Indiase mastodonten

De meeste zijn ooit genationaliseerd. Nu zijn het logge, inefficiënte, weinig productieve staatsbanken die vrijwel de hele Indiase markt in handen hebben. Maar voor hoe lang nog?

Een filiaal in New Delhi van de Canara Bank, een van de negentien Indiase staatsbanken, die samen 80 procent van de Indiase markt in handen hebben. Foto Bloomberg A branch of Canara Bank in New Delhi, India, on Tuesday, March 20, 2007. Canara Bank, India's fourth-biggest lender by assets, said it plans to sell 49 percent of its asset management unit to Dutch investment management company Robeco NV. Photographer: Adam Ferguson/Bloomberg News BLOOMBERG NEWS

Op de voorkant van the Indian Express, een Engelstalig dagblad, had the Indian Overseas Bank vorige week een advertentie geplaatst die een kwart van de pagina besloeg. Een dure grap van de bank, om de eigen kwartaalprestaties zo over het voetlicht te brengen. Zoals een netto winstgroei van 40 procent in het vierde kwartaal van het fiscale jaar 20076/2007.

De gelikte advertentie en ook de website van het financiële concern doen op het eerste gezicht niet meteen vermoeden dat de Indian Overseas Bank een van de vele staatsbanken (19 in totaal) is die India rijk is. De staatsbanken, met namen als Allahabad Bank, Bank of India en Bank of Baroda, zijn goed voor een marktaandeel van 80 procent. Een peperdure advertentie, als die van de Indian Overseas Bank, op een voorpagina van een landelijke krant wordt dan ook vooral betaald door de belastingbetaler. Maar voor hoe lang nog?

Volgens onderzoek van McKinsey kunnen de staatsbanken bijna 40 miljard euro toevoegen aan het jaarlijkse bruto binnenlands product van India als de financiële groepen loskomen uit de houdgreep van de overheid. Als dat laatste niet gebeurt, zullen de staatsbanken nooit uitgroeien tot wereldspelers en optimaal profiteren van de aanhoudende hausse van de Indiase economie. Want ze zijn te log, vaak inefficiënt en minder productief dan hun private tegenhangers.

Wie bijvoorbeeld een bezoek brengt aan een filiaal van de Indian Overseas Bank begrijpt waarom. Hoewel de naam anders suggereert, is deze bank vooral in India actief, met 1.400 vestigingen verspreid over het land. Slechts zes kantoren heeft het bedrijf in het buitenland. In Zuid-Delhi, in een chique woonwijk, ligt een van die vele filialen van de bank. Het kantoor is gevestigd in een oud huis en wordt bewaakt door een agent in sjofel uniform met een antiek geweer.

De begane grond van het filiaal ziet eruit alsof er sinds het ontstaan van India in 1947 geen schilder meer langs is geweest. In de hal is een toonbank waarachter een aantal mannen verveeld onderuit hangt in brakke stoeltjes. Bij deze werknemers zijn formulieren te krijgen die ingevuld moeten worden als klanten via een cheque geld willen storten op een spaarrekening. Als de medewerkers achter de toonbank tenminste het betreffende formulier kunnen vinden. Haast hebben deze overheidsdienaren daarbij nooit; zeker niet als het een graad of veertig is, een temperatuur waar de krakende ventilatoren aan het plafond niet tegenop kunnen.

In het kantoor liggen overal stapels archiefmappen, zitten mensen achter aftandse bureautjes met bergen papier en de onvermijdelijke stempels. Hier en daar valt een computer te ontwaren, oude apparaten die afkomstig lijken te zijn uit de DDR.

Voor het afleveren van de cheque en het bijbehorende formulier moeten de klanten naar een bureau in de rechterhoek van het volgestouwde kantoor. Daar zit een vrouw handmatig alle bedragen te verwerken in een computer. Naast haar zit een andere vrouwelijke collega om de cheques in ontvangst te nemen. Zij zet ook een stempel op het bijbehorende gele formulier en legt de cheque op een stapel. Met de klant wordt daarbij het liefst zo min mogelijk gecommuniceerd.

