‘Aanpassen was: aan hém aanpassen’

Ze leerden elkaar kennen in een Rotterdamse leatherbar. Pim Fortuyn, morgen vijf jaar dood. En fotograaf Ari Versluis, zes jaar lang zijn vriend. „Hij was bang voor alles wat niet westers was.”

Ari Versluis was de vriend van Pim Fortuyn, van 1993 tot – aan, uit, aan, uit – 1999. Het waren de jaren dat Pim Fortuyn al alles deed om politieke macht te krijgen, maar het was hem nog niet gelukt. Hij fantaseerde er wel over hoe ze samen in het Catshuis zouden wonen, en hoe ze het eerst opnieuw zouden inrichten, met veel marmer en antiek. En een achterdeur waardoor ’s nachts ongezien jongens konden binnenkomen.

Ari Versluis zal zo vertellen over Pim Fortuyn – hoe die dacht, waar hij bang voor was, wat er zou veranderen als hij minister-president was. Maar eerst wat informatie over hemzelf. Hij is fotograaf in Rotterdam, hij maakte voor de Hema de campagne ‘Altijd jezelf’, samen met stiliste Ellie Uyttenbroek. Gewone mensen, geportretteerd tegen een witte achtergrond.

Met haar doet hij ook al veertien jaar het project ‘Exactitudes’, waarvoor ze steeds mensen uit eenzelfde groep portretteren, in dezelfde houding, tegen een witte achtergrond. Hippe vaders met hun baby in een draagdoek op de borst. Gepensioneerde mannen in bandplooibroek en lamswollen trui. Black widows. Hanekammen. Homeboys. Islamitische meisjes met hoofddoeken om. Hun werk wordt tentoongesteld in musea, gepubliceerd in Europese (NRC Handelsblad) en Amerikaanse kranten en tijdschriften.

Ari Versluis komt uit Werkendam, een gereformeerd dorp in Noord-Brabant. Hij werd geboren in 1961 en tot zijn dertiende ging hij ’s zondags naar de kerk, met zijn ouders en zijn twee zusjes. Totdat zijn vader, uitvoerder in de weg- en waterbouw, het opeens niet meer nodig vond. Ari Versluis zegt dat zijn vader een lieve, knappe man was. Type acteur in een neorealistische Italiaanse speelfilm. Hij overleed aan longkanker, in 1993. De moeder van Ari Versluis was een Scheveningse. Dochter uit een vissersfamilie. Zij wordt deze zomer tachtig.

Hij ging naar het atheneum in Gorinchem, waar leraren rondliepen met het Rode Boekje van Mao. Het was midden jaren zeventig. Zelf was hij vooral onder de indruk van de Molukkers op school. „Die waren supercool. Ze hadden de beste sets aan. Knalrode broeken, lakleren jacks. Ze reden op fluorgespoten Puchbrommers.” Hij ging naar Amsterdam en kocht een knalgele ribbroek. Die verborg hij thuis in de schuur en trok hem stiekem aan als hij uitging.

Hij kocht ook buttons, een roze driehoek onder andere. Maar die deed hij al snel weer af. Te links, te macrobiotisch. Zo waren de hippies die in de dijkhuisjes rond Werkendam kwamen wonen, terug naar de natuur. Met sommigen van hen was hij vrienden geworden. Zelf werd hij punk. Nihilistisch. No future. In 1980 werd hij op de Kunstacademie in Rotterdam toegelaten met een serie portretten van zichzelf – als zakenman, huisvader, hippie.

Pim Fortuyn ontmoette hij voor het eerst in de Shaft, een leatherbar aan de Schiedamsesingel in Rotterdam, naast Gay Palace en boven de Cosmo. Hij kwam er bijna nooit, maar een vriend van hem wilde er graag heen en hij ging mee. „Het was een hok zonder weerga. Twee etages, compleet zwart geverfd, verbrande muren. Echt supergoeie styling. Nu staat heel Milaan er vol mee, maar toen was het authentiek. De Shaft was elitair, op seksueel vlak dan. De hoogste bankdirecteuren kwamen daar, maar ook de gewoonste jongens. Pim voelde zich er op zijn gemak. Zijn identiteit van belangrijk man werd daar doorbroken. De ene keer was de dresscode een T-shirt, de andere keer naakt en dan was het weer een avond leather.”

