Wacht op ons teken

Jord Schaap: Het recht om te waarschuwen. Over de Radio Oranje-toespraken van koningin Wilhelmina. Anthos, 320 blz, €19,95

„Gij moet wachten op het teeken der overwinning, dat natuurlijk van hier zal komen, als de tijd voor bevrijding rijp is”, zei koningin Wilhelmina op 30 juli 1941 in een toespraak voor Radio Oranje, de zender die in bezet Nederland alleen clandestien kon worden beluisterd. En op 28 november van dat jaar prees ze het „taai, lijdelijk verzet” van haar onderdanen, maar voegde daar waarschuwend aan toe: „Meer kunt u voor het oogenblik niet doen! Onthoudt u van overijlde handelingen!”

Was dit de taal van de koningin die de geschiedenis is ingegaan als de enige vent van de Nederlandse regering in ballingschap in Londen? Dezelfde koningin die volgens haar biograaf Cees Fasseur is blijven voortleven als ‘de strijdbare oorlogskoningin [...] die met hoge stem en gebalde vuist voor Radio Oranje opriep tot het verzet tegen nazi-Duitsland’? De werkelijkheid was, op zijn minst, genuanceerder, betoogt Jord Schaap in Het recht om te waarschuwen, een tekstanalyse van de 31 toespraken die Wilhelmina heeft gehouden, en een poging om te begrijpen waarom ze destijds zei wat ze heeft gezegd. En ook waarom ze tegelijk zo veel ongezegd heeft gelaten.

Het boek is een bewerking van de doctoraalscriptie die Schaap schreef ter afsluiting van zijn studie communicatie- en informatiewetenschappen. In woordkeus en systematiek zijn daarvan nog sporen te vinden. Als de auteur bijvoorbeeld bedoelt dat de vorstin een tekst uitspreekt, schrijft hij dat er ‘taalhandelingen worden voltrokken’. Ook heeft hij de neiging zichzelf vaak te herhalen. Maar dat maakt zijn publicatie niet minder nuttig en verhelderend. Schaap gaat immers, anders dan anderen die over Wilhelmina’s oorlogsreputatie schreven, terug naar de authentieke teksten. Daarvan zijn er hier 23 in extenso afgedrukt en vier volledig te horen op een cd achterin het boek. De lezer kan zodoende meedenken met de onderzoeker en desgewenst zijn eigen conclusies trekken.

Veel aandacht gaat vanzelfsprekend uit naar de ondergeschikte rol die de jodenvervolging in die toespraken heeft gespeeld. Drie keer heeft ze die, min of meer in het voorbijgaan, genoemd. In hedendaagse ogen lijkt dat weinig, maar volgens Schaap liep ze daarmee wel in de pas met haar geallieerde bondgenoten. Hun militaire strategieën waren in de eerste plaats bedoeld om de bezette landen te bevrijden – niet om de joden te redden. Wel vindt Schaap het opmerkelijk dat Wilhelmina die drie keer steeds in de derde persoon over „onze joodsche landgenooten” sprak. Alsof het anderen waren dan de luisteraars die ze rechtstreeks met ‘U’ aansprak. De vraag of dat meer dan toeval is, laat de communicatiewetenschapper onbeantwoord.