Heimelijk zoet

Als een duivel, zo strekt de stad Berlijn zijn handen uit naar Franz Biberkopf, de hoofdpersoon van Fassbinders legendarische serie ‘Berlin Alexanderplatz’. De serie is nu, opgepoetst en wel, te zien in de filmhuizen.

De film begint met een operettelied. Een tenor met een stem van schellak zingt: Freunde, das Leben ist lebenswert! Daarna zien we uur na uur de grootste ellende voorbij trekken: werkloosheid, dieven, hoeren en pooiers, verraad, verminking en moord. Vijftien uur, alles bij elkaar.

Wat moet je dan denken? Dat het openingslied cynisch bedoeld is, toch? Zijn we door de poort van de ironie gegaan? In ieder geval denk je meteen te weten dat het hele melodrama van Berlin Alexanderplatz met een postmoderne knipoog genuttigd moet worden. Zo zijn we het gewend geraakt. Wij kennen de films van Lars von Trier en van François Ozon, en we hebben aan een half lied genoeg om te weten hoeveel afstand we dienen te houden tot het getoonde drama.

Maar zo is het hier niet en wat is dat verfrissend. Verfrissend en uitputtend tegelijk.

Rainer Werner Fassbinder gebruikte het lied van Franz Léhar uit 1934 voor de openingstitels bij dertien afleveringen van zijn tv-serie Berlin Alexanderplatz uit 1980. In een tijdsbestek van een minuut en twintig seconden bereikt de regisseur met die titelsequentie twee cruciale dingen. De muziek verplaatst zijn kijkers terug naar Duitsland in de crisisjaren, net als de montage van archieffoto’s die tegelijkertijd wordt getoond. Maar muziek en beeld dragen daarbij verschillende boodschappen over. Het lied van Léhar zingt van palazzo’s, schone signorina’s, donkerrode rozen en flarden muziek.

Het deel dat Fassbinder gebruikt, begint zo:

Freunde, das Leben ist lebenswert! (Vrienden, het leven is het leven waard)

Aus dem Dunkel stiller Gassen (Uit het duister van stille stegen)

Leuchten Augen, heiß wie Feuer, (lichten ogen op, heet als vuur,)

Locken tausend Abenteuer (en lokken duizend avonturen)

Heimlich süß! (heimelijk zoet)

Intussen zien we mannen

in de rij staan voor het stempellokaal, demonstraties, een groepje vrouwen met schort voor, blinde staartmuzikanten, fabrieksarbeiders, mannen in een kroeg, (heel kort) de dikke kont van een vrouw die een man berijdt. O zeker, we zien ook de neonreclame voor Aschingers danscafé en een glansportret van twee beroemdheden, maar vooral stratenmakers, fruitverkopers, bedelaars, werklozen en vuilrapers.

Daarachter, doorschijnend als een spook, denderen continu de wielen van de Straßenbahn door beeld en geluid. Dat is het antwoord van de grote stad: onverschillig wat de mensen doen, Berlijn raast door. Het is geen ironie die beeld en geluid uit elkaar houdt, het is de verbeelding van de ambivalentie van het leven. In een minuut en twintig seconden geeft Fassbinder het hele program voor zijn meesterwerk. Nu kunnen we gaan kijken.

Wat een aardige mensen wonen er in de stad. Franz Biberkopf aarzelt op de drempel van de gevangenis. Hij kan het er niet leuk hebben gehad, toch jaagt de stad die hij vier jaar niet heeft gezien, hem meer schrik aan. Hij houdt zijn oren en ogen stijf dicht. Je hoeft niet bang te zijn, zegt de bewaker. Het smeuïge Berlijnse accent, waar de k’s en g’s als j klinken, maakt zijn woorden alleen nog maar zachter. Musst keine Angst haben – moes jeen angst haben.

Als Franz een Poolse hoer ontmoet, raadt zij direct dat hij vier jaar gezeten heeft. Zie je, zegt ze, nu is alles weer goed en dan wordt ze zijn vriendin. Zijn oude huishoudster is blij dat hij terug is, net als de waard van zijn stamcafé en zijn beste vriend Meck. Eva, zijn beste vriendin, aardse Eva, die haar benen wijd uiteen plant alsof ze nooit zal wijken voor welke kracht dan ook, vraagt Franz of hij met haar wil gaan. En als hij haar niet wil, rust ze niet voor ze hem het ideale meisje heeft bezorgd, het hoertje Sonja, die hij Mieze zal noemen.

De vriendelijkheid van de mensen geeft Franz moed. Hij dacht dat er voor hem geen plaats meer was in de stad. Hij heeft vier jaar geleden zijn vriendin doodgeslagen – Ida, die Ida – en voor die moord heeft hij in de gevangenis gezeten. Maar niemand die het hem nog kwalijk lijkt te nemen. Franz kan een nieuw leven beginnen en dat is precies wat hij wil. Hij zweert het als hij met Lina gaat vrijen. „Ik wil eerlijk zijn. Ik wil nooit meer iets doen wat alle andere mensen ook niet doen.”

