Windbestuivers, katjesdragers

Eenendertigste deel van een serie over het leven van bekende en onbekende bomen in Nederland.

Een bomenman zei me eens dat een boom alleen maar een constructie is om blad omhoog te brengen. „Een boom zegt tegen de kruiden: „Ik ga lekker boven jullie staan. En dan komt er een andere boom die zegt: en ik ga lekker boven jou staan.”

Afgezien van de constructieve kant zijn bomen gewone bloemplanten. Onze inheemse bomen bloeien zo bescheiden dat je het bijna over het hoofd zou zien, maar zonder bloemen hadden bomen geen bestaan.

Daarmee betreden we meteen de wereld van het mannelijke en het vrouwelijke. Op het niveau van de boom mogen dit soms moeilijk te hanteren begrippen zijn, op het niveau van de bloem zijn ze maar al te adequaat. In het vrouwelijke is er een ovarium, in het mannelijke is er stuifmeel dat doet wat spermatozoïden doen, zij het dat ze de eicel uiteindelijk niet binnenzwemmen maar binnengroeien.

Wat hier inheems is, gaat intussen terug naar de laatste ijstijd, pas zo’n twaalfduizend jaar geleden. Sindsdien heeft zich slechts een beperkt aantal boomsoorten spontaan in de gematigde streken gevestigd. Bert Maes geeft er voor Nederland 30 à 35. Volgens Colin Tudge telt alleen een land als India al ruim vierduizend boomsoorten.

In tropische bossen gaat een boom zo ver mogelijk bij soortgenoten vandaan staan (om het werk van parasieten te bemoeilijken). In de tussenruimte verdringen zich andere boomsoorten. Bestuiving vergt dan een gerichte aanpak. Uitbundige bloemen fungeren als wegwijzers voor insekten, vogels, vleermuizen of apen. Als je bij ons zulke uitbundig bloeiende bomen ziet (magnolia, paardenkastanje, tulpenboom), weet je eigenlijk direct dat het exoten zijn.

Bij ons: winderige vlaktes, bomen van weinig soorten, vaak in aanzienlijke aantallen bij elkaar. Bestuiving kan dan aan het toeval worden overgelaten: windbestuiving. Daarom leven onze bomen in de regel als katjesdragers. Katjes zijn snoeren van sterk vereenvoudigde bloemen, niet meer dan een schubje met één of twee meeldraden of gewoon een vruchtbeginsel zonder enige versiering.

Vanwege de gelijkenis met de kegels van coniferen, werden deze katjes aanvankelijk als primitief beschouwd; in oude plantkundeboeken staan katjesdragers vooraan bij de loofbomen.

Met primitief wordt in de biologie overigens niets negatiefs bedoeld. Primitief betekent dicht bij het oorspronkelijke bouwplan. Eerder met bewondering dus: coniferen zijn de primitiefste bomen van allemaal.

Maar in feite zijn katjes in hun eenvoud zeer geavanceerd, no-nonsense van nature. Vanuit de boom bezien: alle energie die je bespaart op je geslachtsleven, kun je aan iets anders besteden.

Neem nu de iep (voor zover nog aanwezig). De iep heeft zijn vruchten al klaar in maart, groene schijfjes, net of hij dan al in blad staat. Maar hij heeft zijn zaden gevormd én verspreid voordat hij werkelijk in blad komt – kennelijk met zorgvuldige gelabelde energievoorraden van een eerder jaar.

Bomen als hazelaar, els, wilg en berk bloeien wat later, maar nog altijd vóór ze in blad komen. Ook de es (bloemen niet in katjes maar bundels, even eenvoudig) doet het zo. Zo zitten windbestuivers zichzelf niet met hun blad in de weg. Maar voor beuken en eiken schijnt dat weer geen enkel bezwaar te zijn; hun bloemen komen tegelijk met het blad. Beuken en eiken, zelfs de reuzen onder hen, bloeien zo dat het niemand hoeft op te vallen. Ze lijken hun seksualiteit in een victoriaanse sfeer te beleven.

Geslachtelijke voortplanting is de aanjager van de evolutie. Zo hebben allerlei plantenfamilies in de loop van pakweg driehonderd miljoen jaar bomen voortgebracht. Maar lang niet al deze families werden gedreven door de ambitie om van laag naar hoog te gaan. Veel kruiden zijn van later datum dan aanverwante bomen.

Er zijn dus kruiden die antwoorden: jullie bekijken het maar met al dat hout, wij redden ons wel zonder.

Koos van Zomeren

Met dank aan Frits van Beusekom, botanicus te Rosnay (Frankrijk). In de botanie wordt ‘kruiden’ als verzamelnaam voor niet-houtige planten gebruikt.