Het verdriet van Duitsland

Hoe we herdenken, bepaalt ons beeld van de geschiedenis. Is daarbij ook ruimte voor de Duitse slachtoffers van de oorlog?

Patrick Dassen, Ton Nijhuis, Krijn Thijs (red.): Duitsers als slachtoffers. Het einde van een taboe? Mets & Schilt, 478 blz. € 25,–

Heel langzaam begint tot wetenschap en politiek door te dringen hoe massaal het Rode Leger in de weken na de geallieerde overwinning Duitse vrouwen heeft verkracht. En bij verkrachten bleef het niet. Veel slachtoffers stierven ten gevolge van dit soms groepsgewijs gepleegde seksueel geweld of werden vermoord, ook door hun eigen mannen, verloofdes of vaders. Er ging bovendien een golf van zelfmoorden door het land. Het aantal verkrachte vrouwen en meisjes bedroeg naar schatting twee miljoen, waarvan alleen al in Berlijn honderdduizend; de aantallen doden zijn onbekend.

Hoe is het mogelijk dat een dergelijke ramp zo weinig is doorgedrongen tot het historisch besef en de geschiedschrijving? Het verhaal van de verkrachtingen is nu opnieuw verteld door de Amerikaanse historicus Norman Naimark in de bundel Duitsers als slachtoffers. Het is pijnlijk dat deze publicatie nog steeds nodig is, aangezien het allemaal allang bekend behoort te zijn – en niet alleen omdat in sommige dorpen haast de hele vrouwelijke bevolking van tien tot tachtig jaar dit lot deelde. Dat dit gruwelverhaal telkens weer als nieuws wordt gepresenteerd en ontvangen, illustreert hoe taai de weerstand is.

In 2003 verscheen een herdruk (na vijftig jaar) van het anoniem gepubliceerde oorlogsdagboek Eine Frau in Berlin (besproken in Boeken, 30.01.2004). Een aangrijpend verslag door de anonieme schrijfster, die ingehouden noteert wat haar en anderen overkomt. Ze deed dat zonder haar eigen slachtofferschap uit te ruilen tegen de Duitse schuld en zonder de Russen categoraal tot beesten te bestempelen. Naimark maakt van dit boek dan ook ruim gebruik. Maar toen ditzelfde boek in 1954 in het Duits verscheen werd de schrijfster ervan beschimpt. Ze had ‘de Duitse vrouw bezoedeld’. Het boek, dat pas na haar dood mocht worden herdrukt, is nu een succes, al waren er media die de betrouwbaarheid van haar relaas in twijfel trokken. Het blijft moeilijk om misdaden tegen vrouwen te erkennen.

Of zijn niet de vrouwen het obstakel, maar valt erkenning van deze misdaden zo moeilijk, omdat ze een schuldig volk betroffen? In Duitsers als slachtoffers wordt in elf bijdragen met onderwerpen die variëren van de geallieerde bombardementen op Duitse steden tot de terreurgroepering RAF (Rote Armee Fraktion) en de Oost-Duitse geheime dienst, de Stasi, geschetst hoe er sinds de capitulatie in het ‘land van de daders’ is omgegaan met het Duitse slachtofferschap. Als één ding duidelijk wordt, is het wel dat het ‘Duitse slachtofferschap’ – waarmee dus niet wordt gedoeld op de vermoorde Duitse joden of verzetsmensen, maar op slachtoffers van de geallieerde oorlogsvoering – de afgelopen 62 jaar beslist niet te kampen heeft gehad met een gebrek aan aandacht, zoals regelmatig is beweerd.

Verwerking

Wel kende die aandacht conjuncturele schommelingen. Dat deze bundel nu verschijnt is niet toevallig. Films, boeken en tentoonstellingen die benadrukken dat ook Duitse burgers slachtoffer zijn geweest van ‘Hitlers oorlog’, zijn ongekend populair. Dat komt ook doordat er binnenkort geen ooggetuigen meer zullen zijn, en er nu een run plaats vindt op de laatste overlevenden, van wie velen de behoefte gevoelen hun levensverhaal te vertellen. Van Jörg Friedrichs emotionele Der Brand. Deutschland im Bombenkrieg 1940-1945 uit 2002, waarin schuilkelders ‘crematoria’ heten, werden binnen korte tijd 100.000 exemplaren verkocht. Günther Grass’ roman Im Krebsgang (ook 2002) over de ondergang van het passagiersschip Wilhelm Gustloff, was eveneens een succes.

Duitsers als slachtoffers gaat niet over de oorlogservaringen van deze miljoenen slachtoffers, en evenmin over hoe zij de naoorlogse periode hebben beleefd, maar over de publieke verwerking; de invalshoek van de bundel is overheersend politiek-historisch en historiografisch. Anders dan we geneigd zijn te veronderstellen zijn onze collectieve herinneringen aan historische gebeurtenissen geen eenvoudige afspiegelingen van de feiten. Historici onderzoeken dan ook niet alleen de Tweede Wereldoorlog zelf, maar ook de wijze waarop die werd herdacht. Zo kom je veranderingen en verschuivingen in het herdenken op het spoor.

