Praat nooit over de politiek

Het is buitengewoon lastig om de publieke opinie te onderzoeken in een totalitaire staat, zoals nazi-Duitsland. Toch moet dat gebeuren om erachter te kunnen komen wie wat wanneer wist van de staatsterreur.

Peter Longerich: ,,Davon haben wir nichts gewusst!” Die Deutschen und die Judenverfolgung 1933-1945. Siedler, 448 blz, € 24.95

Frank Bajohr en Dieter Pohl: Der Holocaust als offenes Geheimnis. Die Deutschen, die NS-Führung und die Alliierten. C.H. Beck, 156 blz, € 18.90

Anna Timmerman: Machteloos? Ooggetuigen van de jodenvervolging. Athenaeum–Polak & Van Gennep, 288 blz, € 17,50

J.C.H. Blom: In de ban van goed en fout. Geschiedschrijving over de bezettingstijd in Nederland. Boom, 182 blz, €19,50

‘Morgen ga ik naar Engeland’, schreef Christopher Isherwood aan het einde van Goodbye to Berlin. Het is maart 1933 geworden, al te triomfalistisch hebben de nazi’s bezit genomen van de Duitse hoofdstad, een fatsoenlijke Engelsman kan daar niet blijven wonen. Na vijf jaar neemt hij afscheid van zijn hospita, Fräulein Schröder, en hij noteert:

‘De arme Frl. Schröder is ontroostbaar: “Een heer als u vind ik nooit meer, Herr Issywoe – altijd zo keurig op tijd met de huur … Ik begrijp echt niet waarom u nu zo ineens uit Berlijn weg wilt…”. Het heeft geen zin haar dat te gaan uitleggen, of over politiek te praten. Ze is zich al aan het aanpassen, zoals ze zich altijd bij ieder nieuw regime zal aanpassen. Vanmorgen hoorde ik haar zelfs eerbiedig over “Der Führer” praten tegen de vrouw van de concierge. Als iemand er haar aan zou herinneren dat ze bij de verkiezingen in november van het vorig jaar op de communisten heeft gestemd, zou ze het waarschijnlijk in alle oprechtheid hartstochtelijk ontkennen. Ze probeert zich alleen maar aan te passen, in overeenstemming met een natuurwet, zoals een dier zijn pels verandert voor de winter. Duizenden mensen als Frl. Schröder passen zich aan. Tenslotte zijn zij, welke regering er ook aan de macht is, gedoemd in deze stad te leven’.

Juffrouw Schröder zal in Berlijn zijn blijven wonen. Zodra ze ‘Herr Issywoe’ vaarwel had gezegd kondigden de nazi’s voor heel Duitsland een semi-officiële boycot af van alle joodse winkels en bedrijven. Misschien heeft ze meegedaan, misschien is ze een kleine joodse spaarbank voor de zekerheid ontrouw geworden. Maar het was nog maar het begin. De boekverbranding moest nog komen, de afkondiging van de Neurenberger Wetten, de inrichting van de eerste concentratiekampen, hele golven van nieuwe antisemitische propaganda na de ‘Anschluss’ van Oostenrijk, de Kristallnacht, de voorbereidingen op een veroveringsoorlog, de jodenster.

Voor al die andere dingen had ze zich misschien nog kunnen afsluiten – te oordelen naar het signalement van Isherwood reikte haar wereld niet veel verder dan de Knesebeckstrasse en ze zal geen grote krantenlezer zijn geweest, en zeker geen abonnee van de Völkische Beobachter. Maar de eerste joodse buurman die met een gele ster op z’n jas door de Knesebeckstrasse wandelde heeft ze kunnen zien – en toen Goebbels in oktober 1941 opdracht had gegeven voor een snelle en efficiënte deportatie van alle 40.000 nog in Berlijn levende joden, moet ze zich, zou je zeggen, toch wel eens hebben afgevraagd waarom de buurman ineens nooit meer voorbijkwam.

Of ging de aanpassing zo ver dat zelfs het zicht de mensen kon ontvallen?

