‘Dat ene barre jaar beheerst mijn leven’

In 1940 werd mijn vader lid van de NSB en dat was heel ingrijpend voor ons gezin. Mijn moeder was er fel op tegen. Ik hoor haar nog tegen mijn vader zeggen: ‘Man, daar kan niets goeds van komen’. Maar mijn vader dacht dat het nationaal-socialisme een verenigd Europa zou bewerkstelligen. Mijn tweelingbroer Jan en ik kregen het heel zwaar op school. De andere kinderen spuugden naar ons en gingen met ons op de vuist.

We kregen pas weer vrienden toen mijn vader ons naar een kostschool voor NSB-kinderen in Schaarsbergen stuurde. Ik was pas dertien jaar en had heimwee, maar toch was het daar niet onprettig. De leraren deden hun best er wat van te maken. Dat ik op een school van de bezetter zat, kwam niet in mijn hoofd op.

Al snel werden mijn broer en ik overgeplaatst naar de ‘Reichsschule’ in Valkenburg. Dat betekende dat we werden ingelijfd bij het Duitse leger, want de leerlingen uit de hoogste klas van die school gingen in militaire dienst. Maar dat wisten mijn ouders niet. Ze kregen alleen een briefje dat we waren overgeplaatst.

Die Reichsschulen stonden onder toezicht van Heinrich Himmler en ik kan me nog goed herinneren dat die man een bezoek bracht aan onze school. Hij was een steile man, er kon nauwelijks een glimlach af. Ter ere van hem was er een sportmiddag georganiseerd en bij het verspringen sprong ik een record. Daarna werd ik aan hem voorgesteld. Het klinkt vreemd, maar toen was ik daar trots op, dat een hoge piet als Himmler zich verwaardigde mijn hand te schudden.

Mijn broer en ik werden weer overgeplaatst, ditmaal naar een kostschool in Leipzig. Daar besliste in januari 1945 een luciferhoutje over mijn levenslot. In Duitsland heerste paniek, want de oorlog liep niet zo voorspoedig als verwacht. Daarom moest iedere jongeman vanaf zestien jaar meevechten voor de Führer. Er verschenen twee SS-officieren op onze school die ons wijsmaakten dat we waren uitverkoren om een bijdrage te leveren aan het grote Duitse rijk. Ze praatten lang op ons in. En toen zeiden ze: je kunt kiezen voor het heldendom en dienst nemen bij het Duitse leger of je laten afvoeren naar een werkkamp.

Jan en ik werden hierdoor compleet overvallen. We besloten uiteindelijk dat een van ons dienst zou nemen en een van ons naar het werkkamp zou gaan. Zo was de kans groter dat een het zou overleven. Jan nam een hele en een halve lucifer in zijn hand en liet me kiezen. Ik trok de langste lucifer: ik ging het Duitse leger in. Ik was zeventien jaar. Het kwam niet in mijn hoofd op dat ik tegen mijn eigen land ging vechten. Ik zat al sinds mijn dertiende op Duitse internaten en kwam ook in de zomer niet thuis. Ik had totaal geen zicht op wat er in Nederland gebeurde.

Voordat ik werd opgeleid tot frontsoldaat mocht ik terug naar Amsterdam om afscheid te nemen van mijn ouders. Mijn moeder probeerde mij over te halen onder te duiken. Maar ik durfde het niet. Deserteurs werden immers doodgeschoten. Het afscheid van mijn moeder was dramatisch. Mijn vader hield zich groot, maar ik zag dat hij nerveus was. Hij zei: beter een dode held dan een levende lafaard. Met die woorden liet hij zijn zeventienjarige zoon naar het slagveld gaan.

Mijn opleiding tot frontsoldaat had plaats in Hoogeveen, duurde drie weken en was een kleine hel. Nederlandse SS’ers maakten er de dienst uit en dat waren stuk voor stuk sadisten. Ze scholden ons uit voor Arschloch en lieten ons zowel overdag als ’s nachts door de modder kruipen. Ik was uitgeput en doorweekt. Maar het was nog niets vergeleken bij wat me te wachten stond.

In maart werd ik naar het front bij Ochten gestuurd. Toen we Ochten naderden, sloeg de angst me al om het hart. Dat aanhoudende geluid van mortierinslagen en mitrailleurvuur klonk zo dreigend. We waren allemaal zo jong en onervaren dat onze pelotonscommandant medelijden met ons had. Zelf was hij maar een jaar of vijf ouder dan wij.

Ik werd koerier. ’s Nachts moest ik meldingen wegbrengen en kwam ik vlak langs vijandelijke stellingen. Ik was een bange soldaat en ik stond doodsangsten uit. Ik moest ook deelnemen aan acties aan het front. Bij een aanval op een Canadese mitrailleurstelling viel een van mijn kameraden dood naast me neer. Een andere goede vriend sneuvelde kort nadat we samen een aanval hadden overleefd. We zaten in een stelling, het begon mortiergranaten te regenen en hij zei tegen me: ‘Nou zijn we er geweest, Piet, tabé.’ Het lawaai was oorverdovend. Toen de aanval voorbij was en de kruitdamp optrok, zag ik een hoop zand en stenen bewegen. Mijn vriend kroop eruit en riep ‘We leven nog, Piet!’. Maar een paar uur later voerden ze zijn lichaam op een handkar af. Hij was alsnog geraakt door een mortiergranaat. Ik mocht niet onder de deken kijken die over hem heen lag.

