Het graf

De ene dag loop je nog met Franz Kafka door zijn oude stad, de volgende dag zoek je zijn graf op.

Daar lag hij dan. Onder een slanke, lichtgrijze, staande grafsteen, een van de meest gefotografeerde grafstenen ter wereld. Dagelijks bezoeken twintig tot honderd mensen zijn graf, vertelde de opzichter van de begraafplaats me, terwijl hij me verzocht zo’n wit keppeltje op te zetten dat bij zijn hokje lag. En wilde ik misschien al voor 20 kroon een foto kopen van het graf dat ik over enkele minuten zou zien?

De Nieuwe Joodse Begraafplaats, waar Kafka op 11 juni 1924 om vier uur in de middag werd begraven, ligt in het oosten van Praag, een lelijk deel met veel hoogbouw en drukke verkeerswegen. Maar de begraafplaats zelf, daterend van 1890, mag er zijn met zijn graven in alle maten en stijlen. Het kubistische graf van Kafka hoort tot de soberste, zoals bij hem past. Het perkje voor het graf was op deze dag bezaaid met kiezels waarop munten en briefjes lagen. Enkele mensen hadden bosjes kunstbloemen achtergelaten.

Het was een mooie meimorgen, de zon stond aan een onbewolkte hemel, alles zong en zinderde van leven in de weelderige bomen en struiken rond de graven. Je zou er bijna vrolijk van worden, als die stenen niet zo indringend hun eigen dode taal hadden gesproken. Bij Kafka viel het nog mee, hij was per slot van rekening een natuurlijke dood gestorven, evenals zijn ouders, die in hetzelfde graf zijn begraven. (Kafka’s naam staat op de grafsteen boven de namen van zijn ouders, wat bepaald niet de wens van zijn vader zal zijn geweest.) Maar het graf bevat ook een aparte steen met een verwijzing naar de drie zussen van Kafka, die in de vernietigingskampen van de nazi’s omkwamen. Het is de gruwel die Kafka in een vlaag van creatieve helderziendheid heeft beschreven in zijn verhaal In de strafkolonie. Even verderop zag ik het graf van een zekere familie Arend waarvan acht leden in de oorlog waren vermoord. Moeder Gabriela, in 1936 overleden, had het goddank niet hoeven meemaken.

Het graf van Kafka ligt vrijwel tegen een buitenmuur waaraan gedenkplaten van andere doden zijn bevestigd. Zijn grote vriend Max Brod houdt hem op deze manier gezelschap, maar er hangen ook talrijke gedenkplaten van joodse oorlogsslachtoffers uit Praag. Hoeveel moeten het er in totaal wel niet zijn geweest, vroeg ik me onwillekeurig af.

Uren later bezocht ik in de joodse wijk de Pinkassynagoge en de Spaanse synagoge. In de Pinkassynagoge zijn de muren van een aantal vertrekken bedrukt met de namen van tienduizenden slachtoffers. Het verhaal van een genocide, verteld door de naakte namen. Deze synagogen gaven me de cijfers waarnaar ik zocht. Vóór de deportaties leefden er 92.000 joden in Bohemen en Moravië, 80.000 werden er gedeporteerd, slechts 10.000 overleefden het.

Ik verliet de Spaanse synagoge en hoefde maar twintig meter te lopen naar het volgende belangrijke adres: de Bilekgasse (Bílkova) nummer 10. Een saaie, brede straat met gebouwen van vier verdiepingen. Daar ging Kafka als 31-jarige vrijgezel voor het eerst zelfstandig wonen. En wat belangrijker was: hij vond er eindelijk de rust om aan Het Proces te beginnen, dat boek waarin hij de mens definitief zijn onschuld laat verliezen.