Bevrijdingsdag

Territoriumdrift, een bezem in aanslag en vijandigheid tot in elke vezel. De buurvrouw, klein, gerimpeld en gebogen, bewaakt haar erf en wantrouwt elke zachtmoedige toenadering.

Ik koop een bloemetje voor mijn nieuwe buurvrouw en bel ter kennismaking aan. Ik draai mijn gezicht naar de warme augustuszon. Een merel zingt.

Het raampje in de deur gaat open.

„Hallo, ik ben...” Het raampje wordt met een klap dichtgesmeten en kaatst via de sponning weer open. Een gezicht verschijnt in het raampje. Gerimpeld. Koolzwarte felle ogen. Haar mond als een streep tussen haar lippen geklemd. „Laat ik je verdomme nooit meer zien klootzak!”, krijst ze en verdwijnt. Ik hoor het glas in de haldeur natrillen.

Mijn arm, met daarin een tuiltje kleurige bloemen, maakt een beweging richting voordeur.

Ik kijk om me heen. De buurvrouw van schuin tegenover staat naast haar fiets. Gebloemde boodschappentas aan het stuur. Een openhangende mond in een gepermanent hoofd zegt dat het dorp er niet op vooruit gaat.

Drie dagen later, tijdens een windstille hittegolf, zie ik haar voor me lopen. Klein, gebogen. Ze heeft een zwarte jas aan en zet haar volle boodschappentas even neer. Rekt zich langzaam. Ik haal haar in.

„Zal ik even uw tas dragen?”, vraag ik en ze krimpt ineen, kijkt me aan.

„Ik ben de buurman. Weet u nog?”

Ze doet een stap opzij. Ik mag haar tas dragen. Ze loopt achter me. Ter hoogte van haar huisje zet ik de tas neer.

„Uitslover!”, sist ze me toe.

„Graag gedaan”, antwoord ik.

Ze woont nu een jaar naast me.

„Hier”, snauwt ze als ik jarig ben en duwt me een wenskaart in handen.

„Lust je een stukje gebak?”, vraag ik en als antwoord knalt even later mijn buitendeur in het slot.

Ik breng haar het gebak. Ik loop gewoon naar binnen.

„Zet daar maar neer en sodemieter op!”, schreeuwt ze.

„Krijg ik geen zoen?”

Haar lach is scherpschril en overtreft de ergste scheldkanonnade. Het bordje brengt ze schoongewassen terug. Ze zet het met een klap op mijn aanrecht en verdwijnt.

Elke dag veegt ze haar stoepje.

Ze veegt krachtig, met korte haaltjes.

Als iemand aan komt lopen, onderbreekt ze haar bezigheid.

Dan neemt ze haar bezem in een ondergreep en houdt hem horizontaal.

Ze fixeert met haar blik de voorbijganger, tot die buiten haar zichtbare territorium en uit haar leven verdwijnt.

Als iemand haar vriendelijk ‘goedendag’ zegt, staat dat gelijk aan het indrukken van een rode knop.

„Loop godverdomme dóór, luizenbos!”

„Pardon mevrouw...?”

„Luizenbos”, blijkt een verbaal opwarmertje te zijn voor een stortvloed van verwensingen die volgen. Met haar bezem lijkt ze letters in de lucht te schrijven. Ik durf ze niet lezen.

Als een Duitse toerist zijn auto voor haar deur geparkeerd heeft, komt ze in een stakerig drafje vanachter haar huis tevoorschijn en begint met haar veger de bloedrode BMW te bewerken.

Ze doet dit stilzwijgend. Verbeten. Ik grijp niet in, maar staar gebiologeerd naar haar vertrokken gezicht. Ze stopt hijgend een paar tellen, houdt de vijand in haar blik gevangen en beukt met hernieuwde kracht op haar kwelgeest los. Tot de bezem met een scherpe knal breekt. Ze spuugt met droge mond richting nummerbord. Op dat moment verschijnt de politie. Ze schreeuwt haar keel rauw. Haar handen ten hemel geheven, grijpen en grijpen in het niets. Een agent zet de resten van de bezem tegen de muur.

Als ik haar,een paar weken later, vertel dat ik ga verhuizen zie ik tranen over haar gezicht lopen. „Sodemieter op vent en laat ik je hier nóóit meer zien!” blaft ze.

Ik loop naar haar toe en omarm haar zacht. Ze laat de veger uit haar hand vallen. Drie tellen lang snikt ze, voor ze zich weer hervindt en me haar erf afvloekt.