Slapen deden we in holen in de dijk. Daar hing een ondraaglijke stank van ongewassen mensen, want er was geen wasgelegenheid en we hadden geen schone kleren. We sliepen aangekleed met een karabijn in de hand. Er was geen verwarming en op een gegeven moment stopte ook de bevoorrading. Toen moesten we verlaten boerderijen afstruinen op zoek naar eten. Dan vonden we een voorraad aardappelen onder de vloer of troffen we boerenkool aan die nog op het land stond. Maar ik kan me niet herinneren dat ik honger had. Ik had het te druk met mijn leven te redden.

Eind april hoorden we geruchten dat de oorlog ten einde liep. Op een avond zagen we lichtkogels in de lucht. Toen wisten we het zeker: gelukkig, de oorlog is voorbij. We moesten onze wapens inleveren bij de Canadezen. Ik vond het moeilijk om afscheid te nemen van mijn karabijn. Ik was met dat ding vergroeid. We gingen lopend naar De Harskamp op de Veluwe, waar we geïnterneerd zouden worden. De Canadezen moesten ons beschermen tegen de mensen langs de kant van de weg die ons uitscholden voor landverraders. Voor hen was de oorlog voorbij. Voor mij nog niet.

In de Harskamp lagen we op stro op een stenen vloer. Maar veel erger was de honger, die overheerste alles. En ’s nachts, als ik droomde over chocoladetaarten en bonbons, schoten de bewakers op de barakken waar wij sliepen. Daarbij vielen doden: onze voormalige kok, die drie jaar veldtocht in Rusland had weten te overleven, kreeg een kogel in zijn hoofd. Ik bouwde met stenen een muurtje om mijn slaapplaats, zodat ik ’s nachts veilig was. Ik kreeg oedeem van de honger, zat onder de luizen en de schurft. Als ik er nu aan terugdenk, moet ik lachen. Zo erg waren we er aan toe.

In De Harskamp was ook een gevangenisje. Daar hebben ze me in gestopt toen ik me probeerde te drukken voor het bomencommando. Dat bomencommando hield in dat je moest slepen met boomstammen, maar ik was zo verzwakt, ik was bang dat het mijn dood zou worden. Daarom probeerde ik eronderuit te komen.

In de bunker zat ik eenzaam opgesloten en kreeg ik per dag één klein stukje nat brood. Maar ik moest wel mee op strafexercitie. Daar zag ik hoe een man die riep dat hij niet meer kon door zijn hoofd werd geschoten. Ik dacht: ik wil niet de volgende zijn. Toen heb ik gesimuleerd dat ik flauwviel. Ze schopten me wel, maar ik gaf geen krimp. De kampdokter heeft me gered: hij maakte me corveeër in het kamphospitaaltje. Zo heb ik het overleefd.

Na een jaar mocht ik naar huis. Mijn ouders waren naar Leeuwarden verhuisd, waar niemand iets wist van het verleden van mijn vader. Mijn broer had na de bevrijding op een school voor heropvoeding gezeten en was eerder teruggekomen dan ik. Hij had al vrienden en ik kon me bij hen aansluiten. Het was wennen aan de vrijheid, maar mijn moeder ving mij heel goed op. Zij hield niet van geheimen, je kon open met haar praten.

Mijn vader kwam pas in 1949 uit de gevangenis. Hij gaf toe dat zijn lidmaatschap van de NSB de grootste fout van zijn leven was geweest, maar verder zweeg hij. Ik vind overigens dat hij maar voor een klein deel schuld heeft aan dat barre jaar dat ik heb moeten doormaken. De Duitsers hebben me gewoon geronseld.

Het leven ging door. Maar tijdens een bezoek aan een vroegere leraar stond me een grote schok te wachten. Deze man had bij het verzet gezeten en had Dachau overleefd. Hij liet me foto’s zien van de concentratiekampen. Dat was een enorme klap voor me. Ik had immers deel uit gemaakt van die machinerie, al was ik nog maar een jongen. Het heeft lang, heel lang geduurd voor ik me daar niet meer schuldig over voelde. En ik kan er nog altijd niet te lang bij stilstaan.

In 1952 leerde ik Joyce kennen. Ze kwam uit Wales, was gescheiden en had twee dochtertjes. Onze liefde was voor mij een diep geluk. Maar het was voor haar niet makkelijk om met mij getrouwd te zijn. Ik kon zonder aanwijsbare reden in woede uitbarsten, was altijd onrustig, leed aan slapeloosheid en had last van vreemde spierkrampen. Ik weet nog dat ik met haar op een mooie plek in de duinen zat en dat ik zei: het is net alsof ik op een vulkaan zit. Ik moet verder lopen.

Op een gegeven moment begon ik ook stemmen te horen die me opjaagden en viel ik ten prooi aan diepe depressies. Maar pas in 1985 kwam tijdens een therapie het hele oorlogstrauma naar boven. Ik ben toen ook door de beroemde professor Bastiaanse behandeld. Hij gaf mij injecties met pentothal, een ontremmende stof, en vervolgens ging hij met mij door alle dieptepunten: de eenzaamheid, de doodsangst, de rouw om mijn gesneuvelde vrienden. Dat heeft mij heel goed geholpen.

Als ik terugkijk op mijn leven, zie ik dat het overheerst is door dat ene barre jaar. Toch heb ik het gered. Ik heb leuke banen gehad: vooral de acht jaar dat ik als ik architect op Aruba werkte, waren heerlijk. Ik ben vader van vijf kinderen en heb een geweldige vrouw. Maar los van die angstige spanning ben ik nooit gekomen. Het is zoals professor Bastiaanse mij ooit voorspelde. Ik ben altijd die opgejaagde frontsoldaat gebleven.

Opgetekend door Renate van der Zee

Met dank aan Felix van de Laar