'Als het gebed begint, is het altijd droog'

Amsterdam Slotervaart is een van de probleemwijken waarin minister Vogelaar extra wil investeren. Op stap met buurtregisseurs Hammel en De Jong, die met iedereen een praatje aanknopen. Deel 2 van een serie

Wij als politie hebben het nooit over achterstandswijken, zegt agent Philip Hammel. De politie ziet problemen. 'En die heb je bijna in elke buurt.' Metershoog huisvuil, waar plukjes ratten tussendoor schuifelen, daar denkt zijn collega Don de Jong aan bij een achterbuurt. En dat heeft hij in het Amsterdamse stadsdeel Slotervaart nog nooit gezien.

Eigenlijk, zegt Hammel, is het hier heel mooi. 'Veel groen, en als ze bestaande woningen wat beter onderhouden en mooie nieuwe woningen bijbouwen kan het echt wat worden.' Er wonen hier nou eenmaal veel Marokkanen, dus als er iets gebeurt is de kans statistisch gezien groot dat er een Marokkaanse jongere bij betrokken is, zegt De Jong. 'Maar is het daarom een achterstandswijk?'

Politieagenten Philip Hammel en Don de Jong zijn twee van de negen buurtregisseurs in Slotervaart. Hammel in de Delfiandpleinbuurt, De Jong in Overtoomseveld-Zuid. Hetzelfde stadsdeel, maar hun buurten, zeggen ze, zijn niet te vergelijken. Als Hammel zegt dat hij in Slotervaart werkt, zeggen kennissen altijd: 'Oh, Marokkanen'. Nee, zegt hij dan, zwervers en alcohol- en drugsverslaafden. De Jong heeft wel veel met Marokkaanse jongeren te maken. Maar hij heeft een hekel aan stigmatisering. Jeugd, alles wat ik doe heeft te maken met jeugd, zegt hij daarom.

Homo-ontmoetingsplek

Eind maart plaatste minister Vogelaar heel Amsterdam Nieuw West, waaronder Slotervaart, op de lijst van achterstandswijken waar de komende jaren extra in geïnvesteerd zal worden. Ach, dat zal wel, dat is de politiek, zeggen Hammel en De Jong, die gaat daar over. Wat zij willen is het beeld van Slotervaart-is-Marokkanen-is-problemen nuanceren. Hammel: 'Je hebt in Slotervaart ook een homo-ontmoetingsplek, waar soms problemen zijn. En ik heb bijna nooit te maken met Marokkaanse jeugd.' De Jong: 'Veel jongeren hier hebben negatieve ervaringen met de politie. Dat ligt ook aan ons. Daarom moet je als buurtregisseur benaderbaar zijn. En weet je, ik leer ook ontzettend veel van hun cultuur.'

Het politiebureau waar De Jong en Hammel zitten, staat recht tegenover de El-Ouma moskee op het August Allebéplein. Het is vrijdagmiddag. Het gebed in de moskee gaat beginnen. Don de Jong loopt naar het raam en wijst naar buiten. De gelovigen hebben het pleintje voor de ingang bedekt met tapijten, waarop ze aan het bidden zijn. De moskee is niet groot genoeg.

'Mooi hè', zegt De Jong. 'Eigenlijk zou het wel binnen moeten gebeuren, omdat het een privé-aangelegenheid is, maar het hoort ook een beetje bij deze buurt.' Hij heeft bijna elke vrijdag dienst, en altijd kijkt hij even naar het gebed. Zelf is hij niet gelovig, maar toch doet het hem wel wat, zegt hij. De verbondenheid die deze mensen onderling uitstralen, daar heeft hij bewondering voor. 'Dat zie je bij Nederlanders niet.' En er is nog iets wat hem opvalt. Soms regent het flink op vrijdag, maar als het gebed begint, is het altijd droog. Hij is even stil. 'Dat vind ik toch bijzonder', zegt hij dan.

De Jong loopt deze middag een rondje door zijn buurt. Hier draait zijn werk om, zegt hij. Aanwezig zijn, buurtbewoners zien en spreken. Als hij op straat loopt, groet

De Jong de allochtone buurtbewoners met salaam aleikum. Vaak beweegt hij zijn linkerhand daarbij even naar zijn hart. Gewoon, omdat hij het een mooie wens vindt, zegt hij.

Belwinkel

Uit een belwinkel op het August Allebéplein komt een Marokkaanse jongen in een djellaba. Als hij De Jong ziet, krijgt hij een grijns op zijn gezicht en komt naar hem toe. De twee geven elkaar een korte omhelzing. De Jong vraagt hoe het met zijn sollicitatie ging. Heel goed, zegt hij en lacht. 'Ik kom binnenkort bij je werken.' De jongen haast zich naar het gebed.

