Sommige claims verjaren niet

Rudi Ekkart is de ontwerper van het Nederlandse beleid voor de teruggave van oorlogskunst. Volgens hem heeft de overheid zich op een loze manier afgemaakt van de claim op de Malevitsjcollectie van het Stedelijk Museum. „Zoiets mag niet meer gebeuren.”

Rudi Ekkart, 59 jaar, gehuwd, twee dochters, kunsthistoricus. Internationaal vermaard specialist op het gebied van de Hollandse portretkunst met een hele lijst publicaties over dit onderwerp op zijn naam. Zojuist heeft hij twee artikelen afgerond voor de catalogus bij de expositie van zeventiende-eeuwse portretten die in juni opent in de Londense National Gallery en in het najaar in het Mauritshuis. Vorig jaar publiceerde hij een boek over de schilder Tibout Regters (1710-1768) die met zijn vele portretten en conversatiestukken inkijkjes geeft in het dagelijks leven van de Hollandse burgerij uit de pruikentijd.

„Dat schrijven”, zegt Ekkart, „is vrijetijdsbesteding.” Is hij een studeerkamergeleerde? „Mmm, ja, een beetje wel. Maar ik ben toch iemand die door zijn werk met beide benen in de volle wereld staat.”

Zijn werk. Ekkart is sinds 1990 directeur van het Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie (RKD) in Den Haag. Hij is ook hoogleraar aan de Universiteit Utrecht in ‘De methodologische aspecten van de kunsthistorische documentatie’: „Een prachtig titel die ik altijd vergeet.”

En hij is, al tien jaar, ‘de man van de oorlogskunst’. Als voorzitter van de Commissie Herkomst Gezocht zorgde Ekkart dat 4700 kunstwerken uit de rijkscollectie aan een uitvoerig onderzoek werden onderworpen. Deze kunstwerken waren in de Tweede Wereldoorlog in handen gekomen van de Duitsers. Na de oorlog werden ze teruggehaald naar Nederland en toegevoegd aan de collectie van het rijk. Van al deze schilderijen, tekeningen en andere kunstvoorwerpen werd uitgeplozen of ze uit geroofd joods bezit kwamen en of de Nederlandse staat ze zich niet ten onrechte had toegeëigend. Als dat het geval bleek, dan moesten ze nu alsnog terug naar de oorspronkelijke eigenaren of hun erfgenamen. (zie kader) Ekkart ontwierp hiervoor een geheel nieuw restitutiebeleid dat door de regering werd overgenomen. Inmiddels zijn zo’n 500 werken teruggegeven, waaronder de 202 schilderijen uit de Goudstikkercollectie.

Hij noemt zijn adviseurschap voor oorlogskunst ‘slechts een nevenfunctie’. Maar wel een die hem steeds in het nieuws brengt en waarmee hij vaak vereenzelvigd wordt. Is dat niet vervelend? „Ja, het schept een wat eenzijdig beeld.” Toch praten ook wij eerst over die oorlogskunst.

Ik spreek Ekkart op de dag dat Marei von Saher, erfgename van de Nederlandse kunsthandelaar Jacques Goudstikker, in New York 45 van de 202 schilderijen laat veilen. Bij de overdracht van de Goudstikkercollectie heeft de regering geprobeerd een aantal topstukken voor Nederland te behouden door ze aan te kopen. Dat lukte maar met vier schilderijen en bepaald niet de belangrijkste. De landschappen van Salomon van Ruysdael, Claude Lorrain en Jan Mostaert waren er bijvoorbeeld niet bij. Hoe komt dat? Ekkart, die nauw betrokken was bij deze onderhandelingen, zegt: „De regering heeft de erven Goudstikker een lijst voorgelegd van werken die Nederland graag zou kopen. Die lijst omvatte veel meer dan die vier gekochte stukken. Vervolgens hebben de erven aangegeven welke schilderijen bespreekbaar waren en daar is de aankoop van die vier uit voortgekomen. Er is afgesproken dat we zwijgen over de niet-gerealiseerde wensen van Nederland, maar wat er verder op die lijst stond, laat zich wel raden. Het doel van Marei von Saher en haar adviseurs is een reizende expositie van werken die representatief zijn voor de Goudstikker-collectie. Dan kan ik wel begrijpen dat ze de sleutelstukken bij het geheel wil houden.”

