David helpt Goliath

Ze sturen zonnemelk naar Afrikaanse albino’s en bouwen scholen in dorpen. Doe-het-zelvers in de ontwikkelingshulp rukken op. Grote hulporganisaties staan onder druk. „Het lukt ons domweg niet om ons werk fatsoenlijk voor het voetlicht te brengen.”

De ene ontwikkelingsorganisatie zit in een kantoortuin. De andere werkt vanuit huis. Nummer een heeft vele miljoenen te verdelen. Bij nummer twee draait het om enkele duizenden euro’s. De ene betaalt zijn directeur een ton per jaar. De andere drijft volledig op vrijwilligers. En terwijl de eerste in rap tempo aan populariteit inboet, stijgt die van de tweede snel.

Nummer een, dat zijn gevestigde ontwikkelingsorganisaties als Cordaid, Hivos, ICCO of Oxfam Novib, ook wel omschreven als ‘de hulpindustrie’ of, nog minder vleiend, ‘de hulpmaffia’. Nummer twee, dat zijn de kleine particuliere initiatieven waarvoor geen scheldwoord bestaat. Of het moet de term ‘doe-het-zelvers’ zijn. Een titel die waarschijnlijk uit de koker van de professionals komt, maar waar geen enkele particuliere ontwikkelaar zich aan stoort.

Want niet de kleintjes, de doe-het-zelvers, maar de grote professionals hebben een probleem. Dat weet iedereen die op een verjaardagsfeestje over ontwikkelingshulp begint. De scepsis groeit.

Officieel is er niets aan de hand. Ook volgens het nieuwe regeerakkoord zal Nederland 0,8 procent van zijn bruto nationaal product besteden aan ontwikkelingshulp. Er worden zelfs ‘extra middelen’ voor vrijgemaakt. Op de post Ontwikkelingssamenwerking zit opnieuw een minister en geen staatssecretaris.

Maar intussen broeit het. Terwijl de overheid via de Nationale Commissie voor internationale samenwerking en Duurzame Ontwikkeling (NCDO) meer dan 30 miljoen euro per jaar uittrekt om ‘draagvlak’ voor ontwikkelingshulp te scheppen, wint het gevoel dat het allemaal niets uithaalt terrein. Dat alle hulp weggegooid geld is, dat we er beter mee kunnen stoppen. Die gedachte wordt gevoed door een batterij critici, onder wie Syp Wynia, Piet Emmer, Hans Labohm, Geert Wilders en Frits Bolkenstein. En er is niemand die hen weerspreekt. Tien jaar geleden was nog 63 procent van de Nederlanders ervan overtuigd dat ontwikkelingshulp helpt. Vandaag ligt dat percentage onder de vijftig procent.

Tegelijkertijd meent tachtig procent dat extreme armoede in het Zuiden onacceptabel is. Het gros van de Nederlanders vindt nog steeds dat het budget voor hulp gelijk moet blijven. Een derde meent zelfs dat het moet stijgen. Dat is de paradox van de ontwikkelingshulp: we vinden dat hulp moet, maar we menen dat het weinig oplevert. En de gevestigde ontwikkelingsorganisaties krijgen de schuld.

Sommige ingewijden, zoals PvdA-parlementariër Diederik Samsom, vrezen zelfs dat de hulp afstevent op een drama, vergelijkbaar met het multiculturele drama eind jaren negentig. Net als de hulp was het multiculturalisme een kroonjuweel van de verzorgingsstaat, schrijft Samsom in een column op de website Waterland. Beleidsmakers bezwoeren dat het multiculturele ideaal breed werd gedragen. „Maar wie op borrels en partijen de multiculturele samenleving ter sprake bracht, hoorde heel andere geluiden. Vandaag dreigt hetzelfde voor ontwikkelingssamenwerking. De gelijkenis met de nadagen van het multiculturalisme is treffend. Het mag niet worden gezegd, want wie tegen de hulp is, heeft geen hart. Maar uiteindelijk breekt de logica van de keukentafel door het taboe heen. En wanneer dat gebeurt, is er geen houden meer aan.”

Toch ziet Samsom een lichtpuntje. Op datzelfde feestje zijn de particuliere helpers, net terug uit Ghana, Malawi of Burkina Faso, de helden van de avond. Ze vertellen aangrijpende verhalen over concrete acties waarmee concrete mensen worden geholpen. „Geen woord over de weggegooide hulpgelden, geen kritische vragen over de effectiviteit van de hulp, maar bewondering over al die inzet. Veelal levert zo’n feestje nog een spontane collecte op, waardoor er weer wat extra geld beschikbaar komt voor een mooi project.” Het zijn deze doe-het-zelvers die de ontwikkelingshulp een menselijk gezicht geven, die het ‘draagvlak’ versterken. Niet de professionals, de grote ontwikkelaars die de brug naar de gewone bevolking niet meer weten te slaan.

