Po stond in lente nog nooit zo laag: noodtoestand in Italië

In de Alpen viel deze winter weinig neerslag en april was zo warm dat veel sneeuw al is gesmolten. Noord-Italië kampt nu met droogte. De regering kondigde vandaag de noodtoestand af.

Daar waar het meer van Ceresole had moeten zijn, groeit nu gras. Verderop is dit Alpenstuwmeer ten noorden van Turijn een grote kale zandvlakte. Burgemeester Bruno Mattiet-Renzo is bezorgd. „Er kan 36 miljoen kubieke meter in dit meer, maar er zit maar 7 miljoen in. En dat vlak na de winter.”

Vandaag kondigde de regering de noodtoestand af voor Noord- en Midden-Italië. „Het regent weliswaar, maar volgens de vooruitzichten van de Burgerbescherming volstaan deze buiten niet om het gebrek aan neerslag deze winter te compenseren”, zei minister Milieu Alfonso Pecoraro Scanio vanochtend. De Po stond nog nooit zo laag begin mei. En het waterpeil in het Lago Maggiore en de vele stuwmeren in de Alpen is ver beneden peil. Toch moeten de meren deze lente en zomer de Po in Noord-Italië voeden.

Tien dagen geleden sloeg de baas van de Burgerbescherming Guido Bertolaso alarm. Maandag kwamen in Rome de watermaatschappijen, de elektriciteitsbedrijven, de boeren en de vertegenwoordigers van de regio’s bij elkaar. En vandaag dus beslissing van de regering, waardoor de aanpak van de droogte efficiënter kan plaatsvinden.

Burgemeester Mattiet-Renzo van Ceresole somt de oorzaken van de droogte op. Het heeft nauwelijks gesneeuwd of geregend in de Alpen. De temperatuur was in april zo hoog dat de sneeuw die op de Alpentoppen ligt al bijna helemaal is gesmolten, waardoor er boven geen waterreserves meer zijn. En ook de gletsjer in het natuurpark Gran Paradiso wordt snel kleiner.

Het probleem is niet van dit jaar, zegt Mattiet-Renzo: „Ons meer is altijd een favoriete windsurfplek geweest. Maar de afgelopen drie jaar was het al niet mogelijk door de lage waterstand.”

2003 was een extreem droog jaar. Boeren langs de Po leden toen veel schade als gevolg van het watertekort. Ook de jaren daarna waren kritisch, maar niet dramatisch. Na het rampjaar 2003 heeft de overheid een „controlekamer’’ in het leven geroepen. Hierin zijn alle betrokkenen vertegenwoordigd die water nodig hebben.

Al die partijen hebben verschillende belangen, vertelt Andrea Lazzari regionaal directeur van de Burgerbescherming in het Noord-Westelijke Piemonte. „De boeren willen water om te irrigeren. De watermaatschappijen willen drinkwater veiligstellen en de elektriciteitsmaatschappijen hebben het water nodig om hun warmtekrachtcentrales langs de Po te koelen en om hun waterkrachtcentrales in de Alpen te laten functioneren.” Grootste waterconsumenten zijn de boeren. Zij gebruiken 60 procent. Dan de elektriciteitsmaatschappijen en fabrieken met 20 procent en de drinkwatermaatschappijen met eenzelfde aandeel.

Op dit moment is er nog geen sprake van acuut watergebrek, maar is er zorg. Dat zegt Lazzari in Piemonte, dat zegt het waterconsortium dat het Lago Maggiore controleert in Lombardije en dat bevestigen ook de waterautoriteiten aan de benedenloop van de Po.

De gigantische rijstvelden tussen Turijn en Milaan liggen allemaal netjes onder water. „Het gaat nog goed”, zegt rijstboer Mario Dattrino uit Vercelli, het grootste rijstgebied van Europa. „Maar als het nog droger wordt, dan zullen we moeten nadenken over andere gewassen. En dat terwijl we hier al sinds 1200 rijst verbouwen.”

Grote vrees voor de zomer is dat er onvoldoende water door de Po zal stromen om de warmtekrachtcentrales te koelen. „Het stilleggen van zo’n centrale is een enorme schadepost”, zegt Lazzari. „Het duurt vier maanden eer de installatie weer kan worden herstart.” De voorzitter van de werkgeversorganisatie Luca di Montezemolo heeft gewaarschuwd dat ook fabrieken zullen stilvallen als gevolg van het tekort aan stroom. Minder stroomproductie in de zomer is ook gevaarlijk voor de volksgezondheid. Op zoek naar verkoeling zet iedereen zijn airconditioning dan aan. Als dat niet meer mogelijk is, kunnen veel ouderen bezwijken onder de hitte.

Het ene na het andere rampscenario is deze dagen uitgebreid besproken in de Italiaanse pers. Maar er wordt ook gewerkt aan preventiemaatregelen.

„Er zijn afspraken”, vertelt ingenieur Maurizio Gandolfi die verantwoordelijk is voor de klapdijk die het Lago Maggiore in de Alpen afsluit en zo water spaart voor de boeren langs de Ticino, een rivier die naar de Po stroomt. „Elektriciteitsmaatschappijen hebben veel waterkrachtcentrales in de Alpen stilgelegd en houden het water in de stuwmeren, zodat er de komende maanden een reserve ontstaat.’’ Ook de warmtekrachtcentrales langs de Po werken momenteel niet op volle kracht, zodat ze niet zoveel koelwater nodig hebben.

De Burgerbescherming en de regio’s hebben apparaten aangeschaft om water in plastic zakken te verpakken en te vervoeren naar plekken waar straks eventueel geen water meer uit de kraan komt. Er zijn mobiele waterzuiveraars gekocht die drinkwater kunnen maken uit oppervlaktewater. De fruitboeren gaan geleidelijk over op druppelirrigatie, waarbij minder water wordt verspild. En de Italianen worden opgeroepen om zich wat minder uitbundig te wassen en hun gazon ’s nachts te sproeien, als het water minder verdampt.

Toch zijn er al conflicten. De boeren willen in mei en juni meer water uit de tientallen Alpenmeren die deels eigendom zijn van de elektriciteitsbedrijven. Maar de stroomproducenten zijn juist zuinig op hun water en willen hun meren vol hebben, zodat ze de Po gelijkmatig kunnen voeden, opdat hun warmtekrachtcentrales niet uitvallen. De coördinatie van deze tegengestelde belangen is een complexe aangelegenheid, zegt Gandolfo. „In Rome voert men op politiek niveau overleg over wie de zeggenschap moet krijgen: de regio’s of de staat.”

In Zuid-Italië is de situatie opvallend genoeg minder acuut dan in het noorden. Er speelt wel een ander hardnekkig probleem: de enorme verspilling van water. Naar schatting 40 procent van het water gaat verloren door lekkages in de pijpleidingen en door diefstal. De maffia zou mede debet zijn aan deze chaotische waterdistributie in het zuiden. In Apulië is men er al zo aan gewend dat het gezegde luidt: „Aquaducten bieden meer eten aan de waterbeheerders dan water aan de burgers.”