Met het drumstel op weg naar God

Arnon Grunberg ging in Paraguay op bezoek bij de christelijke sekte van de mennonieten. In de derde en laatste aflevering bezoekt hij een indianendorp, waar zijn gids zegt: „Je bent de eerste jood die ik tegenkom. Mag ik je aanraken?”

Indianenhelper Jakob Lepp foto Arnon Grunberg voor Grunberg onder de mensen Grunberg, Arnon

Als de kern van een gemeenschap bestaat uit een verhaal waarin die gemeenschap gelooft, dan zijn de mennonieten in het noorden van Paraguay een puur voorbeeld van een gemeenschap. De mennonieten zijn kolonisten, maar in Paraguay, en waarschijnlijk elders in Zuid-Amerika, heeft de benaming kolonist niet dezelfde bijsmaak als in Frankrijk, Algerije of Nederland.

Mijn gids Arthur heeft me meegenomen naar Jakob Lepp die een organisatie leidt die de indianen wil helpen. Tegenwoordig heet dat: samenwerken met de indianen. „De eerste missionarissen hier hadden ook nog een ander beroep”, zegt Lepp. „Ze waren arts of econoom. Er was te veel werk. Ze hadden geen tijd om te prediken.”

Lepp zit in een eenvoudig kantoor, in een eenvoudig huis. De luxe bestaat uit een airconditioning.

Om zich te hebben kunnen handhaven in deze Groene Hel moeten de mennonieten wel over iets beschikken dat fanatisme heet.

„Men heeft ons verweten dat wij Kulturflucht bedrijven”, zegt Lepp.

Kulturflucht, een prachtig woord. Als de mennonieten ergens voor op de vlucht zijn geslagen, dan toch voor de westerse beschaving en de sovjetbeschaving, waarin zij de vijand van hun gemeenschap herkenden. Is dat Kulturflucht?

„Hoe zit het hier met de traditie?” vraag ik aan Lepp.

„Onze jeugd voelt zich zeer tot de religie aangetrokken, maar niet tot de traditie. Ze gebruiken het drumstel om nader tot God te komen.”

„En de indianen?” informeer ik.

„De indiaan schudt aan de boom en zo schudt hij ook aan de mennoniet.”

Weer hoor ik datde indianen jagers en verzamelaars zijn. Waarmee bedoeld wordt: zij hebben geen arbeidsethos.

„Er zijn hier Duitsers en Amerikanen – geen mennonieten – die iets van de indianen willen”, zegt Lepp. „Ik zeg niet wat. Er zijn hier NGO’s, zogenaamd om de indianen te helpen, maar of dat zo is valt te bezien.” Even neemt hij een pauze. Alsof hij twijfelt of hij dit moet zeggen: „En toch, als wij alleen luisteren naar onze honger naar geld wordt het hier een nieuw Zuid-Afrika.”

Hij staat op

en loopt naar de deur. Ik volg hem.

„Zijn er eigenlijk problemen binnen de gemeenschap?” vraag ik.

Eén woord ontsnapt aan de mond van Lepp, als een zucht: „Alcohol.” En dan toch nog een hele zin: „Prostitutie. De indianen prostitueren zich.”

Kennelijk heeft Lepp spijt, want hij roept me na: „Overal waar mensen zijn is prostitutie.”

Arthur zorgt voor de lichte noot. „Kom”, zegt hij, „we gaan een indianendorp bekijken.”

We rijden de nederzetting uit. Het indianendorp verdient de benaming dorp niet. Het zijn hutten, nauwelijks met elkaar verbonden door wegen. Voor een hut zitten kinderen. Arthur loopt er op af. Hij begint een gesprek.

Arthur is een televisiezender begonnen voor mennonieten. Ze zenden uit in het Plautdietsch.

„Kennen jullie mij van televisie?” vraagt hij aan de indianenkinderen in het Spaans.

Dan loopt hij zonder verder iets te vragen de hut binnen.

„Kom mee,” roept hij naar mij, „dan kun je zien hoe ze wonen.”

Enigszins beschaamd volg ik mijn gids de hut in.

Nog meer kinderen. Zo veel dat ik ze niet kan tellen. De volwassenen zijn uit kennelijk. De kinderen zitten op een matras en kijken naar een oude televisie.

„Kennen jullie mij niet van televisie?” vraagt Arthur opnieuw.

Dan wendt hij zich tot mij en zegt in het Duits: „Zo leven ze.”

