Alleen de imam spreekt nog op gematigde toon

Op 22 juli gaat het verscheurde Turkije vervroegd naar de stembus. De komende tijd zal de spanning in de campagnes alleen maar verder oplopen. Alleen de imam van Kasimpasa roept nog op tot relativering.

Een protest, gisteren in Istanbul, tegen politieke inmenging door het Turkse leger. Het leger heeft gedreigd Turkijes seculiere orde met geweld te handhaven. Foto AFP Pro-Islamic demonstrators hold banners during a protest against an army statement in Istanbul, Turkey, Friday, May 4, 2007. Prime Minister Recep Tayyip Erdogan held a private meeting with the head of Turkey's armed forces, Gen. Yasar Buyukanit, a week after the military threatened to intervene in an ongoing presidential election if it thought secularism was in danger. (AP Photo/Serkan Senturk) Associated Press

En opeens hangt daar zomaar een spandoek midden op straat. Bewoners van de wijk Kasimpasa in Istanbul danken de Turkse premier Recep Tayyip Erdogan voor zijn ‘passie om dienstbaar te zijn’.

Dat veel mensen in Kasimpasa er zo over denken, is niet verwonderlijk – Erdogan werd in deze wijk geboren. Praat met iets oudere inwoners van Kasimpasa en je vindt al snel iemand die vroeger met de premier heeft gevoetbald. In de wijk draagt meer dan de helft van de vrouwen een hoofddoek. Veel inwoners zijn, net als Tayyip, oorspronkelijk afkomstig uit het gebied bij de Zwarte Zee: zelfs de imam, wiens woorden via een luidspreker op straat te horen zijn, spreekt Turks op zijn Zwarte Zees.

Maar zelfs in dit bastion van de AK-partij van premier Erdogan heeft de politieke crisis van de afgelopen dagen grote wonden geslagen. Stel een vraag en direct beginnen ten minste vijf mensen door elkaar te praten.

„Gül moet president worden”, zegt een marktkoopman met overslaande stem als hij in een winkel op een steenworp afstand van het spandoek inkopen komt doen. „Waarom zeggen zij (de seculiere oppositie) dat alleen zij van Atatürk houden? Wij zijn allemaal voor Atatürk, niet zij alleen.”

Even verderop in een theehuis, waar alleen aanhangers van de seculiere oppositiepartij CHP zitten, is de sfeer geheel anders. „De laatste jaren zie ik steeds meer vrouwen die bedekt zijn, en dan bedoel ik bedekt van top tot teen”, zegt Bahri, een gepensioneerde man. „Soms weet je niet eens of er een man of een vrouw achter al dat zwart zit. Ik geloof in de principes van Atatürk, het mag hier geen Saoedi-Arabië worden.”

En zo weerspiegelt ook de wijk Kasimpasa de politieke spanning die overal in Turkije te voelen is. Kranten schreven verheugd dat de vervroegde verkiezingen (22 juli) de bevolking de kans moet geven om tot rust te komen. Maar het land heeft, zo lijkt het, alle spanningen nog lang niet verwerkt.

De crisis begon al enkele maanden geleden toen premier Erdogan niet duidelijk wilde aangeven of hij kandidaat voor het presidentschap wilde zijn of niet. Seculiere Turken zien Erdogan om zijn moslimfundamentalistische verleden als een wolf in schaapskleren, die uiteindelijk de seculiere staat dood wil bijten. Zij raakten overstuur: de Republiek, zo vonden zij, was in gevaar.

De spanningen liepen op toen de AK-partij bekendmaakte Abdullah Gül als presidentskandidaat naar voren te schuiven. Gül is geliefd in Europa om zijn glimlach en open karakter, maar seculiere Turken moeten ook Gül (wiens vrouw een hoofddoek draagt) niet. De oppositiepartij CHP boycotte de eerste stemronde in het parlement vorige week vrijdag. Op aandringen van diezelfde CHP verklaarde het Constitutionele Hof die stemming ongeldig. Turkije is dus op dezelfde plek waar het drie weken geleden was, dat wil zeggen: zonder president.

Maar het politieke klimaat is wel aanzienlijk verscherpt. Het lijkt wel of Erdogan en Baykal (de leider van de oppositiepartij CHP) een totaal andere taal spreken. Daags na de uitspraak van het Hof spraken beide leiders hun fractiegenoten in het parlement toe. Erdogan noemde het vonnis een „kogel die op de democratie is afgevuurd”. Baykal daarentegen stond uitgebreid stil bij de vreugde die hij zag in de ogen van zijn partijgenoten – de vreugde van trouwe volgelingen van Atatürk die weten dat zij de Republiek hebben verdedigd.

Ook in Kasimpasa worden alle registers opengetrokken. „Tayyip werd geboren als een arme jongen in deze wijk”, zegt een vriend van de gepensioneerde Bahri. „Nu heeft hij twee jachten. Waar komt al dat geld vandaan?” En: „Ik geloof in de principes van Atatürk en dat doet hij (Tayyip) niet. Daarom vertrouw ik hem niet.”

Gaat het vertoog in het café met de aanhangers van de CHP over Atatürk, over secularisme en over een dreigend afglijden richting Saoedi-Arabië, in de winkel waar de marktkoopman komt, gaat het over democratie. Daar wordt juist met instemming gesproken over de kans die „het volk” zal krijgen om zich uit te spreken. „Iedereen hier van zeven tot zeventig jaar denkt als ik”, zegt de marktkoopman. „Wacht maar tot de verkiezingen, dan zullen we eens zien hoe Turkije denkt.”

In de moskee in Kasimpasa houdt de imam een preek waarin hij er bij de mensen op aandringt om vooral te denken aan hun spirituele welzijn en aan de nieuwe wereld van na de dood. Als Turken de woorden van de imam ter harte zouden nemen, zouden zij de huidige politieke problemen relativeren en hun toon matigen. Maar bij de ingang van de moskee luisteren alleen een paar oude mannen naar wat de imam te melden heeft. Politiek Turkije schreeuwt liever dan dat het naar wijze woorden luistert. De politieke crisis in dit land is nog lang niet voorbij.