Pim Fortuyn was toen buitengewoon hoogleraar aan de Erasmus Universiteit. En hij schreef columns, onder andere voor het weekblad Elsevier. Ari Versluis wist dat niet, maar hij zag dat hij geen „volkse jongen was die alleen seks kwam halen”. Daarvoor waren zijn nagels te netjes, zijn sigaren te duur. „Mensen kunnen zich nooit helemaal verbergen.” De dresscode was die avond vrij. Pim Fortuyn zat in zijn onderbroek aan de bar.

„Veel anderen daar bleken hem al te kennen. Hij kwam er vier, vijf keer in de week. Shaft was het verlengde van zijn huiskamer. Toen die vriend met wie ik was ging cruisen, dacht ik: ik ga een praatje maken. Eigenlijk vond ik het helemaal niks daar. Ik vond techno en house toen tien keer interessanter. Maar door Pim werd het opeens spannend. De gesprekken en de lichamelijkheid ontwikkelden zich in recordtempo. Ik dacht: wauw, wat een feedback, en nog sexy en plus. We werden die nacht als laatsten de bar uitgegooid.”

Van zijn kant was het geen verliefdheid, zegt Ari Versluis. Het was pure magnetism. „In alles waren we het tegenovergestelde. Hoe we in de wereld stonden, sociale klasse, het verschil in leeftijd. Ik had nooit iets met universiteiten op gehad, hij was professor.” Ari Versluis was toen net begonnen met het portretteren van Rotterdamse gabbers uit de hardcore techno-scene . Kaalgeschoren jongens in snoeproze kleren, anti-Amsterdams, nationalistisch.

Zelf had hij in die tijd zijn hoofd ook kaalgeschoren en hij droeg een bomberjack. „Pim vond het fascinerend dat ik me zo met mijn onderwerp identificeerde. Maar het maakte hem ook jaloers. Die gasten hielden me weken bezig.” Pim Fortuyn begon in Elsevier te schrijven over die jongens, die niet naar school gingen en nergens werden opgevangen, ook niet door hun ouders, want die bemoeiden zich niet met hen. „Het kwam later terug in zijn boek De verweesde samenleving. Niemand schreef erover, want de pers is in Nederland vanouds een Amsterdamse aangelegenheid, en in Amsterdam had je dit niet. Niet zo.”

Het kwam onder anderen door hem, zegt Ari Versluis, dat Pim Fortuyn voor Rotterdam koos. „Hij kwam zelf uit Noord-Holland, hij shopte net zo gemakkelijk in de P.C. Hooftstraat als ergens anders. Maar hij leerde door mij dat Amsterdammers altijd praatjes hebben, maar nooit weten waar ze het over hebben. Ik vond toen dat ze geen idee hadden wat er leefde onder niet-intellectuele bevolkingsgroepen. Amsterdam is kitsch. Rotterdam is underground. Daar komen veel veranderingen vandaan.”

Ze gingen niet samenwonen. „Pim wilde het wel. Hij wilde mij for ever and ever. Maar dan was er van mij niks overgebleven. Hij was te heftig, te dwingend, te claimend. Voor mij was het elke keer een powertrip. Het praten, het argumenteren, de ideeën, de plannen, het ging maar door en door. Als ik de volgende ochtend weer buiten stond, dacht ik: mooi, nou naar mijn eigen studio.”

Op het visitekaartje dat hij bij hun eerste ontmoeting had gekregen stond: Fortuyn & Partner, adviseurs in politiek-strategische vraagstukken. „Wie die partner was, weet ik nog steeds niet. Die periode was voor hem één groot gefrustreerd wachten. Hij wilde de politiek in. Gezien zijn kaliber vond hij dat hij gevraagd moest worden. Maar niemand vroeg hem. Mensen wisten niet wat ze met hem aan moesten, omdat hij niet rechts en niet links was. Hij werd ook te dominant gevonden. Hij ging altijd door tot zijn tegenstanders op de grond lagen. Hij kon niet verliezen, nooit. Toen ik hem niet meer wilde zien, gooide hij de ruiten bij me in. Hij duwde brandende sigaren door de brievenbus. Hij liet me uit kroegen slaan. Elke ochtend lagen er in mijn studio meters faxen. Ik heb ze nog heel lang bewaard, tot de inkt zo verbleekt was dat ze niet meer leesbaar waren.”

