Blair laat Brown zwak Labour na

De Britse kiezers hebben ondubbelzinnig aangegeven dat ze genoeg hebben van Blair en Labour. De zwaarste klap: ook in Schotland is Labour niet meer de grootste partij.

Aangeslagen stond de Britse premier Tony Blair gisteren kort de pers te woord. Ondubbelzinnig hadden de kiezers in Engeland, Schotland en Wales aangegeven dat ze voorlopig in elk geval genoeg hebben van Blair en zijn partij. Ook het feit dat de premier vooraf al duidelijk had gemaakt dat hij weldra weg is bracht daarin geen verandering. Het tijdperk Blair is voorbij en eindigt met een electorale anticlimax.

Met geforceerde opgewektheid verklaarde Blair dat het verlies bij de regionale en lokale verkiezingen op de keper beschouwd nog meeviel. Verliezen bij zulke verkiezingen, stelde hij met een verlegen lachje, was gewoon. Bovendien biedt de uitslag „een heel goede springplank om bij de nationale verkiezingen te winnen”.

Overtuigend klonk het niet. De klap voor Labour was hard. Zag de situatie er aanvankelijk niet zo grimmig uit, aan het einde van de middag kreeg de partij een zware tegenslag te verduren. De Schotse Nationale Partij (SNP) bleek met een voorsprong van één zetel de grootste partij te zijn geworden. Zo is na vijftig jaar Labours hegemonie in Schotland doorbroken. „Schotland is voor eens en voor altijd veranderd”, sprak SNP-leider Alex Salmond triomfantelijk. „Nooit meer zal de Labour Partij denken dat ze een van God gegeven recht heeft te regeren.”

Ook in Engeland laat Blair een sterk verzwakte partij achter. Niet sinds 1977 heeft Labour er in de gemeenteraden zo slecht voorgestaan. Labours stemmenpercentage van 27 procent tegenover 40 procent voor de Conservatieven boezemt evenmin veel vertrouwen in voor de toekomst. De partij blijft daarmee de Liberaal-Democraten (26 procent) nog net voor. In het regionale parlement van Wales verliest Labour de absolute meerderheid, hoewel de partij nog steeds de grootste is.

Was de uitslag vernietigend voor Blair, zo mogelijk nog pijnlijker was die voor zijn gedoodverfde opvolger, minister van Financiën Gordon Brown. Wijselijk hield deze zich gisteren thuis aan de Firth of Forth ten noorden van Edinburgh schuil voor de media. Hoewel Brown zelf een prominente rol had gespeeld bij de Labour-campagne in ‘zijn’ Schotland, liet hij Blair publicitair de kastanjes uit het vuur halen. In de kennelijke hoop zo niet te zeer met de nederlaag te worden geassocieerd.

Browns toestand vertoont trekken van een Shakespeareaans drama. Jarenlang heeft hij geaasd op het premierschap. Nu hij eindelijk op het punt staat zijn ambitie te vervullen, ziet hij de positie van zijn partij – en daarmee die van zichzelf – in hoog tempo afbrokkelen.

Luidkeels verkondigde Brown vorige week nog dat hij niet in staat zou zijn met SNP-leider Alex Salmond te werken, als die vasthoudt aan zijn streven naar onafhankelijkheid. Het was bedoeld als een waarschuwing aan de Schotse kiezers, maar de Schotten werden er niet koud of warm van.

Het is nog niet duidelijk wat voor regering Schotland zal krijgen maar het moet gek lopen wil het geen coalitie worden met Salmond aan het hoofd. Met de Schotse onafhankelijkheid, die volgens opiniepeilingen slechts door een minderheid wordt gewenst, zal het loslopen. Maar de eigenzinnige Salmond zal veel minder meegaand zijn dan de verslagen Schotse Labour-premier Jack McConnell. Conflicten met de regering-Brown in Londen kunnen haast niet uitblijven. En dat is schadelijk voor Browns geloofwaardigheid. Dankbaar zal de oppositie betogen: als Brown in zijn eigen achtertuin de zaken al niet aankan, wat hebben de Engelsen dan van hem te verwachten? Een nachtmerrie voor een man als Brown, die altijd een gloeiende hekel heeft aan situaties die zich aan zijn controle onttrekken.

Het leed van Brown is de vreugde van de Conservatieve leider David Cameron. Deze wist de opgaande lijn sinds zijn aantreden eind 2005 vast te houden, al is het resultaat nauwelijks beter dan vorig jaar bij de gemeenteraadsverkiezingen in Londen. Bevredigend voor de Conservatieven is dat ze voor het eerst sinds 1983 de grootste partij zijn in Birmingham, de tweede stad van het land.

Zorgelijk voor Cameron is echter wel dat zijn partij in het noorden van Engeland nog amper voet aan de grond krijgt. In een stad als Manchester hebben de Tories nog altijd geen zetel weten te veroveren. In het welvarende zuiden van Engeland daarentegen zijn ze oppermachtig.

Zo tekent zich in het politieke landschap steeds sterker een scheiding af tussen een Conservatief zuiden en het verstedelijkte noorden, waar Labour nog altijd sterk is. In Schotland en ook in Wales rukken intussen regionale partijen op. De Liberaal-Democraten zitten her en der verspreid met kleine concentraties maar zagen hun zeteltal onder het weinig dynamische leiderschap van Sir Menzies ‘Ming’ Campbell, zelf een Schot, per saldo afbrokkelen.

De toenemende verbrokkeling maakt het voor het nieuwe Labour-bewind dat na Blairs vertrek deze zomer aantreedt, hoe dan ook lastiger een eigen stempel op de ontwikkeling van het land te zetten. Brown moet van goede huize komen om de neergang van zijn partij tot staan te brengen.