Dat was Othman, zegt De Jong, beheerder van de belwinkel. De jongen heeft zich aangemeld als 'straatcoach' bij de Stichting Aanpak Overlast, die de gemeente Amsterdam eind vorig jaar heeft opgericht om de overlast van jongeren in Slotervaart aan te pakken. De Marokkaanse coaches houden de jongens in de gaten op straat, maar bezoeken ook de ouders thuis. De Jong: 'Othman is al op hadj, pelgrimstocht geweest, en denkt dat hij jongeren goed kan bereiken.'

Een straat verderop komt er weer een jongen enthousiast op hem af. Hij draagt zijn gebedskleed over een trainingsbroek heen. Ook hij omhelst De Jong. 'Waarom heb ik je zolang niet gezien, man', vraagt hij grijnzend.

Dit is Mustafa Akka, in 1998 nog deelnemer aan de rellen op het August Allebéplein tegen de politie. Nu is hij trajectbegeleider bij welzijnsinstelling Impuls. Ook hij moet snel door naar het gebed. 'Ik bel je als ik klaar ben met Allah aanbidden.'

Als de jongen weg is, zegt De Jong dat deze jongens wel een uitzondering zijn. Er zijn er niet veel die zo hartelijk met hem zijn. Want het idee van een 'verradersrol' zit volgens hem heel diep. Dat maakt hij geregeld mee. Heeft hij een leuk gesprek op straat, kappen ze het opeens af. Ik moet maar weer eens gaan, zeggen ze dan, want die heeft me met jou gezien en die, en hij liep ook nog langs. Nee, ze zien de politie maar zelden als hun vriend. Waardoor dat precies komt, weet De Jong niet. Maar wat hij wel weet is dat de achterdocht heel groot is voor alles wat met de overheid te maken heeft, van jong tot oud.

Laatst kwam hij dat weer tegen. Er was een schietpartij geweest in Geuzenveld Slotermeer en het slachtoffer kwam uit Slotervaart. Een vriend bracht de zwaargewonde man naar huis, waar hij 's nachts stierf op de trappengalerij. De politie werd gebeld en de recherche kwam om onderzoek te doen. De politie dacht dat er voor de buurt geen probleem zou zijn. Het was 's nachts, iedereen zou wel slapen. Een dag later werd De Jong gebeld door de adjunct-directeur van de Ru Paré school, een zwarte basisschool. Veel kinderen uit groep 8 hadden de man zien liggen en daarna de politie bezig gezien. De opwinding was groot, normaal lesgeven niet meer mogelijk. Of De Jong een en ander kon komen uitleggen.

Hij naar die school. Kinderen in een kring gezet en allemaal hun verhaal later vertellen. Zeggen ze allemaal: ambulances komen altijd te laat en de politie rijdt een straatje om als er iets is. 'Groep 8, hè.' Daarna probeerde hij de kinderen te overtuigen dat dat echt onzin is.

Opstootje

Wat je aan die achterdocht kan doen, weet hij wel. Dat brengt hij elke dag op straat in de praktijk. Aanspreekbaar zijn en ook hun emoties proberen te begrijpen. Daar heeft hij een mooi voorbeeld van. Afgelopen woensdag. Een auto-inbraak op de Postjesweg. Er gaat een signalement rond van de dader en twee collega's van De Jong zien een jongen die daaraan voldoet. Hij wordt gecontroleerd, maar al snel komen er meer jongeren op af en er ontstaat een opstootje. De broer van de jongen bemoeit zich ermee en wil per se weten waarom zijn broertje gecontroleerd wordt. De Jongs collega's vonden het een 'licht bedreigende situatie'.

In zo'n situatie moet je de emotie begrijpen, zegt De Jong. Hij kent de jongen die gecontroleerd werd goed en ook zijn familie. Veel jongens in Slotervaart hebben problemen gehad met de politie, maar deze jongen nou net niet. Hij is de trots van de familie. Ze zijn zuinig op hem. 'Als hij dan gecontroleerd wordt, schrikken ze en ontstaat er gedoe.' 's Avonds belde zijn moeder nog met De Jong. De jongen werkt op Schiphol, of deze controle geen problemen zou opleveren? 'Zie je hoe het werkt. Natuurlijk levert die controle geen problemen op, maar het zit zo diep. Dat moet je allemaal begrijpen als zo'n opstootje ontstaat.' Uiteindelijk had de jongen niets met de auto-inbraak te maken.

