter zich wist te verenigen, moet als een ernstige waarschuwing worden begrepen. Dat hij later zelfs als „de grootste Nederlander aller tijden” werd gekozen, onderstreept nog eens dat gezond verstand een schaars goed begint te worden.

In de tweede plaats is het politieke klimaat nerveuzer dan het lange tijd is geweest. Veel mensen zijn geïrriteerd geraakt over de massa vreemdelingen in ons midden, zeker als het moslims betreft, en zijn daarom uiterst gevoelig voor de niet aflatende stroom van grove kwalificaties die over deze bevolkingscategorie wordt uitgestort. Terwijl serieuze politieke partijen moeizaam naar verantwoorde oplossingen zoeken, vieren populisten feest: als handelaars in angst kunnen ze volstaan het bestaande massasentiment te bespelen.

Een derde politieke ontwikkeling is misschien wel de gevaarlijkste: de sluipende malaise in meerdere belangrijke oudere partijen, bevangen in een identiteitscrisis en onvast geworden door de afbrokkeling van het toch al zeer bescheiden ledenbestand. Het gevolg is dat ook deze partijen, vrijwillig of noodgedwongen, gevoelig worden voor de verleiding van personalistische en populistische tactieken. Hier en daar zien we het uitdrukkelijk profileren van krachtig leiderschap, zonder zich veel aan te trekken van de verantwoordingsplicht ten aanzien van de leden, terwijl niet zelden gevoelens in het electoraat worden bespeeld die men voorheen negeerde.

Kort en goed: het valt te vrezen dat ons parlementaire systeem zoals we dat lange tijd hebben gekend, toenemend onder druk zal komen te staan. Ook als de nieuwe partijen het uiteindelijk niet zouden redden, is het kwaad al geschied: veel oude partijen zullen inmiddels hun stijl en strategie hebben overgenomen.