De Parvitt

Sleepboot de Parvitt meert schepen met Amerikaanse precisie aan. Op het Panamakanaal.

De Amerikaan komt het kantoortje binnen met de tred van een cowboy die een saloon betreedt. Ephraim, mijn jonge gastheer, staat gebogen over een computerscherm. „Je moet uitzoomen”, zegt de Amerikaan. Ephraim tikt een paar toetsen in en daar verschijnt het gehele kanaal van Panama in al zijn glorie. Vanaf de Caraïbische zee tot aan de Pacific. De vaargeul verliest zichzelf op een aantal plaatsen in grillig gevormde meertjes. De drie sluizencomplexen, die het scheepsverkeer mogelijk maken, zijn duidelijk aangegeven.

„Die man is een van de laatste Zonians”, zegt Ephraim, als we naar sleepboot de ‘Parvitt’ lopen, die voor de deur ligt afgemeerd. Een Zonian legt hij uit, is een Amerikaan die opgegroeid is in de Zone. In 1999 werden het kanaal en het gebied ernaast – de zone – door de VS overgedragen aan Panama en sindsdien worden alleen Panamezen in dienst genomen.

In de kajuit van het scheepje maak ik kennis met de twee matrozen. Heren van middelbare leeftijd met flinke buikjes, ze zouden een tweeling kunnen zijn. Ephraim, machinist, heeft zijn eigen domein waar hij op een computerscherm de bewegingen van alle schepen kan volgen: de Parvitt is een klein rood cirkeltje.

We stomen op, het geraas van de motoren doet het scheepje trillen. Ik ga aan dek en zie de tweeling de trossen losgooien. We varen tussen oevers die bedekt zijn met jungle. Ephraim wenkt, hij zal me de machinekamer laten zien. Ik volg hem naar een verzengend hete hel, waar oorverdovend lawaai denken onmogelijk maakt. Ephraim schreeuwt technische details die ik niet kan horen. Op een briefje schrijft hij het getal 400.000. Het gaat om paardenkracht. Ik weet genoeg, en vlucht weg, zo ver als ik kan, tot ik in de stuurhut ben.

Daar staat de kapitein, een Panamees met Chinese trekken, rustig achter zijn roer. „We hebben zojuist instructies gekregen”, deelt hij mee. „We gaan de Northbound 20 door de sluis helpen en dan aan de kant leggen. Alle schepen hebben een richtingsaanduiding en een nummer.” De N20 blijkt een roestkleurig schip dat de ‘Nordic Star’ heet, maar merkwaardigerwijs in Kingstown staat geregistreerd. Aan boord bespeur ik geen Jamaicanen, eerder mannen die op Filipijnen lijken. De Nordic Star wordt met kabels verbonden aan zilveren locomotieven die aan weerszijden van het kanaal over rails rijden. Zij trekken haar de sluis binnen, of ze wil of niet, als een paard dat beslagen gaat worden. De Parvitt stoomt er achteraan, om toe te schieten als ze onverwachts los zou breken.

Ik vraag de kapitein naar verhalen over botsingen, gezonken schepen, ontploffingen of dronken bemanningsleden. Verschrikt heft hij een hand. Niets heeft hij te vertellen. „Gracias a Dios”, verzucht hij.

Als ook wij de sluis zijn binnengetuft, voegen zich twee superdure motorjachten bij ons. Uit Texas, staat op hun achterplecht te lezen. Aan boord bevinden zich veel heren in kaki shorts en met sjieke zonnebrillen. Ze beschikken over alle apparatuur om op diepzeevis te jagen. De tweeling ziet er zorgvuldig op toe dat er stootkussens op de juiste plaatsen komen. Duizenden dollars hebben de eigenaars van de jachten betaald voor deze doorvaart, de bemanning van de Parvitt moet voor tevreden klanten zorgen.

We schieten langs de kadewand omhoog, zo snel stijgt het water. Weer buiten de sluis geeft de Parvitt liefdevol een paar duwtjes aan de Nordic Star, zodat die precies langs een houten steiger komt te liggen. „Daar moet ze wachten, want de eerste schepen southbound komen eraan”, verduidelijkt de kapitein. Die betalen waarschijnlijk meer, want ze hebben voorrang. Twee grote cruiseschepen wurmen zich door het kanaal. Vanaf honderden balkons kijken passagiers op ons neer. Een paar van hen zwaaien. Ik zwaai terug. Dan beginnen ontelbaar veel handen te wuiven, het houdt niet op. Als die sensatie is weggeëbd, daalt er rust over de Parvitt. „We wachten op een southbound schip met Bravo lading”, hoor ik van de kapitein. „Benzine, of gas”, verduidelijkt hij. „Iets gevaarlijks in ieder geval.” „Misschien wel nucleaire bommen”, suggereer ik. „Nee, nee”, wijst de kapitein me terecht. „Zoiets gaat onder de naam Tango.”

Buiten is het niet meer uit te houden. Het metalen dek smelt de zolen van mijn schoenen, de zon kerft in mijn ogen. Het is onvoorstelbaar hoeveel de mensen geleden hebben die dit kanaal hebben gegraven. Een eeuw geleden. Geheel met de hand. Ik voel me een lafaard als ik opnieuw de airconditioned stuurhut opzoek.

We begeleiden de S 11, alias de ‘Gaz Meridian’ terug door de sluis en dan zit de werkdag erop. Aan de wal staat de volgende ploeg voor de Parvitt al te wachten.

Ephraim rijdt me door wat tot voor kort de Amerikaanse zone was. Zonians kregen identieke, praktische huizen toegewezen die elk een overkapte parkeerplaats hadden voor de auto en een tuin rondom. Tropisch Suburbia. „Nu wonen er Panamezen”, gebaart Eprhraim. Dat is te zien. De huizen hebben vrolijke kleuren gekregen, er zijn uitbouwsels gekomen, of zelfs hele verdiepingen opgezet. „Hier is de Latijnse fantasie opgerukt”, stel ik vast. Ephraim knikt, niet helemaal van harte, lijkt het. „Maar het kanaal zelf wordt geleid met Amerikaanse precisie”, voeg ik haastig toe. „Precies”, zegt Ephraim. „Wij hebben hier het beste van twee werelden.”