Collega's noemen hem wel eens naïef als hij het weer heeft over 'de jongeren begrijpen' en de 'emoties aanvoelen'. Zelf zegt hij dat hij niet in Slotervaart zit als handhaver. Als het zou helpen dat hij elke dag met zijn wapenstok de buurt intrekt en iedereen die maar een beetje vuil naar hem kijkt een klap geeft, zou hij het vanavond nog doen. 'Maar ik heb nog nooit iemand bij me gehad die zijn blauwe plekken van een wapenstok liet zien en zei: Ik heb het nu begrepen, ik ga een baan zoeken en me voortaan netjes gedragen.'

Zwerver Hans

Aan de andere kant van Slotervaart heeft zijn collega Philip Hammel met heel andere problemen te maken. Hij gaat naar de maandelijkse vergadering van daklozen en verslaafden met het personeel van inloophuis De Eik. Slotervaart heeft ruim honderd alcohol- en drugsverslaafden, van wie sommige een vaste verblijfplaats in een opvanghuis hebben en anderen een vaste plaats op straat. Dat weten veel mensen niet, zegt Hammel, maar we hebben hier verschillende opvangvoorzieningen en ook een Jellinek kliniek. 'Als je ervoor kiest om dakloos te zijn in Slotervaart, dan ben je inwoner van Slotervaart.' Neem zwerver Hans, al vijftien jaar slaapt hij onder dezelfde brug. 'Dat is een authentieke inwoner van Slotervaart.'

Het inloophuis zit weggestopt aan de achterkant van het Delfiandplein, schuin onder de snelweg van de ring a10. Binnen is het donker. De ruimte is ongeveer veertig vierkante meter groot. In het midden staan een paar tafels en een tafeltennistafel. Er hangt een zure, warme lucht. Net naast de ingang staat op een tafel een pannetje soep te pruttelen op een elektrische kookplaat.

Hammel is net binnen als er een dakloze met grijs en geel haar en een petje op naar hem toe komt. 'Hé Ferry, grote vriend, alles goed?', vraagt Hammel. Nee, lacht Ferry. Hij is zijn paspoort kwijt en Hammel moet hem aan een nieuwe helpen. Met gele nicotinevingers loopt hij op een papiertje hakkelend langs de stappen van een nieuwe aanvraag. Als ze klaar zijn, begint Ferry te grinniken. Hij tast naar zijn broekzak. 'Eh, eh, eh, hoeveel krijg je van me?'

Negen daklozen zijn naar de vergadering gekomen.

Ze zitten om de tafels heen en roken allemaal shag. De huishoudelijke mededelingen laten ze rustig passeren. Maar bij de rondvraag worden ze actief.

Een forse man met een grijze baard met gele plukken begint. Hij zweet. Zijn haar zit op zijn voorhoofd geplakt. In zijn gebit prijkt een gapend gat. Hij wil weten of de begeleiding wel een ehbo-diploma heeft. 'Vorige week kreeg Hans een hartaanval en er was niemand met een diploma.' Een andere dakloze valt hem bij. 'Ik wist toevallig dat ik hem op zijn kant moest leggen, zodat hij zijn tong niet inslikte. Is geen pretje hoor, om dat te zien.'

Infantiel

Er is ook nog een ander puntje. De activiteiten. De zwerver met grijze baard voelt zich 'een beetje als een infantiel behandeld'. Eieren beschilderen voor Pasen, begint hij, straks krijgen we nog koekhappen en zaklopen. 'We komen hier voor wat warmte, een kaartje leggen, wat eten en sociale contacten. Niet voor flauwekul.'

Eigenlijk, zo vat een van de mannen het samen, is er maar één probleem: 'Ik heb het gevoel dat jullie helemaal niet weten hoe wij leven, wat we doen. Jullie begrijpen ons niet. Eigenlijk begrijpt, hij, die ouwe, Philip, er nog het meeste van.'

Hammel glimlacht even, maar begint dan over de klachten die hij krijgt van bewoners. Het voorjaar is begonnen, dat betekent parkweer voor de daklozen. En dus klagen bewoners dat zij moeten zien hoe zwervers in parken poepen en plassen, en hun rotzooi achterlaten. 'Natuurlijk begrijp ik dat de biertjes die er ingaan er ook weer uit moeten. En een sneetje brood moet dat ook. Maar doe dat dan discreet.'

En dan de rotzooi, zegt Hammel. 'Dat verbaast me hogelijk', zegt een van de daklozen. 'Als ik er ben spreek ik anderen er altijd op aan.' Ja, ja, zegt Hammel, dat geloof ik meteen. 'Maar als jij er niet bent?' Eigenlijk, zegt hij, is het net als met allochtone jongeren. 'Als een kleine groep iets doet, dan krijgt iedereen de naam. Zo is dat met jullie ook.'

Tom Kreling is redacteur van NRC Handelsblad.

Jildiz Kaptein is fotograaf.