Er bestaan in feite twee Duitse herinneringen: een West- en een Oost-Duitse. De in 1949 gestichte DDR zag zichzelf als de belichaming van de overwinning van het antifascisme op nazi-Duitsland. Zodoende behoefde de Oost-Duitsers zich niet als daders te verhouden tot het Duitse verleden. Sterker nog: de communistische opvatting dat het fascisme een uitwas was van imperialisme en kapitalisme, transformeerde de socialistische staat en zijn burgers tot slachtoffers van een kapitalistische kliek onder leiding van Hitler, en de Bondsrepubliek tot een soort voortzetting van het nationaal-socialisme met andere middelen. Dat nationale slachtofferschap werd gecombineerd met een even nationale verzetsheroïek, die bijvoorbeeld tot uitdrukking kwam in de mythe dat het kamp Buchenwald niet door de Amerikanen was bevrijd maar door de gevangenen zelf, onder leiding van de communisten. In de Gedenkstätte Buchenwald wordt deze mythe verbeeld met een gigantische socialistisch-realistische beeldengroep.

In Duitsers als slachtoffers bespreekt historica Beatrice de Graaf, onder de fraaie titel ‘Hitler was een West-Duitser’, niet alleen de geschiedvervalsing die het gevolg was van deze ‘antifascistische’ staatsdoctrine, maar vooral de harde consequenties voor de joodse overlevenden. Voor slachtofferschap op grond van ‘ras’ in plaats van ‘klasse’ bood de ideologische grondslag van de DDR geen enkele ruimte. De verzetsheroïek van de DDR impliceerde zelfs minachting voor het joodse lot. Antisemitisme was tegelijk een Oost-Europese praktijk (denk aan de felle antizionistische campagnes van de jaren zestig), én een verschijnsel dat onder het socialisme niet kon bestaan, aangezien racisme louter als kapitalistisch kwaad werd erkend. Zoals De Graaf laat zien, ontvluchtten joden massaal de Duitse heilstaat. Helaas lijdt haar interessante hoofdstuk, net als sommige andere in dit boek, aan het euvel dat er in kort bestek zeer veel onderzoek wordt samengevat. Niet alleen leest dat lastig, de wijze waarop de oorlog wel of niet werd herinnerd krijgt zo het aanzien van een compleet gepland, doelbewust project. De Duitslandkundigen beperken zich bovendien te veel tot literatuur uit eigen vakkring.

Ontkenning

In het westelijk deel van Duitsland verliep de collectieve herinnering anders. De Bondsrepubliek behoorde tijdens de Koude Oorlog tot het westerse bondgenootschap en onderhield onder bondskanselier Adenauer en daarna vriendschappelijke betrekkingen met de staat Israël. Maar ook hier duurde het lang voor de jodenvervolging aandacht kreeg. ‘Oorlogsslachtoffers’ in de jaren vijftig waren invalide, teruggekeerde soldaten, bombardementsslachtoffers of Vertriebene, uit Oost-Europa verdreven etnische Duitsers. Hun financiële schadeloosstelling stond in schril contrast tot de ontbrekende zorg voor kampoverlevenden, zo laat de Duitse auteur Erik Franzen zien in zijn hoofdstuk over ‘vlucht en verdrijving’.

Omstreeks 1960 werden de jodenvervolging en de erkenning van Duitse schuld belangrijker thema’s, al kwam het pas na de hereniging serieus tot Täterforschung (onderzoek naar daders). In de jaren zestig en zeventig maakten het streven naar ontspanning in de Oost-Westverhoudingen, plus vrees om in revanchistisch vaarwater terecht te komen, het voor ‘goede Duitsers’ een precaire onderneming om zich in te laten met bijvoorbeeld de uiterst rechtse Vertriebene-organisaties. Nog sterker leefde het taboe op Duits slachtofferschap onder de jongere generatie, die zich afzette tegen haar ouders – weggezet als daders en toekijkers – en zichzelf met alle arrogantie van dien definieerde als ‘antifascisten’. Gevangen RAF-leiders schroomden zelfs niet zichzelf af te schilderen als de ‘nieuwe joden’, slachtoffers van wat op z’n neomarxistisch ‘het systeem’ ging heten. Mede in reactie op die atmosfeer is het Duitse slachtofferschap nu zo’n hype.

Oost-Westverhoudingen, angst voor revanchisme, wisseling van generaties, ontkenning van daderschap, toeëigening van slachtofferschap; al die factoren zijn van invloed op de collectieve herinnering. Maar het taboe op de massaverkrachtingen verklaren ze niet. Dat de verkrachtingen onder communisten (in oost en west) een verboden onderwerp vormden, is duidelijk, maar waarom in West-Duitsland, waar het aan belangstelling voor Duitse burgerslachtoffers niet ontbrak? Er is met dit seksueel geweld iets bijzonders aan de hand: het raakt aan man-vrouwverhoudingen en opvattingen over de seksen. In het Duitsland van 1945 heerste een conservatieve katholieke sekse-ideologie. Vrouwen werden gezien als zondige verleidsters; een verkrachte vrouw was een onkuise, overspelige vrouw en een bedorven bezit. Niet voor niets werd de dagboekschrijfster die van de verkrachtingen getuigde, ervan beschuldigd dat zij de Duitse vrouwen bezoedelde. De slachtoffers kregen eerder straf dan troost. Pas decennia later, toen dat diepgaande seksisme was doorbroken, kwamen zij als oorlogsslachtoffers in zicht.

Duitsers als slachtoffers behandelt een belangrijk onderwerp: de omgang met politieke verantwoordelijkheid, het onderscheid tussen de categorieën betrokkenen, schuld en verdriet, herinneren en herdenken. Hoe samenlevingen de erfenissen van grootschalig geweld hanteren, is een vraag die niet alleen Duitsland aangaat, maar heeft universele relevantie. Het gaat er vaak harteloos aan toe, zo blijkt ook hier.