In feite is dat het thema van alle onderzoek naar de morele medeplichtigheid van iedereen, Duits of niet-Duits, die niet werd gezegend met de Gnade der Spätgeburt, die oorlog of bezetting heeft meegemaakt, en in die jaren oud genoeg was om voor z’n gedrag ven z’n keuzes verantwoordelijk gesteld te mogen worden. Het is het thema van het afscheidscollege van de historicus Blom, het thema van de interviews die Anna Timmerman heeft gemaakt met Nederlanders die tussen 1941 en 1944 joden hebben zien wegvoeren, en het thema van twee Duitse boeken met als centrale vraag of Fräulein Schröder van de jodenvervolging had kunnen weten, en wat ze met haar kennis heeft gedaan of nagelaten.

In “Davon haben wir nichts gewusst!” volgt Peter Longerich heel systematisch de maatregelen waarmee de nazi’s van 1933 af hun antisemitische maatregelen stap voor stap ten uitvoer hebben gebracht. En aan het eind van elk hoofdstuk voegt hij daar naar beste vermogen de vermoedelijke reacties van de Duitse bevolking aan toe.

Lastig, dat laatste. In zijn spraakmakende oratie uit 1983 – In de ban van goed en fout – bepleitte hoogleraar Blom onder meer nader onderzoek naar de stemming van Nederlanders in de bezettingsjaren. In z’n onlangs gehouden afscheidscollege, getiteld Een kwart eeuw later. Nog altijd in de ban van goed en fout?, moest hij toegeven dat op dat terrein lange tijd weinig resultaten waren bereikt. En hij vervolgde: ‘Dat ligt ongetwijfeld aan de grote brontechnische problemen die zich bij dit onderwerp voordoen [... ]. De meeste auteurs stellen de stemming wel aan de orde, maar vrijwel steeds zonder daar zelf onderzoek naar te hebben gedaan’.

Hitleriaans

Longerich heeft het geprobeerd, en voor hem moet het nog veel lastiger zijn geweest. Binnen een dictatuur als de Hitleriaanse kon zich tenslotte nauwelijks iets als een publieke opinie ontwikkelen, directe bronnen vielen droog. Langs omwegen, analyses van Duitse én geallieerde persberichten en commentaren, toevallig overgeleverde privébrieven of boodschappen (vooral uit de jaren tussen 1933 en 1938, toen een beperkt aantal Duitsers – denk aan Sebastian Haffner – nog kon reizen of emigreren), komt hij een heel eind, maar het beeld blijft toch schimmig, en als het iets lijkt te bevestigen is het de voorspelling van Isherwood: dat miljoenen Fräuleinen Schröder zich met de grootst denkbare souplesse leerden aanpassen, en de werkelijkheid als het kon liever verdrongen of domweg ontkenden.

Volgens globale schattingen zou de helft van de Duitse bevolking in de oorlogsjaren wel eens naar de BBC hebben geluisterd. Zeker na 1942, toen de krijgskansen waren gekeerd en het geloof in een Duitse overwinning snel taande, zouden gretig door de Engelsen verspreide berichten over de jodenvervolging indruk moeten hebben gemaakt. Maar wist Isherwoods hospita tenslotte precies waar de buurman met de gele ster was gebleven? En had ze op z’n minst kúnnen weten wat er na z’n verdwijning met hem was gebeurd?

Longerich concludeert: ‘De simpelste manier om de werkelijkheid van de Judenfrage te ontlopen, was een houding van voorgewende onverschilligheid, die niet verward mag worden met echte onverschilligheid ten opzichte van de vervolging, maar die eerder moet worden gezien als een poging om zich onder het mom van argeloosheid aan elke verantwoordelijkheid te onttrekken. Het lijkt er op dat de naoorlogse bezweringsformule dat men “er” niets van had geweten, geworteld is in die geoefendheid om de waarheid te ontkennen: om te vluchten in onwetendheid.’