In februari dreigde een van Von Sahers advocaten beslag te leggen op de Goudstikkercollectie als zijn honorariumeis van 12 miljoen euro niet werd ingewilligd. De strijd liep uit op een rechtszaak en daarbij werd duidelijk dat 60 procent van de waarde van de collectie (die op 100 miljoen wordt geschat) naar de advocaten en adviseurs van Von Saher gaat. Na die rechtszaak sloeg de publieke opinie om en kwamen er protesten tegen de teruggave. Ekkart: „Die honorariumkwestie heeft de zaak veel kwaad gedaan. Het idee ontstond dat de ruif door buitenstaanders werd leeggegeten. Dat is pijnlijk, zo wordt de zinnigheid van dit rechtsherstel in de publieke opinie ondergraven. Als mensen kunstwerken terugkrijgen, dan is het hun meer dan goede recht om die te verkopen, dat geldt ook voor Von Saher. Het is voor mij geen teken dat het die mensen alleen om het geld gaat.”

De commissie Ekkart

adviseerde de regering in 2001 om niet alleen kunstwerken terug te geven die de joden in Nederland tijdens de oorlog aan de Duitsers zijn kwijtgeraakt, maar ook kunstwerken die vanaf 1933, toen Hitler aan de macht kwam, door joden uit Duitsland van de hand zijn gedaan. Vaak gebeurde dat immers onder druk van de omstandigheden. Uit dit vooroorlogse Duits-joodse bezit zijn enkele schilderijen later terecht gekomen in onze rijkscollectie. Die worden nu door erfgenamen geclaimd. Het is niet ondenkbaar dat zich ook in de handelsvoorraad van Jacques Goudstikker uit 1940 schilderijen van Duitse joden bevonden omdat Goudstikker in de jaren dertig regelmatig kunst inkocht op Duitse veilingen. Maar volgens Ekkart is de kans klein: „Ik kan het niet uitsluiten, maar bij ons herkomstonderzoek hebben we ook naar de jaren dertig gekeken. Die Duitse veilingen vermeldden bijna altijd de naam van de inbrengers. Van de stukken die daar door Goudstikker gekocht zijn, konden we dus zien van wie ze afkomstig waren.”

Het advies om kunstverkopen door Duitse joden vanaf 1933 als ‘onvrijwillig’ te bestempelen, waardoor ook zij hun vroegere bezit nog kunnen claimen in Nederland, werd door de regering in 2001 slechts schoorvoetend overgenomen. Juist dit advies blijkt nu grote gevolgen te hebben voor de Nederlandse musea. In 1999 deden de musea al een onderzoek naar de herkomst van hun aanwinsten tussen 1940 en 1948. Nu wil het ministerie van OCW dat de musea alles wat na 1933 verworven is onder de loep nemen, dus ook recente aanwinsten. Ekkart: „Ja, dit nieuwe onderzoek omvat veel meer dan het vorige: van elk voorwerp dat sinds 1933 aan de museumcollecties is toegevoegd moet worden nagegaan of het tussen 1933 en 1945 in joods bezit is geweest. Ik heb eens even bij een paar goed gedocumenteerde musea een quick scan uitgevoerd. Bij een schilderij dat bijvoorbeeld in 1960 verworven werd uit oud familiebezit, is er weinig reden tot zorg, maar ik zag dat voor zo’n 40 procent van alles wat na 1933 in het bezit kwam van musea een serieus onderzoek noodzakelijk is.” Hoelang dit onderzoek zal duren, wie het gaat betalen en hoe het wordt opgezet, is nog onbekend. De Nederlandse Museum Vereniging is in principe bereid om het te begeleiden, maar wil eerst kijken wat het precies inhoudt en hoe de musea er zelf tegenover staan.