René Grotenhuis is directeur van zo’n grote ontwikkelaar: het katholieke Cordaid. Grotenhuis heeft 280 mensen in vaste dienst en een budget van 175 miljoen euro per jaar. Van dat bedrag komt ongeveer 45 miljoen van een half miljoen particuliere donateurs. De rest krijgt Cordaid van de Nederlandse overheid, de Europese Unie en de Verenigde Naties.

Grotenhuis zegt het toe te juichen dat doe-het-zelvers zich voor het Zuiden inzetten. Uiteindelijk hebben alle ontwikkelingsorganisaties hetzelfde doel. Wat maakt het uit wie de waterputten slaat, als ze er maar komen. Hij noemt de kleintjes geen concurrenten. Het zijn collega’s. En meer dan dat. Cordaid steunt de kleintjes. Doe-het-zelvers kunnen bij Cordaid met projecten aankloppen. Wanneer de projecten van goede kwaliteit zijn, dan komt de organisatie met geld over de brug. In 2006 kreeg Cordaid 900 aanvragen binnen. Daarvan werden er 520 goedgekeurd.

Hoewel steeds meer Nederlanders zeggen dat ze hun geld liever aan een kleinschalige organisatie overmaken, ziet Grotenhuis de inkomsten van Cordaid niet dalen. Vervelender is dat Cordaid door de opkomst van de kleinere organisatie legitimiteit verliest. Louter het bestaan van de particuliere clubjes voedt de gedachte dat de grote organisaties er niet veel van bakken. Dat hun medewerkers weinig meer doen dan het rondrijden in Landcruisers en het incasseren van riante vergoedingen. Grotenhuis zit ermee in zijn maag. „Het lukt ons domweg niet om ons werk fatsoenlijk voor het voetlicht te brengen. Te vertellen dat we van aanpak zijn veranderd. En waarom dat noodzakelijk is. In Nederland heerst nog steeds de simplistische gedachte dat ontwikkelingssamenwerking zich vooral op bricks and mortar richt. Dat het louter om de hardware draait.”

Niemand weet wat Cordaid, ICCO of Hivos precies doen. In elk geval trekken zij allang niet meer naar het platteland of de shanty towns. Ze bouwen nog amper scholen, richten vrijwel geen ziekenhuizen meer in en slaan geen waterputten meer. Moderne ontwikkelingsorganisaties zijn opgeschoven in de keten. Zij werken op een abstracter niveau, al gaat het uiteindelijk nog steeds om die scholen en waterpompen. Maar grote organisaties menen dat het effectiever is wanneer ze arme landen leren om zelf watervoorzieningen aan te leggen. Wanneer ze overheden de kans geven zelf hun onderwijs in te richten en zelf fatsoenlijke gezondheidszorg te leveren. De ontwikkelingswerker oude stijl, compleet met baard, bahco en sandalen, is allang verleden tijd. Hij heeft plaatsgemaakt voor de consultant die overheden en lokale ontwikkelingsorganisaties begeleidt en adviseert.

Daarom besteedt Cordaid in Afrika het handwerk uit aan Afrikaanse ontwikkelingsorganisaties. Niet alleen kunnen zij dat net zo goed als Nederlandse, ze zijn een stuk goedkoper. Grotenhuis: „Maar omdat de doe-het-zelvers zich wel op dit soort concrete zaken richten, krijgt het publiek de indruk dat niet wij, maar zij de werkelijke ontwikkelingswerkers zijn. Ook in de politiek groeit het idee dat de grote organisaties weinig uitvoeren. Steeds vaker hoor je politici twijfelen aan het belang van ontwikkelingshulp. Ze hebben geen idee wat we doen en wat we bereiken.”

Kan Grotenhuis een voorbeeld geven van wat Cordaid doet? „We richten ons op structuurverandering, op capaciteitsversterking van organisaties”, zegt de directeur. „In Oeganda, bijvoorbeeld, organiseren de bisdommen een belangrijk deel van de gezondheidszorg. Op het platteland ontbreekt het echter aan voldoende gezondheidspersoneel, waardoor veel klinieken en ziekenhuizen niet goed presteren. Met die bisdommen ontwikkelen we nu een beter personeelsbeleid, inclusief betere arbeidsvoorwaarden en opleidingen. Verderop, in Zuid-Afrika vangt de Bisschoppenconferentie veertig procent van alle aidspatiënten op. Zij traint artsen, ondersteunt aidswezen en verstrekt aidsremmers. Wij financieren een deel van hun kantoor, een deel van het onderwijsmateriaal en een deel van hun salariskosten.”

