Met de vijand in de rug

Norman Davies: Europe at War 1939-1945. No Simple Victory. Vintage, 544 blz. €43,– De Nederlandse vertaling bij Het Spectrum kost €29,95

Nadat de Britse historicus Norman Davies in 2004 het door pers en publiek enthousiast ontvangen Rising ’44. The Battle for Warsaw had geschreven, was hij een graag geziene gast in het lezingencircuit. Het viel hem op dat bij velen van zijn toehoorders niet alleen weinig kennis bestond over de opstand van het Poolse verzet, maar ook dat veel andere, basale feiten over de Tweede Wereldoorlog in nevelen waren gehuld. Davies (1939), die eerder succesvolle geschiedenissen van Engeland, Europa en Polen had gepubliceerd, besloot een boek te schrijven dat dit euvel moest verhelpen.

In de inleiding van Europe at War 1939-1945 concludeert hij dat behalve door onwetendheid, ons beeld van het conflict vertroebeld wordt door politici die een onjuiste interpretatie van de Tweede Wereldoorlog van stal halen. Een gevaarlijke situatie, vindt Davies. ‘Daarom is er, volgens mij, een sterke behoefte aan een herziening van de principes waarop het raamwerk van een definitieve en uitvoerige geschiedenis van de Tweede Wereldoorlog ooit gebaseerd zal kunnen worden.’ Europe at War is zijn aanzet tot de vorming van zo’n raamwerk.

Een herziening van principes als aanzet tot de vorming van een raamwerk: dat klinkt als een essay van dertig pagina’s, maar Davies komt met een boek van 544 bladzijden. Geen deelonderwerp van de oorlog blijft onbelicht: van aristocraten en bankiers, via journalisten en musici, tot vakbonden en verraders. Die eindeloze stoet van figuranten leidt af van de interessante centrale stelling die Davies poneert.

Davies’ these over de ware aard van de oorlog bestaat uit twee delen. Ten eerste was de Tweede Wereldoorlog geen strijd tussen ‘goed’ en ‘kwaad’, maar een gevecht tussen twee totalitaire regimes die in verwerpelijkheid niet voor elkaar onderdeden. De democratische landen speelden een bijrol. Het non-agressiepact tussen Duitsland en de Sovjet-Unie van 1939 is daarom ook niet zo’n aberratie als vaak wordt aangenomen, stelt Davies. In het rücksichtslos nastreven van hun geopolitieke eigenbelang werkten beide dictaturen met elkaar samen, totdat de nazi’s in 1941 de confrontatie als een aantrekkelijker koers zagen. In het daaropvolgende treffen toonde de Sovjet-Unie zich uiteindelijk de sterkste. En daar plukten vooral de ‘bevrijde’ landen in Oost-Europa de wrange vruchten van.

Het tweede deel van Davies’ these betreft de gevechtshandelingen. Vergeleken met de confrontaties in het oosten, waren de veldslagen die de westelijke geallieerden uitvochten en die bij ons het bekendst zijn – El Alamein, D-Day, Slag om Arnhem, Ardennenoffensief – onbeduidende schermutselingen. Om die bewering te staven gebruikt Davies, naast verliescijfers, de rekeneenheid van de ‘manmaand’. Bij de Duitse inval in Polen in 1939 vochten bijvoorbeeld 800.000 Polen gedurende vijf weken tegen 1.250.000 Duitsers. Dat levert 2.56 miljoen manmaanden op: 800.000 x 1.25 maanden plus 1,25 miljoen x 1.25 maanden. Op deze wijze becijfert Davies dat de oorlog aan het Oostfront 406 miljoen manmaanden heeft gekost. Voor de campagne aan het westelijk front, van D-Day tot de capitulatie in mei 1945, staan 16.5 miljoen manmaanden, zo’n vier procent van de inzet in het oosten.

De Sovjetsoldaat verdient hiervoor in het westen meer erkenning, vindt Davies. Vooral omdat hij in de onzalige omstandigheid verkeerde dat als hij niet van voren door de nazi’s werd neergeschoten, hij een kogel in zijn rug kon verwachten van de troepen van Stalins geheime dienst, die elke suggestie van defaitisme met harde hand onderdrukten.

Davies’ afkeer voor het communistische regime is mateloos. Hoewel hij het unieke karakter van de Holocaust onderkent, wijst hij er op dat het grootse concentratiekamp van de Tweede Wereldoorlog niet Auschwitz was, maar het kampcomplex van Dalstroi, in de regio Kolyma in de poolcirkel. Hij verzuimt echter te vermelden dat het hier gaat om het grootste kamp in omvang, niet wat betreft het aantal gevangenen.

Davies studeerde eind jaren vijftig in Cambridge bij A.J.P Taylor, het enfant terrible van de Britse naoorlogse geschiedschrijving. In zijn The Origins of the Second World War (1961) stelde Taylor dat Hitler niet het vooropgezette plan had de wereld in een oorlog te storten. De reacties op die suggestie waren furieus. Het is de vraag of Davies met zijn boek eenzelfde ophef zal weten te genereren. Want hoe opzienbarend zijn zijn beweringen nu eigenlijk? Hoeveel mensen zijn er na het lezen van Het zwartboek van het communisme, Anne Applebaums Goelag en Simon Sebag Montefiore’s Stalin. Aan het hof van de rode tsaar nog niet van overtuigd dat het sovjetcommunisme een monsterlijke verschijning was? En na Anthony Beevors tweeluik Stalingrad en Berlijn kan er ook geen twijfel meer bestaan over de omvang en wreedheid van de gevechten aan het Oostfront. Davies’ raamwerk stond er dus al.

De fellow travellers die Stalins Rusland tot ‘de goeden’ rekenden, zwijgen alweer enige tijd. De mensen die denken dat met Saving Private Ryan en Band of Brothers de belangrijkste veldslagen uit de Tweede Wereldoorlog zijn verfilmd, zal Davies met zijn boek niet bereiken. Daarvoor is het niet verhalend genoeg. Zijn aanval op de onwetendheid strandt dus op beide fronten.