Volgens Ekkart zullen de musea er niet onder uit kunnen: „Ze krijgen de komende tijd hoe dan ook nog claims op hun dak. Daar zullen ze een antwoord op moeten hebben.” Hij is er zeker van dat bij het nieuwe onderzoek ‘weer dingen boven water komen met een beladen herkomst’: „Daar kunnen zaken bij zijn die een enorme impact hebben voor de musea.”

Op mijn vraag of van de musea wordt verwacht dat ze zelf erfgenamen opsporen voor kunstwerken die van joden geroofd blijken te zijn, antwoordt hij beslist: „Persoonlijk vind ik dat musea bij flagrant ernstige gevallen de morele plicht hebben om dat te doen. Als bijvoorbeeld van een schilderij dat in 1980 werd aangekocht duidelijk wordt dat de Duitsers het in 1943 hebben geconfisqueerd, ben je niet klaar met die constatering.”

Aan de ene kant moeten

de Nederlandse musea hun collecties dus omspitten op zoek naar kunstwerken die in de nazitijd afhandig zijn gemaakt van joden en gaat de regering geen zee te hoog om dit onrecht te herstellen. Aan de andere kant is er de claim op de Malevitsjcollectie in het Stedelijk Museum. Die collectie raakte door het stalinisme uit het bezit van de erven Malevitsj. In de jaren zeventig, toen deze zaak nog niet was verjaard, klopten zij aan bij de Nederlandse regering, maar vingen bot. Ook latere pogingen om hun rechten kenbaar te maken werden afgewezen. Wordt hier niet met twee maten gemeten?

Ekkart: „We stellen die herkomstonderzoeken juist in om te zorgen dat we ons niet meer op een loze manier afmaken van kunstclaims en claimanten niet meer zomaar het bos in sturen.” Dus hij vindt dat de overheid zich op een loze manier heeft afgemaakt van de claim op de Malevitsjcollectie in Amsterdam? „Ja”, zegt Ekkart, „en zoiets mag nu niet meer gebeuren.”

De erven Malevitsj spanden uiteindelijk in de Verenigde Staten een rechtszaak aan tegen de gemeente Amsterdam. De gemeente beroept zich erop dat de zaak inmiddels is verjaard. Maar bij de claim van de Nederlandse staat op de Koenigscollectie in Rusland, speelt verjaring geen rol. Nog zo’n ongerijmdheid. Hoe zit dat?

Ekkart: „De Koenigscollectie wordt al heel lang door Nederland geclaimd en een verjaring hoeft oude claims niet te ontkrachten. Ja, dat geldt ook voor de claim op de Malevitsjcollectie: als er geen poging tot een fatsoenlijke oplossing is geweest kan je zo’n claim niet verwerpen onder het motto: die is intussen verjaard.”

Op advies van de commissie Ekkart besloot de regering in 2000 dat bij de behandeling van claims op oorlogskunst de juridische verjaringstermijn van twintig jaar geen rol zou spelen. Zo werd het mogelijk om na de oorlog gemaakte fouten bij de teruggave alsnog te ‘repareren’. Toch vind hij dat die claims niet eeuwig door kunnen gaan: „Soms heb je nu al te maken met erfgenamen uit de vierde hand, met een achterneef van de vroegere schoonzuster van de eigenaar van een schilderij. Dat is een indicatie dat er een eind aan moet komen. Voor de rijkscollectie zijn claims nu een aflopende zaak, maar voor de musea nog lang niet.”

In het algemeen pleit Ekkart voor een verlenging van de verjaringstermijn bij geroofde kunst van twintig naar vijftig jaar. „Maar die termijn zou dan ook moeten gelden voor staten onderling. Als we niet uitkijken gaan we wereldoorlogen over kunst uitlokken. In 1795 hebben de Franse troepen veel kunst gestolen uit onze stadhouderlijke collectie en overgebracht naar het Louvre. Tientallen stukken verdwenen vandaar naar Franse musea in de provincie en die hebben we nooit teruggekregen. En waarom hangen die schilderijen van Jeroen Bosch eigenlijk in het Prado? Die moeten we maar eens opeisen. Als we zo gaan redeneren is het eind zoek. Er moet dus ergens een grens zijn.”

