Vorm voor de verbijstering

De historicus Saul Friedländer schreef een tweedelige studie over de Holocaust, die meteen is uitgeroepen tot standaardwerk. Het boek gaat ook over zijn eigen geschiedenis. ,,Ik moet de nadruk leggen op het onbevattelijke van de Holocaust. Ik kan niet anders.’’

Saul Friedländer Foto Ido de Haan Haan, Ido de

‘Soms is het beter niet teveel woorden te gebruiken, maar de getuigen van de jodenvervolging voor zichzelf te laten spreken,’ zegt historicus Saul Friedländer, op zijn werkkamer van de Universiteit van California, Los Angeles, waar hij sinds 1987 is aangesteld op een leerstoel in Holocaust studies.

Hij geeft een voorbeeld uit zijn onlangs gepubliceerde The Years of Extermination, het tweede en laatste deel van zijn studie ‘Nazi Germany and the Jews’. Emanuel Ringelblum, chroniqueur van de ondergang van het getto van Warschau, schrijft op 10 mei 1941 hoe Duitse toeristen zich vergapen aan de slachtoffers: ‘De meeste van hen tonen in het geheel geen medelijden met de joden. Integendeel, sommige van hen schijnen van mening, dat het sterftecijfer onder de joden te laag is. Anderen maken allerlei foto’s. De schuur waarin overdag talloze lijken liggen, die erop wachten om ‘s nachts begraven te worden, is uitzonderlijk geliefd.’

,,Het zijn de details in dergelijke getuigenissen’’, zegt Friedländer, ,,die vorm geven aan het ongeloof dat we ervaren als we met de Shoah worden geconfronteerd. De stem van de getuigen snijdt door de zelfvoldaanheid van de historicus, die de geschiedenis nu eenmaal, als het ware, moet temmen. Maar de geschiedenis van de massamoord op de Europese joden laat zich niet beschrijven als business as usual. Je kan niet voorbijgaan aan het onbevattelijke ervan. Dat is wat ik met dit boek beoogd heb: de Holocaust zo te beschrijven, dat de geschiedenis inzichtelijk wordt gemaakt, zonder het onvoorstelbare ervan teniet te doen.’’

Net zoals het eerste deel van Nazi Germany and the Jews, over de periode van Hitlers machtsgreep in 1933 tot het uitbreken van de oorlog in 1939, dat tien jaar geleden uitkwam en met een aantal grote prijzen werd bekroond, is ook het tweede deel met grote waardering en bewondering ontvangen. In Duitsland, waar de vertaling al afgelopen najaar werd uitgebracht, verschenen unaniem lovende recensies. De eerste oplage was binnen tien dagen uitverkocht, de lezingentour die Friedländer ondernam trok volle zalen, en het boek werd bekroond met de prijs van de Leipziger Buchmesse. Meer nog dan het eerste deel, maakt dit tweede deel grote indruk door de stemmen van de getuigen die het verhaal van de Holocaust vertellen.

Terwijl eerdere geschiedenissen van de jodenvervolging het perspectief van de vervolgers centraal stelden, legt Friedländer de nadruk op de getuigenissen van de vervolgden. Hij verzet zich tegen de aanpak van Raul Hilberg, de auteur van de eerste omvangrijke geschiedenis van de Holocaust, The Destruction of the European Jews (1961), die uitsluitend officiële documenten als geldige bron accepteerde. Friedländer citeert ook uitgebreid uit teruggevonden dagboeken en andere egodocumenten, geschreven in de jaren van vervolging en vernietiging, waaruit onveranderlijk het ongeloof en de verbijstering spreken over de misdaad die zich aan het voltrekken is.

Voordat Friedländer dit boek kon schrijven, moest hij eerst greep krijgen op zijn eigen verleden. In 1978 publiceerde hij in het Frans zijn herinneringen aan zijn kindertijd, Quand vient le souvenir, waarin het gefragmenteerde karakter van de tekst de breuken in zijn bestaan weerspiegelde. Hij werd geboren in 1932 in Praag, als zoon van een verzekeringsklerk. Zijn voornaam luidde toen nog Pavel. Zijn ouders vluchtten in 1939 naar Frankrijk. Toen de nazi’s ook daar doordrongen, brachten zij hun zoon onder in een klooster, terwijl ze zelf probeerden te vluchten naar Zwitserland. Net als vele anderen werden zij aan de Zwitserse grens opgepakt, gedeporteerd en vermoord in Auschwitz. Pas in 1946 hoorde Paul, zoals de katholiek opgevoede jongen nu heette, van hun dood. Hij omarmde het jodendom en het zionisme en vertrok in 1948 naar Israël, waar hij als Shaul meevocht in de Onafhankelijkheidsoorlog. Later ging hij naar de Verenigde Staten, studeerde hij in Genève, en werkte hij, als Saul, in Zweden, Israël en Californië. ,,Ik had al een paar keer geprobeerd mijn herinneringen op papier te krijgen, maar het lukte me niet, het bleef een dood verhaal. Pas toen ik het opschreef in een brief aan een van de monniken uit het klooster waar ik was opgegroeid, kwam er leven in. Het was nodig om het op te schrijven, om zo samenhang te geven aan mijn verbrokkelde leven, met al die verschillende namen.’’

