Kwetsbaar uur voor veteranen en overlevenden

In het Sinai Centrum zitten patiënten van allerlei leeftijden. Wat hen bindt, is oorlog. „Ik heb een zoon van 7. Ik heb geprobeerd hem uit te leggen waarom ik zo boos ben.”

Het Sinai Centrum, nu nog in de bossen bij Amersfoort, verhuist binnenkort naar Amstelveen. Foto NRC Handelsblad, Rien Zilvold amersfoort sinai instituut foto rien zilvold Zilvold, Rien

Amersfoort, 4 mei. - In het Sinai Centrum, een joodse instelling voor geestelijke gezondheidszorg, herdenken ze vanavond om acht uur helemaal niets. De hulpverleners lopen er extra oplettend rond, dat wel. In de kliniek, in de bossen van Amersfoort, verblijven zo’n honderd patiënten, waarvan de meesten door oorlog, vervolging en geweld getraumatiseerd zijn. Het zijn van die kwetsbare momenten, zegt psychiater Arend Veeninga, „net als straks Veteranendag”.

Tijdens een groepstherapie op dinsdagmiddag vertelt de joodse Ina Sousa (57) dat haar moeder niet over de Tweede Wereldoorlog wilde praten, maar wel „voor pampus” op de bank naar oorlogsfilms lag te kijken. De vader van een ander vocht in Nederlands-Indië – bij hem thuis ging het alleen maar over oorlog. Eén heeft ouders die in een Jappenkamp zaten. Veteranen – getuigen, slachtoffers, daders van geweld. Allen worstelen met hun eigen oorlog. Ze spreken af er een week later op terug te komen.

De kliniek voor psychiatrische patiënten werd begin jaren zestig opgericht. Joden moesten zich er veilig en welkom voelen. Nog altijd worden de joodse wetten er streng nageleefd. Het eten is kosjer. Op zaterdag mag in de openbare ruimtes van de kliniek niemand bellen of internetten. Alle joodse feestdagen worden er gevierd.

De eerste jaren kwamen in het Sinai Centrum dan ook enkel joden. Noodgedwongen specialiseerde het Centrum zich in oorlogstrauma’s, want voor welke problemen patiënten zich ook aanmeldden, altijd kwam daar die oorlog bij. En toen de hulpverleners in die problematiek goed thuis waren, vonden ze dat anderen ook van hun kennis gebruik moesten kunnen maken.

Eerst kwamen zij die in Nederlands-Indië getraumatiseerd waren geraakt, toen overlevenden van de Jappenkampen, vluchtelingen uit oorlogsgebieden, de veteranen die dienden in de Tweede Wereldoorlog in Indonesië, Korea, Nieuw Guinea, en toen de jonge veteranen, bijvoorbeeld uit Libanon, Rwanda, Joegoslavië. Ze zitten allemaal bij elkaar, in gemengde groepen. Dat is beleid. „De veteranen begrijpen elkaar, maar ze leven al zo in een isolement. Ze moeten ooit naar de samenleving terug”, zegt psychiater Arend Veeninga. Hij meent dat zijn cliënten meer met elkaar gemeen hebben dan hun problemen verschillen.

Tijdens die ene groepstherapie, bijvoorbeeld, vertelde Ina Sousa hoe haar moeder haar het gevoel gaf dat a. het haar schuld was en b. zij alle omgekomen familieleden moest vervangen. Toen zei een veteraan: „Ik heb een zoon van 7. Ik heb geprobeerd hem uit te leggen waarom ik zo boos ben. Heb jij een tip?” Zeg dat het niet door hem komt, zei zij.

Maar tussen haar leed en dat van de veteranen zit ook een wereld van verschil, merkte Ina Sousa. De jonge veteranen, twintigers en dertigers, zijn luidruchtig. Ze praten veel en hard en dat is precies wat zij en de meeste anderen niet doen. Ze zijn intimiderend, zegt ze. „Soms komen er vijf nieuwe tegelijk in de groep. Ze aaien vrouwen – goedbedoeld – over de schouder, ze maken dubbelzinnige opmerkingen.” En als zij over haar oorlog vertelt, zucht een enkele veteraan. Alsof zij weet wat oorlog is.

Sinds kort stuurt Defensie ook zelf jonge veteranen naar het Sinai Centrum met wat nu posttraumatische stress-stoornis heet . Het zijn vaak jonge mannen, die slecht slapen en nachtmerries hebben. Ze zijn snel geïrriteerd, soms agressief. Vaak gebruiken ze drugs of alcohol. En, zegt bestuursvoorzitter Cor de Bode van het Centrum, „ze nemen vormen van agressie met zich mee” waardoor het Centrum er „hooguit tien tot vijftien tegelijk aanneemt”. De Bode zegt dat het „zelden problemen geeft, zolang ze maar respect hebben voor elkaar en voor de joodse identiteit”. Soms weerhoudt dat cliënten zich aan te melden.

Veteranen die betrokken waren bij de strijd tussen Israël en Libanon worden in de kliniek geconfronteerd met de Israëlische blauw-witte vlaggen. Bovendien grenst de kliniek aan voormalig concentratiekamp Amersfoort en aan een militair oefenterrein, Kamp Zeist, en een hondenkennel. Daardoor kunnen veteranen door schoten, geblaf en helikoptergeronk aan hun oorlogen herinnerd worden. Een van de veteranen vertelt dat hij 23 was toen hij in 1994 terugkwam uit voormalig Joegoslavië. Hij reisde een jaar rond door Noord-Amerika, maakte daarna zijn opleiding tot sociaal-psychologisch werker af. Hij kreeg steeds vaker ruzie met zijn leidinggevenden, in zijn dromen sloeg hij zijn vrouw, in het echt vernielde hij een raam en andere dingen in huis. Gebruikte drugs om niet te hoeven slapen en drugs om beter te kunnen slapen. Toen hij vader zou worden, meldde hij zich aan bij het Centrum. Ook hier heeft hij nog „moeite met hiërarchie”. Groepsgenoten weren zich sinds sinds kort met een ‘stop’-bord tegen zijn uitbarstingen en die van andere veteranen.

De dinsdag na de groepstherapie die over oorlog ging, komt de groep van Ina Sousa niet meer op het onderwerp terug. Het gesprek gaat dan over hoe ze de sfeer binnen de groep goed kunnen houden, omdat die week ineens vijf veteranen tegelijk binnenkwamen op een groep van drie vrouwen.

Binnenkort verhuist het Sinai Centrum naar Amstelveen. „Dichter bij de doelgroep”, zegt Cor de Bode. In Amsterdam en Amstelveen zijn de grootste joodse gemeenschappen. Het bestuur hoopt dat meer (joodse) cliënten er de kliniek weten te vinden. Ook omdat het Centrum nu zo geïsoleerd in de bossen ligt: met moeite hebben ze die ene bushalte weten te behouden. En psychiatrische patiënten zo geïsoleerd in de bossen behandelen, zegt de directeur van de kliniek, is niet meer van deze tijd.