En wat bereikt Cordaid daarmee? „Dat tachtig procent van al deze projecten ook slaagt”, zegt Grotenhuis. „Alles waar we bij betrokken zijn, wordt uitgebreid geëvalueerd. Acht van de tien keer bereiken we wat we willen bereiken.”

Erg meeslepend klinkt het allemaal niet, geeft hij toe. „We hadden ook zelf artsen en verplegers naar Oeganda kunnen sturen of in Zuid-Afrika hospices voor terminale aidspatiënten kunnen bouwen. Dat is veel zichtbaarder en directer. Maar we steunen de bisschoppen, omdat de impact van hun werk veel groter is. Tegelijkertijd vinden we het uitstekend dat kleine organisaties wel klinieken en hospices bouwen. Grote en kleine clubs zijn complementair. Omdat wij op middenniveau werken en zij op microniveau, verliezen wij de aandacht van het grote publiek.”

Dat is de kern van het probleem. De grote ontwikkelaars zijn voor het grote publiek onzichtbaar geworden. En terwijl niemand nog begrijpt wat ze eigenlijk doen, weet wel iedereen dat de consultant, de ontwikkelingswerker nieuwe stijl, jaarlijks twee ton kost. Dat hij nog maar zelden in de dorpen of sloppenwijken komt. En dat Afrika nog net zo arm is als vijftig jaar geleden.

Daarom zetten steeds meer mensen hun kaarten op de doe-het-zelvers. Zij doen vandaag wat eerder de Novib en Cordaid deden: het helpen van mensen in nood. Concreet, kleinschalig en goedkoop. Terwijl de groten lijden onder het gebrek aan zichtbaarheid, gaan de amateurs aan de haal met de sympathie en de legitimiteit. Dat steekt. Al was het maar omdat niemand zich ooit afvraagt of het wantrouwen tegenover de grote clubs wel terecht is. „Onbewust verwacht men van onze organisaties dat we immense problemen als aids of armoede op kunnen lossen. Maar we zijn niet meer dan een druppel in een oceaan van problemen”, zegt Grotenhuis. „Bovendien stellen maar weinigen zich de vraag of de doe-het-zelvers het beter doen dan de groten.”

Zo start het verhaal van de kleintjes: ze zijn op reis. In Nicaragua, in Ghana of in Malawi. Ze zien met eigen ogen hoe onvoorstelbaar arm mensen kunnen zijn. In de townships horen ze verhalen over dode kinderen. In het dorp staan lange rijen voor het enige waterpunt. Ze spreken met een jongen op de markt. Hij wil graag studeren, hij popelt van enthousiasme. Hij heeft alleen geen geld. Ze besluiten dat de situatie onacceptabel is. Dat er wat moet gebeuren. In het vliegtuig terug krijgt het goede gevoel handen en voeten. De aanleg van extra waterpunten moet toch mogelijk zijn? Met een paar honderd euro is dat studiegeld toch betaald? Vervolgens vind je hen terug op internet. El Inicio bijvoorbeeld, uit Loon op Zand. Dat is een stichting die in Nicaragua de opleiding betaalt voor kansarme jongeren. Of Loop naar de Pomp in Haarlem. Een stichting die watervoorzieningen aanlegt in Ghanese dorpen.

En Stichting Afrikaanse Albino’s uit Leiden. Die stuurt honderden liters zonnemelk naar Afrika. Want zonnemelk blijkt een zegen voor de pigmentloze huid van witte Afrikanen. Dat merkte de studente geneeskunde Nienke Sonneveld toen zij in 2002 stage liep in een Malawiaans ziekenhuis. Verpleegster Joyce Mussa was albino. En het leven van een Afrikaanse albino’s als Mussa, zo leerde Sonneveld, is ronduit beroerd. Hun huid verbrandt in de felle zon. Op hun handen en gezicht zitten blaren, hun oogleden en lippen zijn constant ontstoken. De meesten sterven op jonge leeftijd aan huidkanker. Sonneveld gaf Joyce Mussa een fles zonnemelk. Het spul werkte uitstekend. Na enkele dagen verdwenen de ontstekingen. Voor het eerst in haar leven kon Joyce Mussa gewoon over straat.

In 2004 richtte Sonneveld de Stichting Afrikaanse Albino’s op. Tegenwoordig voorziet de stichting 560 albino’s in Malawi, Mali, Senegal, Zambia en Burkina Faso van zonnemelk. Aan zonnemelk en sponsorgelden hebben ze geen gebrek. „Mensen sponsoren ons omdat ze weten dat niks aan de strijkstok blijft hangen en omdat onze praktische aanpak werkt”, zegt Sonneveld. „In het bestuur denken we nu na over waar we over tien jaar willen zijn. Iedereen is het erover eens dat we door moeten groeien, want hoe meer albino’s we kunnen helpen, hoe beter het is. Maar we beseffen ook dat we als grootschalige organisatie de charme verliezen die we nu nog hebben.”