Maar een eed zweren op een moment dat alles goed gaat, is iets anders dan je eraan houden wanneer het moeilijk wordt. Wat zegt Satan ook weer tegen God als hij Job ziet? „U hebt het werk dat hij doet gezegend, zodat zijn bezit zich steeds meer uitbreidt.” Geen wonder dat zo’n man godvrezend is. Moet je eens kijken wat daarvan overblijft als je hem al het goede weer afneemt.

Zoals de duivel van God zijn hand naar Job mag uitstrekken, zo gaat de stad ook tegen Franz Biberkopf tekeer. Als de Oud-Testamentische God, die kan verheffen wat laag is en wat hoog is te gronde kan richten als Hij het wil, zo biedt de stad Biberkopf alle kansen en bezorgt ze hem zijn diepste ellende.

Ellende en goede moed, goede moed en ellende, dat zijn de bestanddelen van het melodrama. Met de naïviteit van een dier neemt de melodramatische mens steeds opnieuw een aanloop voor zijn sprong in de afgrond. Baf, stort weer in de diepte. En staat weer op.

Waarom zou het Franz Biberkopf – in de enorme gestalte van acteur Günter Lamprecht – beter vergaan dan de andere mensen? Hij wilde toch zijn zoals de andere mensen en niet anders? Als hij, en dan zijn we nog maar aan het eind van deel 1, van de reclassering heeft gehoord dat hij een baantje mag zoeken in Berlijn, loopt hij naar buiten, neemt Lina in zijn armen en tilt haar op. „Gewonnen hebben we, Lina, we hebben gewonnen!” Terwijl zij daar zo staan, gaat de camera nog even terug naar de gang waar Franz uit kwam lopen. Daar staat nog een lange rij mannen te wachten voor het kantoor. Doffe berusting heerst hier. Wat heeft Franz Biberkopf voor reden om te denken dat het hem beter zal vergaan dan hen? Kiest de slager eerder een vervelende koe uit de kudde dan een goedaardige? Nee toch?

„Het vergaat de mens zoals het slachtvee. Zoals dat sterft, zo sterft hij ook.” Fassbinder kan als filmer nog beter doen wat Döblin als schrijver al zo mooi deed: monteren. Döblins uitwijdingen over de stad of over de bijbel kan Fassbinder samenvatten in een titelbord, laten vertellen door een voice-over, of tonen in een scène. De terugkerende vergelijking met het vee wordt in al deze gedaanten ten tonele gevoerd. Hij wordt bovendien bijna vanzelfsprekend in verband gebracht met de verhouding tussen mens en god. Abraham moest zijn enige zoon toch ook offeren als een stuk vee?

Berlin Alexanderplatz is briljant gemonteerd als een elliptische vertelling. Er zijn wel steeds nieuwe voorvallen, maar die doen allemaal denken aan eerdere gebeurtenissen. Franz die Ida doodslaat, dat zien we wel vijftien keer terug in de film. Waarom? Omdat Franz daar steeds aan denkt. En steeds vat hij weer moed: dit keer zal het anders gaan. Maar het gaat nooit anders. Voor hij het weet zit hij weer bovenop Mieze en timmert hij haar net zo op haar gezicht.

Fassbinder filmt veel interieurs,

donkere ruimtes. En als het licht binnendringt, lijkt het direct door de personages heen te slaan, alsof ze geen beletsel vormen voor de wereld om haar gang te gaan. Het is een gevolg van de techniek – om in het donker te kunnen filmen, moest cameraman Xaver Schwarzenberger zijn diafragma flink opendraaien, waardoor de lichtbronnen fonkelen als sterren – maar het heeft een inhoudelijke betekenis. Vooral bij Franz is het effect wonderbaarlijk. Deze grote, vlezige man wordt doorschijnend, een schaaldier zonder schelp, weerloos tegenover het leven.

De wereld van Franz Biberkopf is ook een duister, onguur stukje van de grote stad. Hoe vriendelijk iedereen ook doet, het zijn vrijwel uitsluitend hoeren, dieven, straatverkopers en arme joden die Franz ontmoet, de zelfkant van het Berlijn van de jaren twintig. Dit is de wereld waarin hij zweert fatsoenlijk te blijven. Weggaan kan hij niet. Als de rechtbank zegt dat hij de stad moet verlaten, wordt Franz wanhopig. Hij jubelt als hij mag blijven, bij zijn vrienden die zeggen in fruit te handelen, maar in feite gangsters zijn. Bij de huisbazen die weten wat zich in elk huis afspeelt en inbrekers tippen. Bij de vrouwen die alleen prostitutie als beroep kennen.

