Biobrandstof uit koolzaad helpt niet tegen broeikaseffect

Het heeft nauwelijks zin om biodiesel te produceren als middel tegen het broeikaseffect. Bij de productie van een liter biodiesel uit koolzaad wordt zoveel fossiele brandstof verbruikt en zoveel lachgas (N2O) geproduceerd dat het de opname van CO2 door de planten vrijwel teniet doet. Daarom zijn biodiesel en diesel uit aardolie wat betreft broeikaseffect praktisch lood om oud ijzer.

Wel zijn er andere verschillen: bij de productie van biodiesel uit koolzaad ontstaan veel meer stoffen die bijdragen aan ‘zure regen’ en zomersmog dan bij de productie van een liter gewone diesel uit aardolie. Er staat tegenover dat in de productieketen van biodiesel nauwelijks echt giftige stoffen vrijkomen.

Dit noteert het tijdschrift Chemistry & Industry (23 april) op grond van een bureaustudie van het Amerikaanse adviesbureau SRI Consulting. Bij de productie van biodiesel wordt een niet onaanzienlijke hoeveelheid CO2 geproduceerd door de tractor die het land bewerkt en die helpt bij de oogst. Maar doorslaggevend in de balans is het vrijkomen van lachgas (N2O) uit de bemeste akker en – al eerder – bij de productie van de stikstofhoudende kunstmest. Lachgas is een krachtig broeikasgas dat door zijn fysisch effect en de lange verblijftijd in de atmosfeer per kilo bijna 300 keer zo effectief is al CO2. Al met al ontlopen gewone diesel en biodiesel elkaar maar een paar procent in broeikaseffect.

De ongunstige conclusie sluit aan bij een rapport van het Delftse adviesbureau CE dat in juni 2005 uitkwam. Dat stelde ook al vast dat de inzet van plantenolie ‘nauwelijks tot een reductie van de gemiddelde emissie van broeikasgassen leidt’. Toch streeft de Europese Unie ernaar in het jaar 2010 zo’n 5,75 procent van de transportbrandstoffen door biobrandstoffen vervangen te hebben. Bij de productie van alcohol uit bieten of tarwe kan de broeikas-balans iets gunstiger zijn, al is ook daarover discussie.

De twee studies zijn niet helemaal vergelijkbaar. CE deed een ‘life cycle analysis’ voor de productie en toepassing van onbewerkte koolzaadolie (PPO, puur plantaardige olie) terwijl SRI Consulting ook nog de chemische omzetting van de PPO naar echte biodiesel meenam. (Die is makkelijker inzetbaar.) Daardoor komt SRI sowieso ongunstiger uit. Maar ook los daarvan is de SRI-balans ongunstig omdat hij de opbrengst van koolzaad veel lager schat dan CE (maar 2,9 ton per hectare tegen 4 ton voor een middenscenario bij CE) en anderzijds rekening houdt met een zware uitstoot van N2O: 6,7 kilo per hectare (en maar 3,3 in het CE-middenscenario). Over de werkelijke uitstoot van N2O bestaat nog dramatische onzekerheid. Het CE hanteerde als ruwe rekenregel dat 1 procent van de via kunstmest aangeboden stikstof als N2O vrijkomt en 1,25 procent van de stikstof die in mineraliserende plantenresten aanwezig was. De emissie van N2O bij de productie van kunstmest uit salpeterzuur kan in principe door technische maatregelen worden voorkomen.

Het biologisch (organisch) telen van koolzaad biedt geen soelaas. Weliswaar is de uitstoot van N2O er minder, maar hetzelfde geldt voor de opbrengst. Beide studies baseren zich overigens voor de doorslaggevende getallen op Deense onderzoeksresultaten.

Karel Knip