‘Het gaat mis, dat is zeker’

Met een gestage productie van ongeveer een boek per twee jaar, schildert Guido van Driel een oeuvre van ‘graphic novels’ met typisch Nederlandse onderwerpen bij elkaar. In De fijnproever vertelde hij het verhaal van een saxofoonrestaurateur die zijn vrije tijd in de rosse buurt doorbracht. In Toen we van de Duitsers verloren, reisde Van Driel terug naar 1974 om een gruwelijk drama in een Zaanse buitenwijk uiteen te zetten. Zijn volgende boek Ommekaar in Dokkum ging over asielzoekers en tot inkeer gekomen criminelen. Al het gevloek in dit boek zorgde ervoor dat de christelijke gemeenteraad van Dokkum, die het als een opdracht hadden laten vervaardigen, het boek niet als relatiegeschenk wenste uit te delen. In zijn nieuwste boek De ondergang van Amsterdam lijkt Van Driel wel een bijbelse profeet. Hij toont ons de hoofdstad aan de vooravond van een grote zondvloed. Wederom kiest hij in dit verhaal voor gewone mensen die in sterke dialogen de wereld becommentariëren en zich verbazen over onze maatschappij.

Op de veilige hoogte van een derde-etagewoning in Amsterdam, vertelt Van Driel over De ondergang van Amsterdam. Daarin reist de hoofdpersoon, Titus, met zijn collega en vriend ‘Robuuste Robbie’ door Amsterdam. Robbie is een klimatologische doemdenker van het zuiverste water. Hij is ervan overtuigd dat de stad binnenkort onder water zal staan. Hij heeft zelfs al een boot aangeschaft en niet voor niets. Het verhaal over een overstroomd Amsterdam is slechts gedeeltelijk symbolisch, want Van Driel maakt zich serieus zorgen over het klimaat: „Na die film van Al Gore was ik behoorlijk geschrokken. Half Nederland zou onder water staan op het kaartje dat hij liet zien. Ik vertelde aan vrienden dat ik vreesde dat het wel eens afgelopen zou kunnen zijn, maar die zeiden: ‘Ach, je woont toch op drie hoog’ en ‘We kopen wel een bootje’. Ik kreeg ook een droom over een vloedgolf. Daarin voelde ik heel duidelijk hoe het allemaal zou gaan.”

Van Driel is ervan overtuigd dat het daadwerkelijk mis zal gaan, maar het boek staat ook symbool voor een denk- en leefwijze die leidt tot deze ondergang. Dat is al meteen duidelijk bij de eerste woorden van het boek, uitgesproken door Robbie: „Kijk als de winst van dit jaar groter moet worden dan de winst van vorig jaar en dat ieder jaar opnieuw... Dat is toch een hysterisch krankjorum uitgangspunt”. Van Driel: „Net zoals het communisme verdween, zal ook het soort kapitalisme waarin we nu leven ten onder gaan. Het is zo duidelijk gegrondvest op angst en begeerte dat het bijna een wetmatigheid is. De zeeën zijn leeggevist, de olie is bijna op, ontbossing, modderstromen en dit is nog maar het begin. Kapitalisme is tegenwoordig een soort ongebreideld consumentisme geworden. Iedereen hamert er in reclames op dat alles ‘grenzeloos’ is en dat ‘alles kan’. Natuurlijk zijn er wel grenzen!”

De ondergang van Amsterdam maakte Van Driel, net als Ommekaar in Dokkum, in opdracht. Vrij Nederland vroeg hem om een verhaal over Rembrandt. Hoe moeilijk is het om een lang stripverhaal te maken zonder opdrachten of subsidie?

„Als ik alleen royalty’s zou krijgen voor een boek, zou het erg moeilijk worden. De opdrachten die ik krijg, kan ik vaak combineren met ideeën en scenario’s die ik al had. Voor Ommekaar in Dokkum wilde ik een verhaal maken over een asielzoeker. Toen ik naar Dokkum reed, was het eerste dat ik zag een asielzoekerscentrum! Voor De ondergang van Amsterdam had ik ook een verhaal liggen, waarvan sommige delen al waren uitgewerkt. Toen Vrij Nederland me om een verhaal voor het Rembrandtjaar vroeg, heb ik er wat scènes in verwerkt waarin zijn werk voorkomt. Eerlijk gezegd zat ik een beetje vast met het verhaal en is het door die opdracht beter geworden. ”

Van Driel werkt momenteel aan het scenario voor de verfilming van zijn eigen boek. Onlangs kon hij al proeven aan het vak van filmmaken met een korte televisiefilm voor de VPRO: Groen is toch de mooiste kleur voor gras. Het ging hem goed af, zegt hij: „ Ik stelde de verfilming van Ommekaar in Dokkum voor bij Motelfilms en na een week belden ze dat ze het een goed boek vonden. Ik moest alleen eerst een korte film maken, om niet meteen in het diepe te springen. Na 12 draaidagen was ik bekaf. Je maakt lange dagen, ik leed aan slapeloosheid en ik moest erg wennen aan het samenwerken met al die mensen. Ik wil graag nog zo’n avontuur, maar ik was ook dolblij om daarna weer alleen achter de tekentafel te gaan zitten. Lekker plaatjes draaien en asociaal tekenen.”