In een interview met de Volkskrant , in 1995, zei Pim Fortuyn: „Die jongen houdt ontzettend veel van me, maar kan geen commitment afgeven. In bed en emotioneel heel ver gaan, maar niet accepteren dat dat ook in het dagelijks leven consequenties heeft. Terwijl ik bereid ben om voor hem te knokken, door mijn eigen angsten heen te gaan.”

Ari Versluis zegt dat Pim Fortuyn er op zeker moment over dacht om naar een penthouse in Rome te verhuizen en alleen nog maar te schrijven, op het dakterras. „Fantastisch idee. Voor onze relatie zou het ook beter zijn geweest. Als we samen weg waren, hadden we het altijd superleuk. Eten, wijn drinken, shoppen, mensen kijken, heel veel praten. We gingen naar Parijs, Londen, Griekenland, Italië. Dus mij leek het wel wat, Rome. Maar hij zag er toch van af. Het was hem te min om alleen maar commentator langs de zijlijn te zijn. Hij wilde grootse daden verrichten.”

Een van de vele oorzaken van de scheiding, zegt Ari Versluis, was het ongemak dat hij bij Pim Fortuyn zag in de omgang met vreemdelingen. „Hij kon wel met ze praten, maar alleen als ze geassimileerd waren en in een goede auto reden. Dat was ook kenmerkend voor de Shaft: heel veel blank.”

En de Marokkaanse jongens dan?

„Het was camp van hem, om dat te zeggen. Ik deel het bed met ze. Het klonk goed. Hij zal wel promiscue geweest zijn, maar ik heb het niet meegemaakt. In die Shaftwereld waar hij verkeerde, deed het er helemaal niet toe of iemand Marokkaan was. Je kwam er voor de seks. Je identiteit werd uitgeschakeld.”

Tegen gesluierde meisjes kon Pim Fortuyn heel aardig doen, zegt Ari Versluis. Bijvoorbeeld als ze bedienden als hij in een restaurant at. „Kom er eens even bij zitten, zei hij dan. Zoals jij je werk doet, dat kan niet. Luister goed naar me, van mij kun je wat leren. Hij zag dat als dienstbaarheid aan zo’n meisje. Hij trok haar omhoog.”

Omhoog?

„Naar onze westerse, christelijk-humanistische cultuur. Die zag hij als verheven, en daardoor werd hij belerend. De andere kant daarvan was de angst voor alles wat níet westers en christelijk-humanistisch was. Liepen we in Parijs in de straten bij de Bastille, volkomen zwart, dan pakte hij m’n arm vast. Ik wil hier niet doorheen. Ik zei: kijk naar de styling, naar de sets die ze aan hebben, en kijk, wat een poses. Natuurlijk liepen ze te intimideren. Het is straatgedrag. Mij kon het niet schelen, maar hij had het zweet op zijn voorhoofd staan.”

Gebeurde er wel eens wat?

„Er gebeurde altijd wat. Ze zagen dat hij anders was. Ook als hij geen pak aan had. Een lange, rechte man, kin omhoog, geen straatloopje. Ik zei: ga langzamer lopen, kijk ze niet aan. Ik pas me onmiddellijk aan. Ik weet niet eens of hij zich niet wílde aanpassen. Hij kon het gewoon niet. Aanpassen was: aan hém aanpassen. Dus als we daar liepen, dan was het: die zal wel rijk zijn, daar valt wat te halen. Hij riep agressie op.”

Bij het establishment in Nederland, zegt Ari Versluis, riep hij ook agressie op. „Ze vonden hem bijna nooit sympathiek. Vrouwen vaak wel. Maar mannen hadden eerder een afkeer van hem. Later, toen hij in de politiek was doorgebroken, werd het bewondering of fascinatie. Nooit werkelijk respect. Toen alles om hem in een gekkenhuis veranderde, dacht ik vaak: wat ben je eenzaam, wat zou ik nu graag even bij je zijn. Maar ik wist dat alles dan weer van voor af aan zou beginnen. Hij had me bedreigd met een crime passionel. Dat leek me een reële mogelijkheid.”

Ari Versluis zegt dat Fortuyn zich bedreigd voelde, ook al voordat hij was doorgebroken. Hij had zijn huis van onder tot boven laten beveiligen. „’s Nachts schrok hij vaak in paniek wakker. Ging het alarm af, was er een kat door de infraroodbaan gelopen. Dat maakte het ook al niet fijn voor mij om er te slapen. Ik voelde me opgesloten. Als ik even naar beneden wilde, moest ik eerst van alles uitschakelen. Het was een eigengemaakte gevangenis.”