Soms verschuift Ekkart

zwijgend een stapeltje papier, of hij zegt zuinigjes: „Laat ik het zo uitdrukken...” Maar meestal neemt hij geen blad voor de mond. Opmerkelijk, voor een Haagse ambtenaar. „Ik ben helemaal geen ambtenaar”, roept hij. „Het RKD is in 1995 verzelfstandigd tot een stichting en ik ben dus onafhankelijk.”

Als hij eenmaal over zijn Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie begint, is hij niet meer te stoppen. Het RKD, die al sinds 1932 bestaat, is net verhuisd naar een andere locatie in het gebouw van de Koninklijke Bibliotheek. Ekkart popelt om het documentatie- en onderzoekcentrum de komende jaren ‘tot een eenheid te smeden’: „Het RKD heeft de grootste beeldbank ter wereld van Nederlandse beeldende kunst. Maar ook de afdeling Buitenland die alleen al zo’n drie miljoen foto’s en plaatjes beheert, is internationaal van grote betekenis. De digitalisering maakt veranderingen noodzakelijk: we kunnen niet eindeloos doorgaan met plaatjes knippen en in mappen stoppen, we moeten weten welke informatie sneller op internet te vinden is. En we moeten onze eigen gedigitaliseerde bestanden afstemmen op die van kunsthistorische instellingen in het buitenland.”

Rudi Ekkart komt niet uit een kunstzinnig milieu, zijn vader was gemeenteambtenaar in Den Haag. Maar zijn belangstelling voor kunstgeschiedenis ontstond toch al op de lagere school: „Ik was toen tweemaal lang ziek, ik was een lezertje en ik verslond de serie Prismaboekjes over kunst.” Als puber sleepte hij zijn ouders mee naar musea, ‘in plaats van andersom’, en toen hij zijn eindexamen gymnasium deed had hij al ‘die afwijking die sommige van mijn collega’s ook hebben’: „In die tijd was ik al een klein RKD-tje aan het maken en had ik mijn eigen plaatjesverzameling.”

Tijdens zijn studie kunstgeschiedenis raakte hij gefascineerd door de portretkunst: „Ik merkte dat daar weinig interesse voor was. Over een zeventiende eeuwse schilder als Johannes Cornelis Verspronck bleek nauwelijks iets zinnigs geschreven en dat gold ook voor andere Nederlandse portrettisten met wie ik me intensief ben gaan bezighouden. In de jaren zeventig werd ik een beetje voor een idioot versleten, maar later is de belangstelling voor portretten wel degelijk gegroeid en kwam er een inhaalslag. De portretten van Tibout Regters, waarover ik nu een boek heb geschreven, leerde ik kennen toen ik als student-assistent meewerkte aan de catalogus van de portrettencollectie van de Leidse universiteit. Regters liet me niet meer los, ik heb geprobeerd zijn hele oeuvre te reconstrueren. Zijn portretten van nette dames en bepruikte heren zijn vaak wat stereotiep, maar soms hebben ze ineens een eigen karakter en persoonlijkheid. Dat boeit me.”

Ekkart beseft dat zijn ‘nevenfunctie’ als oorlogskunst expert nooit helemaal voorbij zal zijn. Eind dit jaar wordt het Bureau Herkomst Gezocht, waar hij nu nog de leiding van heeft, opgeheven en wordt de verzamelde documentatie overgedragen aan het Nationaal Archief. „Maar ik ben me ervan bewust dat er een lange nasleep zal zijn en dat ik door de deskundigheid die ik heb ontwikkeld nog jarenlang uit binnen- en buitenland vragen voorgelegd zal krijgen over de door de nazi’s geroofde kunst.”

Rudi Ekkart, ‘Tibout Regters (1710-1768). Schilder van portretten en conversatiestukken’, Primavera pers, €32,50.