De vraag naar de betekenis van persoonlijke herinneringen voor geschiedschrijving vormde ook de aanleiding tot zijn nu voltooide studie naar nazi-Duitsland en de joden. In het midden van de jaren tachtig raakte Friedländer in discussie met de historicus Martin Broszat, de toenmalige directeur van het Institut für Zeitgeschichte in München. Broszat had gepleit voor een ‘normalisering’ van het nationaal-socialistische verleden. ,,Een voorstel dat zijn pendant had in de televisieserie Heimat van Edgar Reitz’’, meent Friedländer. ,,Niet alleen zou de Holocaust een marginale rol in zo’n geschiedenis spelen, maar Broszat beweerde ook dat de herinnering van slachtoffers een ‘mythische herinnering’ was, die een rationele geschiedschrijving in de weg stond. Ik wilde laten zien dat een geschiedschrijving van nazi-Duitsland, met daarin een grote plaats voor de getuigenis van joodse slachtoffers niet alleen mogelijk, maar ook noodzakelijk is om het onvoorstelbare karakter van de Holocaust over te brengen.’’

Dit uitgangspunt resulteerde in de twee delen van Nazi Germany and the Jews, waarin de beschrijving van het Duitse vervolgingsbeleid wordt afgewisseld met de waarneming en de houding van slachtoffers, omstanders, maar ook van daders. ,,Ik heb vooral gebruik gemaakt van dagboeken, en veel minder van memoires, die een achteraf bewerkt beeld geven. Bovendien heb ik veel dagboeken van kinderen of jonge volwassenen gebruikt, die meer naïviteit vertonen en onbevangener opschrijven wat ze zien. Dat geldt bijvoorbeeld veel minder voor iemand als Etty Hillesum, die ik toch niet wilde weglaten, maar die op sommige momenten duidelijk uit is op literair effect.’’

Ook de stem van daders is te horen. ,,In de brieven van soldaten wordt opmerkelijk onaangedaan bericht over de gruwelen waaraan ze deelnemen. ‘Als je me niet gelooft, zal ik de volgende keer foto’s meesturen’, schrijft een van de soldaten aan zijn familie thuis. Anderen steken de draak met hun slachtoffers, zeggen dat er weer joden aankomen, op weg om hun ‘Heldentot’ te sterven. Die authenticiteit is zelfs nu en dan te vinden in de dagboeken van Goebbels. Die zijn weliswaar voor een groot deel geschreven om zijn faam voor het nageslacht vast te leggen, maar nu en dan klinkt daar ook een authentiekere stem in door, zoals wanneer hij zegt dat de nazi’s zo’n morele last op hun schouders hebben geladen, dat ze de oorlog maar beter kunnen winnen, anders zouden ze er vreselijk voor gestraft worden.’’

Zoals de Duitse historicus Dan Diner in een bespreking opmerkte, is het nu verschenen tweede deel van Nazi-Germany and the Jews opgezet als een kroniek, maar tegelijk geschreven alsof het een film is, met harde cuts tussen de opeenvolgende scènes. Friedländer heeft lang gezocht naar die vorm. ,,Voor een deel is dat een manier om het onsamenhangende en ondoorzichtige karakter van de Holocaust te benadrukken. Maar het was daarnaast vooral een manier om de gelijktijdigheid van de gebeurtenissen te tonen. Het heeft lang geduurd voor ik daarvoor de goede vorm gevonden had. Anders dan in het eerste deel, waarin er een eenheid van plaats en handeling was in de beschrijving van de vervolging binnen nazi-Duitsland in de jaren dertig, moest ik in dit tweede deel een proces beschrijven dat zich in allerlei landen in Europa tegelijk afspeelde. Door scènes zo naast elkaar te zetten kan je zien dat wat er bijvoorbeeld in Amsterdam gebeurt een tegenhanger heeft in Warschau.’’