Twee collega’s van Longerich hebben voor hetzelfde thema een meer ‘agressieve’ aanpak gekozen. Hun beide opstellen verdedigen de stelling dat in ieder geval na 1942 steeds grotere groepen Duitsers hebben geweten dat de vanuit heel Europa naar vooral Polen gedeporteerde joden in reusachtige slachthuizen stelselmatig zijn vermoord. De these van Frank Bajohr en Dieter Pohl is een stuk regelrechter geformuleerd dan die van Longerich, die hun conclusies eigenlijk deelt. Niet voor niets hebben de twee hun als een pamflet ogend boekje de provocerende titel Der Holocaust als offenes Geheim meegegeven. Een publiek geheim. Wie daar geen kennis van had genomen, moet zich voor de openbaarheid hebben verscholen als een onderduiker. Of hij loochende wat hij wist.

De tweede stelling van Bajohr en Pohl – en ook die komt in bedekter termen bij Longerich ter sprake – betreft de angst die aan het eind van de verloren oorlog onder de Duitsers groeide voor geallieerde en meer speciaal joodse vergelding. Die angst kon volgens een eenvoudig psychologisch mechanisme alsnog antisemitische sentimenten aanwakkeren, of zelfs doen ontstaan bij mensen voor wie racisme nooit een rol had gespeeld. Bajohr, Pohl én Longerich maken op overtuigende wijze aannemelijk dat het propagandistisch Ardennen-offensief dat Goebbels in de laatste maanden van de oorlog ontketende, daar welbewust op inspeelde.

Het probleem van wat je de ‘afgeleide’ schuld kan noemen speelt een hoofdrol in Machteloos?, een bundel vraaggesprekken met Nederlanders die zich uit hun soms heel vroege jeugd beelden en scènes herinneren van joodse buren, of vrienden of verre familie, die voor hun ogen werden gearresteerd en weggevoerd. Anna Timmerman maakte de gesprekken als medewerkster aan het project van het United States Holocaust Memorial Museum dat wereldwijd getuigenissen over de jodenvervolging verzamelt. Nadat Timmerman in Nederland 33 niet-joodse ooggetuigen had opgespoord en geïnterviewd (alle gesprekken worden voorlopig in Washington bewaard op videotape), besloot ze met nog 13 van hen opnieuw te gaan praten ter wille van een voor iedereen toegankelijk boekje.

Gesprekken

Het zijn ernstige, onopgesmukte, eendimensionale gesprekken geworden, gevoerd en opgeschreven door iemand die het talent voor het (journalistieke) interview niet erg in huis heeft. Maar in een paar gesprekken komen, bijna haars ondanks, herinneringen naar boven die je onmiddellijk associeert met de problemen van aanpassing, verdringing, angst of ook omkering. Zoals in het verhaal van de nu al bijna bejaarde man die altijd de bangigheid heeft onthouden van zijn vader die na de inval van de Duitsers onmiddellijk brak met zijn joodse buren onder het motto: ‘Jodenvrienden worden als joden behandeld’. Of in de bekentenis van iemand (inmiddels in de negentig) die in 1940 bij de Delftse politie kwam, en – bevel was bevel – gedwongen werd hulp te verlenen bij het ophalen van joden. Hij smaalt dat De Jong het allemaal wel mooi heeft opgeschreven, maar: ‘Zo was het ook weer niet. Want De Jong gaat voorbij aan wat er in het hoofd van de agent gebeurt [...] Ik was er bij, dat is waar, maar niet uit vrije wil. Op een bepaalde manier ben ik zelf ook een slachtoffer van die rotoorlog’.

Is er een verschil tussen een Duitser die twaalf jaar Duizendjarig Rijk moest zien te overleven, en een Nederlandse jongen die in de dagen van de Duitse bezetting een politieagent in oorlogstijd werd? Over dit soort morele vraagstukken hield professor Blom zijn afscheidscollege, als een gewetensvol academicus, die alsnog een volle scrupuleuze paragraaf wijdde aan de vraag of hij in z’n oratie van 1983 terecht het begrip ‘accommodatie’ had gebruikt ter aanduiding van een soort compromis, een soort aanpassing die niet ontaard is in collaboratie, en die daar rationeel nauwelijks uitkomt.

Had Isherwoord het in die ene alinea waarin hij de metafoor gebruikte van het dier dat voor de winter van pels verandert, dan niet allemaal al afdoende onder woorden gebracht? Maar Isherwoord was een schrijver. En schrijvers hebben gemakkelijk praten.