Is het genoeg geweest?

Heeft Nederland het verzadigingspunt bereikt, als het gaat om literatuur over de Tweede Wereldoorlog? Het drama is dat er geen drama meer is: onder dat besef lijken hedendaagse schrijvers gebukt te gaan.

Met stip de meest geciteerde regels uit de Nederlandse literatuur over de Tweede Wereldoorlog staan in het gedicht ‘Vrede’ van Leo Vroman: ‘kom vanavond met verhalen/ hoe de oorlog is verdwenen/ en herhaal ze honderd malen: / alle malen zal ik wenen’. Die prachtige strofe is bijna een grijsgedraaide deun geworden. Wat vrijwel niemand meer weet, is waaróm Vroman in 1954 opriep het zwijgen over de oorlog en de Holocaust te doorbreken met verhalen die nooit genoeg kunnen worden herhaald.

‘Vrede’ werd voor het eerst gepubliceerd in de bundel Nationale Snipperdag, een samenwerking van negen literaire tijdschriften. Zij tekenden protest aan tegen het regeringsbesluit om 5 mei als nationale feestdag af te schaffen. Bladen als Critisch Bulletin, De Gids, Maatstaf, Podium en Roeping nodigden auteurs uit om in gedichten, essays en verhalen ‘het besef wakker te houden van wat vrijheid voor de mens betekent’.

De toen 27-jarige Harry Mulisch schreef in Nationale Snipperdag: ‘Welke regering, behalve een fascistische, kan beletten dat ook op de vijfde mei „een heerlijk avondje” wordt gevierd? In een wereld waarin duitsers konden doen wat zij deden kan geen bevrijdingsdag bestaan. De meesten hebben hen immers alweer vergeven. Maar wie vergeeft, die zal vergeven worden, – dat wil zeggen vergiftigd. Eens zal de mens het feest van zijn bevrijding vieren, geloof ik. Thans is de smeerlapperij nog voluit onder ons.”

Met terugwerkende kracht kun je uit woedende teksten als deze afleiden uit welke bronnen de revolte van het daarop volgende decennium voortkwam: het was een reactie op het hypocriete zwijgen van de jaren vijftig, dat het eerst in de literatuur werd doorbroken. Afgezien van egodocumenten (met Het Achterhuis van Anne Frank als beroemdste voorbeeld) begon de stroom romans op het oorlogsthema pas eind jaren veertig op gang te komen. Wat vlak na de oorlog verscheen, was nog zeer beperkt: verhalen van Theun de Vries uit het verzet, het Geuzenliedboek, de novelle De ondergang van de familie Boslowits door Gerard Kornelis van het Reve.

Juist tijdens de wederopbouw, toen politiek en publiek genoeg hadden van het omkijken, kwam de grote stroom oorlogsliteratuur op gang. In 1948 verscheen Pastorale 1943 van Simon Vestijk, een jaar later W.F. Hermans’ De tranen der acacia’s. Tien jaar na het dagboek van Anne Frank kwam het verpletterende boekje van een joods meisje dat de oorlog wél had overleefd, Het Bittere Kruid van Marga Minco. In datzelfde jaar schreef Jacques Presser de novelle De nacht der Girondijnen dat als Boekenweekgeschenk een grote verspreiding vond.

Behalve de autobiografische verhalen van joodse overlevenden traden er na 1954 ook niet-joodse auteurs naar voren die gehoor gaven aan Vromans hartenkreet ‘Kom vanavond met verhalen’. Hermans werkte het thema schuld versus onschuld, waarheid en bedrog en de vage grens daartussen uit in De donkere kamer van Damokles (1958) waarin hij het verzet ontmythologiseerde. Nog voor de jaren zestig zich aandienden lag er de indrukwekkende roman van Harry Mulisch Het stenen bruidsbed (1959) over de vernietiging van Dresden. Het latere verwijt dat de oorlogsverhalen in zwart-wit werden geschilderd en dat zij ‘goed en fout’ verabsoluteerden, slaat dan ook nergens op. Het oorlogsthema was veeleer het aanknopingspunt om morele dilemma’s en het menselijk tekort aan de orde te stellen.

Met de ontregelende romans van schrijvers als Vestdijk, Reve, Hermans en Mulisch, en de niet zelden ook door de oorlog geïnspireerde gedichten van de Vijftigers, is de generatie opgegroeid die in de jaren zestig en zeventig volwassen werd. En daar kwam de schokkende non-fictie nog bij. Om te beginnen De zaak 40/61 waarin Mulisch verslag deed van het proces tegen Eichmann in 1961 en Ondergang, de grote studie van Jacques Presser uit 1965 over ‘De vervolging en verdelging van het Nederlandse jodendom 1940-1945’. Het vertellen van oorlogsverhalen mag dan moeizaam op gang zijn gekomen, toen het eenmaal begonnen was, leek het niet meer te stoppen. Begin jaren negentig bedroeg in Nederland het aantal literaire publicaties over de Tweede Wereldoorlog, inclusief dagboeken, memoires, jeugdboeken en toneelstukken, meer dan duizend. Er kwam voortdurend getuigenisliteratuur bij: Kinderjaren van Jona Oberski in 1978, Het dagboek Het verstoorde leven van Etty Hillesum in 1981 en de sobere boeken van Gerhard Durlacher, die vanaf 1985 verschenen, het werk van auteurs als Frans Pointl, Lisette Lewin, Ischa Meijer en Chaja Polak. Zij behoren tot degenen die door de oorlog tot schrijvers zijn geslagen.