Als hij was blijven leven?

„Dan was hij minister-president geworden, dat weet ik zeker. En dan: een zakenkabinet, met de bekwame mensen op de juiste posten. Wetten tegen verdere islamisering van de samenleving, meer gelijkstelling tussen mannen en vrouwen. Herstel van normen en waarden, van de vaderrol van de politiek. En dan snel weer terug naar zijn hedonistische leven. Tenzij het minister-presidentschap hem twee miljoen per jaar had opgeleverd, wat hij heel normaal zou hebben gevonden. Vanaf de dag dat ik hem leerde kennen, in de Shaft, tot en met ons laatste gesprek, weet ik dat het zijn diep gevoelde overtuiging was dat er in Nederland een paar dingen heel grondig moesten veranderen en dat hij degene was die dat moest doen. Ik heb nooit iemand meegemaakt met zo’n sterke wil als hij. Bij andere mensen is er altijd een ‘maar’. Bij hem niet. Hij wist: wat ik wil, moet gebeuren, linksom of rechtsom. Hij wist dat hij er zijn eigen drang tot hedonisme voor opzij moest zetten. Al vond hij ook dat hij niet alles hoefde op te offeren. Hij zou het minister-presidentschap glamourous hebben gemaakt, met mooie huizen, mooie pakken, een excellente hofhouding.

„Ik genoot van zijn fantasie, zijn verbeeldingskracht. Als hij erover sprak, dacht ik vaak: wat ben jij een geweldige vent. Wat een grandeur! De feesten die hij gaf voor mensen uit de culturele wereld, het zakenleven, de media, de hele elite – dat was voor mij nieuw. De mannen in jacquet, de vrouwen in eveningdress – voor mij was het één groot spel met identiteiten. Maar we kregen er ook ruzie over, want Pim wilde dat ik eraan meedeed. Ik wilde die rol best een keer spelen, ik wilde niet zelf zo zijn. Ga een eind heen zeg. I know how to have a conversation, maar niet als verplichting.

„Gelukkig was er ook de anarchistische Pim, die zo iemand het zwembad induwde als het gesprek hem niet beviel. Ik heb het hem zien doen toen we een keer op een partij in Brasschaat waren. Boem. Plons. Maar in dat anarchisme kon hij ook weer doorslaan. Rood stoplicht? Stond er niet voor hem. Geen alcohol achter het stuur? Honderd kilometer per uur rijden? Gold niet voor hem. Hij maakte zijn eigen regels. Hij stond boven de wet.”

En dat zag hij niet als een dubbele moraal?

„Hij voelde zich een vader. En een vader mag meer dan de anderen. De andere kant was dat hij altijd wilde helpen, wilde zorgen. Hij regelde werk voor mensen, hij adviseerde, hij gaf geld, hij deed alles voor je als hij iets in je zag.”

Ari Versluis is altijd op zoek naar mensen die op elkaar lijken. Maar iemand als Pim Fortuyn, zegt hij, is hij nooit meer tegengekomen. „Dat was een groot deel van mijn fascinatie voor hem. Dat hij zo uniek was. Mij noemde hij waterverf, om mijn vermogen om me te mengen in andere groepen. Dat fascineerde hem. En het maakte hem boos, omdat hij me niet kon vangen. Maar hij noemde me ook bolletje. Ik had in die tijd mijn haar nog gemillimeterd. Dat vond hij lief.”

Ari Versluis was in de auto op weg naar Dordrecht om te fotograferen toen hij op de radio het bericht hoorde dat Pim Fortuyn was doodgeschoten. Hij reed tien keer de rotonde bij de Van Brienenoordbrug rond en toen besloot hij naar de man te gaan die lang de chauffeur van Pim Fortuyn was. Met hem en diens vriend gingen ze naar het huis van Pim Fortuyn, maar ze zagen dat ze er niets te zoeken hadden. Bij leven was Pim Fortuyn al van iedereen geworden. Na zijn dood bleek dat het nog veel erger kon.

Ari Versluis is nog wel naar de uitvaartdienst gegaan. Hij maakte relativerende grappen met Theo van Gogh. Nu fietst hij vaak langs Fortuyns beeld, op weg naar de Hema. Hij ziet dat er elke dag bloemen worden neergelegd. Het doet hem weinig, zegt hij. „Het is Pim niet.”