De hut heeft een tuin, maar waar de vuilnisbelt begint en de tuin ophoudt valt niet te zeggen. Misschien moet je stellen: de tuin is een vuilnisbelt. Maar dan ook de hut.

Wat opvalt zijn de plastic zakken. Overal plastic zakken, en kinderen. Je denkt dat je ze allemaal geteld hebt, dan kruipt er nog een tevoorschijn. Misschien gebruiken de indianen de plastic zakken om de boze geesten mee te verjagen.

We rijden terug naar de nederzetting Fernheim. In de tuin van het hotel vraagt Arthur: „Wat ben jij eigenlijk?”

Ik overweeg te jokken, maar dan antwoord ik: „Van huis uit joods.”

Arthur is verrast. „Je bent de eerste jood die ik tegenkom”, zegt hij. Hij staart me aan: „Mag ik je aanraken?”

Ik zeg dat dat mag.

Arthur raakt me aan, eerst alleen mijn hand, dan ook mijn arm. Arthur verklaart: „Ze zeggen dat de joden en de mennonieten op elkaar lijken, we houden allebei veel van geld.” Hij knikt vergenoegd.

„Wat is God eigenlijk met het uitverkoren volk van plan?” informeert hij. Maar het antwoord geeft hij zelf, het antwoord is een vraag: „Ik zie Israël wel eens op televisie. Hoe kan het dat het beloofde land zo smerig is?”

Snel drinkt hij zijn biertje

en verdwijnt in de schemering.

De volgende ochtend reis ik naar Loma Plata, centrum van de nederzetting Menno. Walter Ratzlaff zal mijn gids in deze nederzetting zijn. Als ik zijn kantoortje betreed, een soort van VVV, zit hij aan de telefoon. Hij neemt me mee naar het slachthuis van de kolonie Menno, het enige slachthuis in de Chaco. De koeien van de mennonieten schijnen het beste rundvlees ter wereld te leveren. Vooral de Russen zijn er dol op. In de auto zegt Ratzlaff: „Kolonie Menno is veel liberaler dan Fernheim. Daar moet je onder de tafel zitten als je wilt roken.”

Ik begrijp dat ook de eenheid van de mennonieten een illusie is.

Het slachthuis is hypermodern. Ratzlaff legt uit dat de koeien als ze aankomen in het slachthuis eerst 48 uur moeten bijkomen van de stress van de reis. Als ze meteen na aankomst in het slachthuis worden geslacht, smaakt het vlees minder lekker.

We kijken naar veertig koeien die op hun dood wachten. Misschien ligt het aan mij, maar het schijnt me dat ze de dood voorvoelen.

„Je hebt veel water nodig om een koe schoon te maken”, zegt Ratzlaff. „Daarom zijn er zo weinig slachthuizen in de Chaco. We zijn een modern slachthuis. Niets gooien we weg. Van de hoofden en de botten maken we beendermeel, en dat wordt weer gebruikt in voedsel voor katten en honden.”

We gaan naar de plek waar hoofden en botten worden verwerkt tot meel. De weeïge geur maakt me misselijk.

„Het gaat niet goed met Paraguay”, zegt Ratzlaff. „Onder Stroessner was het beter. Er was geen homoseksualiteit. De Paraguyaan verwart vrijheid met bandeloosheid. In de tijd van Stroessner zaten mensen voor hun huis en zeiden netjes gedag als er iemand voorbijkwam.”

Stroessner stond erom bekend de tegenstanders van zijn regime te martelen en te doden.

Enkele dagen later verlaat ik de mennonieten. Om de grens met Argentinië te kunnen passeren moet ik in het plaatsje Mariscal Estigarribia mijn paspoort laten stempelen. De douanier slaapt in zijn hut als ik arriveer. Bij Mariscal Estigarribia hebben de Amerikanen een vliegveld gebouwd met een landingsbaan waarop B-52 bommenwerpers kunnen landen. Officieel heet het dat dit vliegveld een alternatief moet zijn voor het internationale vliegveld van Asunción. Omdat het daar zo veel mist. Momenteel wordt het vliegveld bij Mariscal Estigarribia niet of nauwelijks gebruikt. Een spookvliegveld in de jungle.

Geruchten dat Amerika bezig is een troepenmacht op te bouwen in Paraguay heeft het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken onlangs nog op zijn website tegengesproken. Toen ik aan Jakob Lepp vroeg of er hier eigenlijk Amerikaanse troepen waren,, antwoordde hij: „Als ze er zijn zitten ze onder de grond. Want ik zie ze niet.”