In zekere zin kan men dat ook nog zeggen van auteurs die op het thema van de verwerking van oorlogservaringen als ‘tweede generatie’ kunnen worden aangemerkt, schrijvers als Leon de Winter, Jessica Durlacher, Carl Friedman, Marcel Möring en Arnon Grunberg. Maar evengoed als er na 1945 een literaire incubatietijd nodig was om de verhalen te laten rijpen, moest er ook een moment komen waarop een verzadigingspunt werd bereikt.

In 1995 liep de boekenweek met het thema ‘Vijftig jaar bevrijding’ uit op een fiasco. De lezers hadden de buik vol van de Tweede Wereldoorlog. Alleen het boekenweekessay van Jan Wolkers, Zwarte bevrijding, sloeg aan en was in enkele dagen uitverkocht. De kracht van dit essay bestond eruit dat het korte metten maakte met de buiten de literatuur overgeleverde clichés over de bevrijding. Wolkers veroordeelde het kaalknippen van zogenaamde moffenhoeren, veegde de vloer aan met de muffe jaren van wederopbouw, hij walgde van de naoorlogse restauratie en bijbehorende zedenprekerij. Even, heel even, in de jaren zestig, leek er een bevrijding tot stand te zijn gekomen, schreef Wolkers. Daarna was Nederland weer ingesukkeld, zodat er qua bevrijding in 1995 niets te vieren viel.

Uit het succes van Zwarte bevrijding en het gebrek aan belangstelling voor de vloed van herdenkingsboeken viel op te maken dat het tijd was voor reflectie op de naoorlogse periode, en niet zozeer voor nog meer romans over bezetting en jodenvervolging. Het Boekenweekgeschenk van 1995, Leon de Winters novelle Serenade, oogstte veel kritiek, onder andere omdat hij daarin de situatie in Kroatië vergeleek met Auschwitz. Weliswaar verkochten sommige andere oorlogsboeken, zoals het werk van G.L. Durlacher wél goed, maar dé bestseller van de boekenweek stond geheel los van het thema. Dat was De vriendschap van Connie Palmen.

Op al dan niet verzonnen oorlogsverhalen uit de tweede hand zat blijkbaar niemand te wachten. Die werden, ook door de literaire kritiek, in toenemende mate als kitsch ervaren. Parasiteren op geleende emoties leverde al te vaak melodrama op in plaats van drama. Zoals Freek de Jonge tijdens boekenbal van 1995 sneerde: „Het drama (van de literatuur) is dat er geen drama meer is; geen oorlogsdrama, geen vlak na een oorlogsdrama, geen vlak na- vlak na een oorlogsdrama.”

Aan het besef dat de literatuur over de oorlog aan het verplatten was, ging het één en ander vooraf. In 1983 hield de historicus Hans Blom zijn oratie ‘In de ban van goed en fout?’, waarin hij pleitte voor een niet moraliserende geschiedschrijving over de oorlog. De oorlogsmoeheid, de irritatie over clichématige moraliserende fictie over 1940-1945 – waaraan schrijvers als Mulisch en Hermans zich nooit hebben bezondigd – manifesteerde zich aanvankelijk in de vorm van ‘affaires’.Een jaar na Bloms oratie deed Theo van Gogh een aanval op wat in zijn ogen parasitaire oorlogsliteratuur was. In het filmblad Moviola publiceerde hij het schotschrift ‘Een Messias Zonder Kruis’ waarin hij Leon de Winter verweet dat hij reclame maakte voor zijn boeken met zes miljoen doden en zo zijn jood-zijn uitventte. Het ging er bepaald niet zachtzinnig aan toe. Van Gogh kreeg een aanklacht aan zijn broek wegens antisemitisme.

Acht jaar later ontstond er opnieuw een rel over Leon de Winter, toen hij, voorzien van Davidsterretjes en smoking, zijn roman De ruimte van Sokolov in een televisiereclame aanprees. Propria cures reageerde door een portret van De Winter in smoking en met een menselijk bot in de hand te monteren in een foto van een massagraf uit de Tweede Wereldoorlog. De Winter spande een kort geding aan, dat hij won.

Het waren onsmakelijke relletjes. Maar ondanks zijn grofheid vertolkte Van Gogh niet zonder reden het ongemakkelijke gevoel dat er werd geschmierd met de oorlog en handel gedreven met de Holocaust.