El Inicio, Loop naar de Pomp en de Afrikaanse Albino’s zijn maar drie van de duizenden particuliere initiatieven in de ontwikkelingshulp. Halverwege de jaren negentig schatten onderzoekers het aantal kleinschalige ontwikkelingsorganisaties op enkele duizenden. Anno 2007 zijn het er, afhankelijk van de criteria, tussen de zes- en vijftienduizend. Ze doen hun werk omdat ze het leuk vinden om te doen. En omdat niemand anders het doet. Omdat niemand zich iets lijkt aan te trekken van straatjongens in Nicaragua. Omdat albino’s niet meetellen in Afrika. Omdat een pomp voor de bewoners van een Ghanees dorp domweg onbetaalbaar is. En omdat de gevestigde ontwikkelingsorganisaties in geen velden of wegen te bekennen zijn.

Maar doen ze het ook goed? Doen ze het beter dan de groten? Er is niemand die het weet. Van evalueren of meten, hebben de meeste doe-het-zelvers nog nooit gehoord. Maken de kansarme jongeren van El Inicio hun school ook af? Daalt het aantal dorpelingen met diarree waar Loop naar de Pomp een watervoorziening heeft aangelegd? En komt alle zonnemelk die in Nederland wordt ingezameld wel bij de albino’s terecht? „Jazeker”, zegt Nienke Sonneveld. „We zitten er constant bovenop. Onze controle is maximaal. We schepen onze zonnemelk zelf in, zij wordt lokaal door betrouwbare medewerkers opgehaald en uitgedeeld. Het kan bijna niet fout gaan.”

Dat zal ongetwijfeld zo zijn. Maar de donateur heeft niet meer in handen dan het vertrouwen dat hij Sonnevelds stichting schenkt. Onafhankelijke evaluaties naar de effectiviteit van particuliere initiatieven zijn er niet.

„We gaan er gemakshalve van uit dat de doe-het-zelvers het goed doen. Maar feitelijk hebben we geen flauw idee.” Dat zegt Lau Schulpen, onderzoeker aan het Centre for International Development Issues (CIDIN) in Nijmegen. „We weten niet hoe ze presteren, we weten niet wat hun daadwerkelijke effect is.”

Schulpen is een van de weinigen in Nederland die wetenschappelijke interesse in de kleintjes toont. En zelfs voor Schulpen is het een relatief nieuw terrein. Ook al menen veel doe-het-zelvers en hun supporters dat zij meer bereiken dan de groten, volgens Schulpen is daar geen enkel bewijs voor. „Het belangrijkste argument van de kleintjes is dat er bij hen veel minder geld aan de beruchte strijkstok blijft hangen. Maar het ontbreken van een strijkstok betekent nog lang niet dat het project ook effectief is.”

Maar wie beweert dat doe-het-zelvers per definitie niet effectief zijn, kan dat volgens Schulpen al evenmin hard maken. „De tegenstanders komen niet verder dan de stelling dat je van amateurs geen effectiviteit kunt verwachten. Maar onderzoek dat dit aantoont is er niet.”

Schulpen is bezig met onderzoek in Ghana en Malawi naar het functioneren van een aantal doe-het-zelf-projecten. Cordaid doet inmiddels hetzelfde. In India, Suriname, Kenia en Ghana onderzoekt ze de kwaliteit van de doe-het-zelvers die zij subsidieert. Gaandeweg Grote organisaties zullen subsidiegevers en burgers meer eisen gaan stellen aan de doe-het-zelvers, verwacht onderzoeker Schulpen. „Tot voor enkele jaren heerste louter euforie.”

Vooralsnog hebben alleen de groten een probleem. „Dat is niet terecht”, vindt Nienke Sonneveld van de Afrikaanse Albino’s. „Ik zie weleens doe-het-zelvers opereren die er op zijn zachtst gezegd een rommeltje van maken. Prutsers heb je overal. Er is weinig reden om aan te nemen dat de kleintjes niet dezelfde, zo niet vervelender fouten maken dan de groten.” Maar dat besef dringt bij het grote publiek nog maar amper door.

Van de auteurs verschijnt volgende week: ‘Hulp. Waarom ontwikkelingshulp moet, groeit en verandert’. Uitgeverij Inmerc. Wilt u reageren? Mail uw reactie naar zbrieven@nrc.nl of schrijf het Zaterdags Bijvoegsel, postbus 8987, 3009 TH Rotterdam