Op het gebied van personeelsbeleid en management valt een hoop te winnen, zo zegt Joydeep Sengupta, een van de auteurs van Indian Banking 2010 , het onderzoeksrapport van McKinsey. De aanwezige buitenlandse banken en private Indiase banken scoren veel beter als het gaat om productiviteit per werknemer, aldus de consultant. Goed presterende employés van staatsbanken worden en mogen niet worden onderscheiden met een extra beloning, zoals bij private banken. En bankambtenaren die niet functioneren zijn bovendien amper te ontslaan.

Dat laatste is mede te danken aan de aanwezigheid van goed georganiseerde vakbonden. Die leggen als het nodig is zonder pardon banken dagenlang, zo niet weken, plat. Een geschil over pensioenen of plannen van de overheid om de financiële sector verder te privatiseren, te openen voor buitenlandse investeerders, het kan reden genoeg zijn voor de honderdduizenden werknemers van staatsbanken om de straat op te gaan.

Verdere privatisering van staatsbanken zou de sector juist ten goede komen, zo suggereert Sengupta van McKinsey. Met dat proces is de Indiase overheid al voorzichtig begonnen, hoewel „een beetje laat”. Een bank als de Indian Overseas Bank is bijvoorbeeld sinds 2000 aan de beurzen van Mumbai en Chennai genoteerd, maar 75 procent is nog altijd in handen van de staat. Ooit was de Indian Overseas Bank een private bank, maar tijdens het bewind van Indira Gandhi eind jaren zestig is de bank met nog dertien andere genationaliseerd.

„Wij zullen verdere privatisering van staatsbanken ook niet toestaan”, zegt N.S.Virk, vice-president van de All India Bank Officer’s Association, een machtige vakbond voor hoger personeel. Dat zou niet in het belang van het land zijn. Want de private banken, zo zegt Virk, zijn er vooral voor de rijkeren en niet voor de gewone man. „Staatsbanken hebben in totaal iets van 60.000 filialen, vooral op het platteland. Wij lenen aan boeren, aan kleine bedrijven. Staatsbanken hebben een sociale functie”, vindt Virk. Niettemin is nog altijd 65 procent van de Indiase bevolking op het platteland voor geldzaken afhankelijk van informele kanalen, vaak woekeraars die torenhoge rentes vragen voor leningen.

De overheidsgrip op de staatsbanken uit zich onder meer in de wijze waarop leningen worden verstrekt. De financiële kolossen zijn bijvoorbeeld verplicht 40 procent van hun leningen te verstrekken aan onder meer het kleinbedrijf en boeren, ook al is dat soort kredieten minder lucratief dan leningen aan grote concerns. Van de aanwezige deposito’s moeten de staatsbanken ook nog eens 25 procent beleggen in staatsobligaties. Als deze beperkingen worden losgelaten, zo stelt Sengupta, zouden de banken veel beter kunnen presteren.

Het is niet voor niets, volgens de McKinsey-consultant, dat bij grote grensoverschrijdende acquisities door bedrijven als Tata en Reliance Industries Indiase staatsbanken geen rol spelen. Het zijn de grote buitenlandse financials die dergelijke deals doen. De staatsbanken hebben er de capaciteit, het buitenlandse netwerk en het vermogen niet voor.

Toch heeft McKinsey ook een beetje begrip voor de behoedzame benadering van de Indiase overheid. Een bankensector zo maar opengooien brengt veel risico’s met zich mee en je wilt voorkomen dat een bank omvalt. Maar tegelijkertijd concludeert Sengupta: als er geen veranderingen plaatshebben, dan zullen de staatsbanken nooit kunnen concurreren met de private banken en kost dat de overheid uiteindelijk alleen maar geld.