Contrast

Enige tijd geleden werd ik door studenten uitgenodigd voor een discussiemiddag over het universitaire onderwijs. De lijst van sprekers die hun medewerking hadden toegezegd bewees dat niet alleen ik een dergelijk initiatief van studenten op prijs stel. Enige tijd later volgde het bericht dat de bijeenkomst niet doorging wegens gebrek aan belangstelling. Sneu voor de organisatoren die er ongetwijfeld veel tijd in hadden gestoken. Twee maanden later viel er weer een uitnodiging in mijn mailbox; ook nu weer voor een discussie georganiseerd door en voor studenten met als onderwerp het competentiegericht leren. Met affiches en flyers hadden zij voor volop publiciteit gezorgd. Desondanks bleek ook dit keer de belangstelling uitermate gering: meer panelleden dan studenten. Deze ervaringen stonden in schril contrast met wat ik kort daarna op een ROC meemaakte.

Daar was een dag georganiseerd die eveneens tot onderwerp had de manier waarop het onderwijs was ingericht en, daarmee samenhangend, de rol van de docent. Ook dit was een bijeenkomst waar men niet verplicht was heen te gaan. Hij vond plaats op een vrijdagmiddag. Dit keer was de zaal geheel gevuld met naar ik schat zo’n honderd studenten, en daarnaast een flink aantal docenten. Maar eigenlijk ga ik mijn boekje al te buiten door u dit te vertellen want toen het College van Bestuur hoorde dat ze mij hadden uitgenodigd moesten ze beloven mij te vragen er niet over te schrijven. Dat vind ik jammer, want ik had u graag meer verteld over de betrokkenheid van de studenten en de enthousiaste en intelligente wijze waarop zij met elkaar in discussie gingen.

Hier moet ik het dus op last van hogerhand bij laten, maar nu wilde het toeval dat ik een paar dagen later een afspraak had bij een ander ROC, het Nova College in Haarlem. Ik ging daar heen op verzoek van enkele studenten die mij op een congres hadden aangeschoten met de vraag te komen kijken naar waar zij mee bezig waren. Met z’n vieren presenteerden zij voor mij en enkele medewerkers het project dat zij in het kader van competentiegericht onderwijs hadden ontwikkeld. Ze hadden een onderneming opgezet: leerlingen voor leraren. Hun product: “wij voeren loopbaangesprekken met leraren. De rollen worden dus omgedraaid. Zo helpen wij leraren op weg naar een bekwaamheidsdossier.” De studenten, die een opleiding volgden in de sfeer van personeelsmanagement, maakten duidelijk dat veel van de lesstof in zo’n project een natuurlijke inbedding kon krijgen, maar dat een ander deel nog gewoon klassikaal werd onderwezen.

Competentiegericht onderwijs houdt in dat je probeert je onderwijsdoelstellingen zoveel mogelijk deel te laten uitmaken van activiteiten die aansluiten bij de beroepspraktijk. Niet elk vakonderdeel leent zich even zeer voor een dergelijke vorm van onderwijs. Dat is afhankelijk van de studierichting, van de creativiteit van docenten en studenten en van de wijze waarop een project zich in de praktijk blijkt te ontwikkelen. Dat laatste valt niet altijd te voorspellen. Een dergelijke, projectmatige aanpak van het onderwijs vereist bovendien een strikte begeleiding. Vooral in de aanloopfase is zo’n werkwijze arbeidsintensiever dan gewoon lesgeven.

Oorspronkelijk was er het onzinnige plan om alle mbo-opleidingen te verplichten het onderwijs competentiegericht te gaan inrichten. Natuurlijk is het wenselijk dat het beroepsonderwijs zich zo veel mogelijk in deze richting ontwikkelt, maar zoiets bereik je niet door het van bovenaf op te leggen, maar door te bevorderen dat het van onderaf groeit.

Leo Prick

lgm.prick@worldonline.nl