Volgens de historica Evelien Gans, gespecialiseerd in joodse studies, had het ongenoegen een andere oorzaak. Niet-joodse auteurs en schrijvers zonder tweede generatieprobleem, ontbeerden volgens haar onderwerpen om over te schrijven en daarom vielen zij op oneigenlijke gronden joodse auteurs aan. Een jaar voor de mislukte Boekenweek rond het thema Tweede Wereldoorlog publiceerde zij het boek Gojse nijd & joods narcisme waarin zij analyseerde hoe enerzijds niet-joodse Nederlanders zich schuldig voelden over wat er in ’40-’45 met hun joodse landgenoten was gebeurd, terwijl zij zich anderzijds aangevallen voelden door met hun jood-zijn koketterende schrijvers. De strijd tussen de auteurs van de tweede generatie en hun belagers á la Van Gogh ging, zoals Gans het formuleerde, tussen twee partijen die beide hun verleden niet hadden verwerkt.

De ergernis over de literaire exploitatie van oorlogsleed richtte zich overigens nooit tegen autobiografisch geïnspireerd werk als dat van Gerhard Durlacher en Marga Minco of tegen de hoogwaardige fictie van de Mulisch-generatie. Wat ging irriteren, waren de pathetisch overkomende romans van na de oorlog geboren auteurs. Er ontstond wantrouwen tegen zulke boeken, maar de discussie erover werd gesmoord als gevolg van antisemitische wanklanken. De juridische procedures, maar ook het ontslag van Van Gogh bij het universiteitsblad Folia (wegens grove belediging van Evelien Gans) leidde ertoe dat de discussie taboe werd verklaard. Deze incidenten typeren de periode waarin de Tweede Wereldoorlog aan zijn uittocht uit de Nederlandse letteren is begonnen.

In 1996 stelde Marcel Möring in een essay dat ‘de boeken die de afgelopen vijftig jaar over de oorlog zijn geschreven nu zoveel beelden en ideeën en bevestigingen van beelden en ideeën hebben opgeleverd, dat we in het rijk van het cliché zijn beland.’ En hij voegde daar aan toe: ‘Hoe goed de ‘oorlogsboeken’ van de grote Mulisch, Reve en Hermans ook zijn, nu moeten ze niet meer geschreven worden.’

De discussie werd verlegd naar de vraag of je oorlogservaringen mocht fictionaliseren – iets waar de auteurs van De donkere kamer van Damokles en Het stenen bruidsbed zich terecht nooit om hadden bekreund. Niettemin deed Möring of hij iets heel gewaagds zei door te pleiten voor een ‘schaamteloos’ gebruik van oorlogservaringen. ‘Zoals Reve het recht had om God in de gedaante van een grijs ezeltje te bezitten, mag elke schrijver de Tweede Wereldoorlog en al wat daarbij hoort naar zijn schrijftafel slepen en, alsof hij een kleine jongen met een wekker is, uit elkaar halen en weer in elkaar proberen te zetten.’

Jessica Durlacher bediende zich in 2001 van een soortgelijke argumentatie in haar essay Op scherp. Nadat zij eerst haar vaders kritiek op concentratiekampkitsch als de films Sophie’s Choice en Schindler’s List had onderschreven, hield zij een pleidooi voor het ‘meedogenloos’ fictionaliseren van de Holocaust. ‘Schindlers List en Sophies Choice mogen niet authentiek zijn, noch voorbeeldig, het minste dat je van ze kunt zeggen is dat ze vele onwetenden gevoelskennis gebracht hebben over een verleden dat hen anders überhaupt onbekend zou zijn gebleven.’ Dat mag waar zijn, maar het bijbrengen van ‘gevoelskennis’ over de jodenvervolging is geen literair criterium, hooguit een legitimatie van versoaping en verkitsching van de Holocaust.

Zal de Tweede Wereldoorlog uit onze letteren verdwijnen als de laatste getuige dood is? Niet helemaal, dat zou namelijk betekenen dat we er klaar mee zijn, wat nooit zal gebeuren. Om met Harry Mulisch te spreken: ‘Het is mijn overtuiging dat de Tweede Wereldoorlog tot het einde der tijden een oriëntatiepunt zal blijven, – en in elk geval is dat te hopen. Zou dit niet zo zijn, uitsluitend de derde wereldoorlog is daar dan de oorzaak van.’

Er zullen altijd schrijvers zijn die aan de verhalen waar Leo Vroman in 1954 om vroeg en waarmee we inmiddels rijkelijk bedeeld zijn, iets wezenlijks kunnen toevoegen. Schrijvers als Arnon Grunberg, die met De joodse Messias een meedogenloze satire afleverde op de verwerking van de oorlog en het tweede-generatieleed en daarmee op onze huidige samenleving.

De grote schrijvers van de tweede helft van de vorige eeuw hadden onvermijdelijk de oorlog als referentiepunt. De groten van nu, voorop Grunberg en A.F.Th. (van der Heijden), schrijven over de tragedies en mythes van hún tijd.

De Tweede Wereldoorlog is in onze literatuur verankerd. Daar gaat nooit iets vanaf. De beste romans over de oorlog zijn klassiek geworden dankzij hun grootsheid en complexiteit. Maar voor drama en tragedie hebben we die episode uit de geschiedenis niet meer nodig, daar voorziet de huidige tijd meer dan voldoende in.

Wilt u reageren? boeken@nrc.nl