Het is net of Franz het allemaal niet ziet. Hij glimlacht erom. De vergelijking met Jezus tussen de tollenaars en de hoeren dringt zich op, en is ongetwijfeld ook door Fassbinder zo bedoeld – Buñuels Viridiana was niet voor niets een van zijn lievelingsfilms. De veertien afleveringen van Berlin Alexanderplatz corresponderen met de veertien staties van Jezus’ kruisgang. Ook Franz Biberkopf wordt geboren, sterft en herrijst. En ook hij wordt verraden door een van zijn metgezellen, Reinhold. Als Berlin Alexanderplatz melodrama is, dan is het Nieuwe Testament het ook.

Ik kan er niks aan doen, maar ik proef altijd iets nichterigs in de voorliefde van filmers als Ozon voor melodrama. Naar een soapserie kijken en lekker janken op de bank. Het voelt vals als kitsch. Je weet dat je naar iets sufs zit te kijken en toch zet je de kraan van je emoties wijd open. Dat is veilig. Je huilt om iets wat je niet werkelijk raakt en wat je achter je laat zodra je de tv weer uitzet of doorzapt naar het Songfestival.

Maar Fassbinder werd echt geraakt door de geschiedenis van Franz Biberkopf (zie kader). Hij verplaatste het zwaartepunt in zijn film naar de gedoemde verhouding tussen Franz en Reinhold. „Wat een treurige ogen heeft die”, zegt Franz in zichzelf als hij Reinhold voor het eerst ziet, en hij voelt zich direct tot hem aangetrokken.

Het is, schrijft Fassbinder expliciet in een soort toelichting op zijn werk, beslist geen homo-erotische liefde tussen Franz en Reinhold. Het is „een zuivere liefde die zich door de maatschappij niet in gevaar laat brengen”. Dat moet in het bestek van deze geschiedenis wel het toppunt van liefde zijn. De maatschappij leert Franz immers mores. Hij wordt neergesmeten en neergesmeten tot hij murw is, bruikbaar om zijn plaats in de samenleving in te nemen.

Reinhold is een van de instrumenten die de stad – of God of de duivel – gebruikt om Franz neer te smijten. Dat maakt Reinhold niet slecht in de ogen van Franz. Integendeel, hij blijft Reinhold opzoeken, blijft hem verdedigen tegen degenen die hem juist waarschuwen voor deze figuur. Zijn beste vrienden van vroeger wegen niet op tegen deze liefde.

De liefde die Franz van Mieze kan krijgen is veel minder ambivalent. Als zij voor het eerst bij zijn huis komt, staat de camera gericht op Franz die zijn gezicht in zijn handen verbergt. Hij (en wij ook) hoort voetstappen op de gang. Dan klinken zacht de akkoorden van het thema dat Fassbinders vaste componist Peer Raben voor Mieze schreef en pas dan zien we Mieze in de deuropening staan, oplichtend als een engel.

Maar Franz zoekt geen engel voor zijn redding, hij wil eerst boeten. Boetedoen, in de christelijke zin van het woord, is wat hem drijft. Als hij voor het eerst terugkomt in zijn oude woning, staat daar nog de foto van de vriendin die hij heeft doodgeslagen. Hij keert de foto om, en keert hem dan nog eens om: hij moet haar onder ogen zien.

Zijn heimwee naar de gevangenis wijst daar ook op, maar vooral de geheimzinnige aantrekkingskracht die Reinhold op hem uitoefent. Het is of hij weet dat er niets goeds van deze man kan komen, maar hij moet en zal zich aan hem binden. We zien later dat Reinhold een aambeeld op zijn borst heeft getatoeëerd. Waarom geen bed, zegt de vrouw die hij het laat zien. Had ook gekund, zegt Reinhold, maar dit is eerlijker.

Als Reinhold hem onder een auto heeft gesmeten, zoekt Franz hem later op. „Ik dacht dat je kwam om af te rekenen’’, zegt Reinhold, pistool in de hand. „Wat nou afrekenen”, zegt Franz. „Ik wou gewoon bij jou zijn.”

Melodrama voor twee mannen. Maar nooit zo simpel als het melodrama in bijvoorbeeld Ozons laatste film, Angel, met een meisje dat een gesuikerd leven wil en een bittere hap neemt. Franz’ dromen zijn veel verontrustender dan dat. Al Fassbinders eigen fascinaties heeft hij in Berlin Alexanderplatz de vrije teugel gegeven; ook in die zin is het een sleutelstuk van de regisseur die zichzelf in zijn werk opbrandde als een goedkope sigaret.

„Ik zou je op het boetebankje willen zien zitten en zelf toekijken”, zegt Reinhold, Reviaans avant la lettre. Dit is liefde en haat, sadisme en masochisme tegelijk. Deze liefde is even ambivalent als het verhaal van Franz Biberkopf, dat even ambivalent is als het leven zelf.

Het zit eigenlijk allemaal al in die twee woorden van Léhar. Heimlich süß.

‘Berlin Alexanderplatz’ is te zien in het Filmmuseum Amsterdam en het Filmhuis Den Haag. In het najaar komt de serie op dvd uit.