Broederdienst

marieke voorpostel – sibling support. the exchange of help among brothers and sisters in the netherlands – 165 p. universiteit utrecht, 23 maart 2007. promotores: prof.dr.ir. a.g. van der lippe, prof.dr. p.a. dykstra, prof.dr. h.d. flap

Wanneer zag u uw broer of zus voor het laatst? Wat doet u voor elkaar? Helpt u elkaar bij een verhuizing of verbouwing, kunt u op elkaar rekenen bij ziekte of als er financieel problemen zijn? Een paar jaar geleden kregen meer dan 8000 Nederlanders dit soort vragen voorgelegd. Het was de eerste keer dat systematisch in kaart werd gebracht hoe in Nederland de verhoudingen tussen ouders en volwassen kinderen en tussen de kinderen onderling eruitzagen. Heel veel mensen hebben daar een mening over en meestal komt die erop neer dat het vroeger allemaal zoveel beter was. Broers en zussen hadden veel meer contact met elkaar en hielpen elkaar ook waar en wanneer dat nodig was. Tegenwoordig leidt iedereen zijn eigen leven en alleen als moeder jarig is, zie je elkaar nog. Dat soort verhalen, maar of het ook echt zo is en was, weten we eigenlijk niet. Over het verleden weten we nog steeds heel weinig, maar dankzij de in 2004 uitgevoerde grote Netherlands Kinship Panel Study is er veel meer bekend geworden over de familie-en gezinsrelaties in deze tijd.

Marieke Voorpostel laat in haar dankwoord (steeds fout gespeld als ‘acknowlegdements’) zien hoe dat zit. Eerst worden de vrienden bedankt, dan de ouders en vervolgens de broer, met wie ‘ik de in potentie langstdurende relatie in mijn leven heb’. Daar staat bijna niemand bij stil, misschien toch vooral omdat voor de meeste mensen de relatie met broer of zus niet de belangrijkste is. Als dat wel zo is, wordt er meestal aan toegevoegd dat hij of zij tot de beste vrienden hoort. Vriendschap is emotioneel van meer betekenis en veronderstelt ook regelmatig contact en samen leuke dingen doen, de bloedverwantschap hoeft niet onderhouden te worden om toch zijn geldigheid te blijven houden. Je blijft met elkaar verbonden, ook als je weinig genegenheid voor elkaar voelt of zelfs een hekel aan elkaar hebt. Je kunt geen vriend zijn van iemand aan wie je de pest hebt, maar wel broer of zus.

De meeste mensen hebben wel minstens een broer of zus, meer dan 90 procent zelfs van de respondenten in het onderzoek. Uiteraard gaat het in het deel van het onderzoek, waar Marieke Voorpostel over schrijft, over volwassenen met een eigen huishouden. Samenwonen van broers en zussen komt in Nederland weinig meer voor. Iedereen denkt dan aan de gebroeders Temmes (‘do is de Bahnhof’) en de zusjes Jet en Koosje Veenendaal, prachtige typetjes van Kees van Kooten en Wim de Bie, maar wie kent in het echt dit soort stelletjes, voor altijd met elkaar verbonden, maar elkaar ook altijd een beetje in de weg staand. De meeste broers en zussen houden behoorlijk afstand van elkaar, ze wonen gemiddeld zelfs verder van elkaar (59 km) dan van hun ouders. De afstand alleen al maakt dat ze in het dagelijkse leven niet zo heel veel voor elkaar kunnen betekenen. Dat klopt ook wel, niet meer dan een op de tien respondenten hielp broer of zus in een periode van drie maanden met het huishouden, 17 procent hielp wel eens met een klusje, meer dan twee keer zoveel gaf wel eens advies en drie op de vier toonde zich geïnteresseerd in het persoonlijke leven van broer of zus. Het zal niet verbazen dat de klusjes vooral door broers werden verricht en dat zussen elkaar adviezen gaven en ook meer direct vroegen hoe het met iemand ging. Verrassend was wel om te zien dat broers en zussen elkaar vooral blijken te helpen als er nog jonge kinderen zijn. Ongetrouwde broers en zussen blijken een heel eigen rol te kunnen spelen in de gezinnen van hun wel getrouwde ‘siblings’ of ‘Geschwister’(daar is merkwaardig genoeg niet één gemakkelijk Nederlands equivalent voor).

Vrienden lijken meer op jezelf dan je broers of zussen. Daar kies je ze ook op uit en dat blijk ook uit onderzoek. Vriendschappen zijn ook sterker op gevoel en op gedeelde belangstelling gericht, maar anders dan Marieke Voorpostel verwachtte blijken de relaties tussen familieleden en met vrienden toch erg veel op elkaar. Dit mag toch gezien worden als een verzwakking van de verplichtingen die uit bloedverwantschap voortkomen. Als de familieband niet actief en dus ook in positieve zin onderhouden wordt, wordt hij ook niet meer als erg dwingend ervaren.

Vroeger konden vrienden de status van (bijna) familielid verwerven, nu lijkt het omgekeerde het geval: ook familieleden kunnen vrienden worden. Ook uit het deelonderzoek naar de kwaliteit van de relatie tussen ouders en kinderen en de kinderen onderling blijkt dat uiteindelijk niet de bloedverwantschap of min of meer traditionele opvattingen over wat familieleden ten opzichte van elkaar aan verplichtingen hebben doorslaggevend zijn, maar de wijze van omgaan met elkaar, de steun die men elkaar echt geeft en de hartelijkheid in het contact. Opmerkelijk is wel dat juist kinderen van ouders waar je niet veel aan hebt, elkaar soms wel opvallend veel steun en warmte bieden.

Dat broers en zussen elkaar overigens niet zomaar en ook niet altijd steun geven, blijkt wel uit een nadere analyse van de situaties waar hulp nodig is. Bij een lichamelijke ziekte wordt vanzelfsprekend en graag geholpen, bij een psychische aandoening al veel minder. Als het om geld gaat, onverantwoord of crimineel gedrag is de grens van de solidariteit en de broederliefde meestal snel bereikt.

De vier deelonderzoeken die samen het proefschrift van Marieke Voorpostel vormen, zijn, zoals dat heet, ‘theory driven’. De theorie is leidraad voor het formuleren van hypothesen, die op het eerste gezicht opvallend plausibel en zelfs evident aandoen, maar toch in veel gevallen bij toetsing aan de onderzoeksgegevens niet houdbaar blijken te zijn. Wat dan toch jammer is, is dat dit niet leidt tot de formulering van een nieuwe theorie of tot een correctie van de bestaande ‘rational choice’ theorie. De conclusie is dat de theoretische benadering zinvol is gebleken, want ‘steunverlening tussen broers en zussen blijkt door dezelfde principes te worden beïnvloed als steunverlening in andere persoonlijke relaties’. Zou dat nu juist niet verklaard moeten worden? Was dat altijd al zo of is het een modern verschijnsel?