Er was wel samenhang, maar geen masterplan voor de Holocaust, onderstreept Friedländer. ,,Ik vat het altijd samen in een formule: zonder Hitler geen Holocaust, maar zonder een bevolking die ontvankelijk was voor zijn ideeën òòk geen Holocaust. Er bestond overal in Europa een wijd verbreid antisemitisch gedachtengoed, dat door de propaganda van nazi’s werd uitvergroot. Je kan het zien aan antisemitische propagandafilms als Jud Süss, die grote bijval kregen, maar ook aan de brieven van soldaten, die in hun uiteenzettingen verwijzen naar de rabiate nazi-krant Der Stürmer. Er zijn zeker diepere psychologische motieven aan te wijzen voor die opmerkelijke angst voor joden, maar het voortdurende hameren op het gevaar van de joden, werd in de propaganda ook bewust ingezet om de bevolking te mobiliseren. Juist op het moment dat de militaire campagnes vastlopen, aan het eind van 1941, treedt er een enorme radicalisering op in de antisemitische propaganda. Dat is ook het moment, ergens in de tweede week van december 1941, waarop wordt besloten tot de Endlösung. Ik ben het wat dat betreft niet eens met mijn collega Christopher Browning, die meent dat nazileider Heydrich al in juli 1941 een soort ‘haalbaarheidsstudie’ zou hebben verricht. Op de Wannsee-conferentie, waar de beslissing is genomen over te gaan tot massamoord, was Heydrich volledig onvoorbereid.

,,De antisemitische propaganda werkt ook door in andere delen van Europa, ook in Nederland. Je ziet het bijvoorbeeld aan Anne Frank, die op een gegeven moment schrijft dat het antisemitisme sterker is geworden en betwijfelt of er na de oorlog nog wel plaats is voor haar in Nederland. In de eerste anderhalf jaar was er in Nederland opvallend veel protest tegen de jodenvervolging, meer dan elders. Maar daarna lijkt er een grotere passiviteit en terughoudendheid te ontstaan. Onderduiken was lastig, maar Nederland is ook maar een klein land, zonder bergen, dus het was moeilijk.’’

Een van de thema’s waarmee Friedländer zich al vanaf het begin van zijn carrière heeft bezig gehouden is de rol van de kerken. ,,Ik geloof dat ik harder in mijn oordeel ben geworden. Er waren weliswaar individuele leden van de kerken die hulp boden, maar als institutie lieten de kerken het volledig afweten. Wat de katholieke kerk betreft geldt dat niet alleen paus Pius XII, wiens rol ik al in de jaren zestig had onderzocht. Hij gaf de bisschoppen de vrije hand te bepalen welke houding ze wilden innemen, maar in de meeste gevallen onthielden zij zich ook van protest. Pius XII was een tamelijk zwakke figuur, hij volgde eerder een trend, dan dat hij daarin voorging.’’

‘Teleurstellend’ noemt Friedländer het volledig ontbreken van onderlinge solidariteit onder joden. Terwijl hechte, kleine groepen, zoals zionisten of religieuze groeperingen wel voor elkaar opkwamen, bleken joden uit verschillende landen steeds weer bereid elkaar op te offeren. ,,In Nederland was de Joodse Raad onaangenaam verrast toen bleek dat niet alleen Duitse joden, maar ook Nederlandse joden gedeporteerd zouden worden. En dat ging zo overal in Europa: solidariteit was er alleen voor de goede tijden.’’

Aan het eind van het boek noemt Friedländer de namen van de joodse getuigen die hij in zijn betoog heeft geciteerd, en die de nazi-tijd niet hebben overleefd. ,,Rechtlijnige historici hebben het mij verweten dat ik zo sterk de nadruk heb gelegd op het onbevattelijke van de Shoah. Maar ik kan niet anders, misschien omdat ik zelf deel uitmaak van die geschiedenis. Je moet als historicus naar je beste kunnen wetenschappelijk onderzoek doen, maar er is een deel van deze geschiedenis dat zich niet laat bevatten. Het zijn de getuigenissen van de vervolgden die daar stem aan geven.’’

Saul Friedländer: The Years of Extermination. Nazi Germany and the Jews, 1939-1945. Harper Collins, 896 blz. € 54,99De Nederlandse vertaling verschijnt in september bij Nieuw Amsterdam samen met het eerste deel van ‘Nazi-Duitsland en de joden’, in één band van circa 1400 pagina’s.