Genees die jongen

Floortje Zwigtman: Tegenspel. De Fontein, 492 blz. € 19,95

Op bladzijde 250 van Tegenspel, de nieuwe jeugdroman van Floortje Zwigtman, prevelt hoofdpersoon Adrian Mayfield: „Kwade dagen.” De schrijver Oscar Wilde heeft dan net de beruchte rechtszaak tegen de vader van zijn geliefde Bosie aangekondigd – de rechtzaak die zijn ondergang zou worden. We zijn dan halverwege en de vuistdikke roman is eindelijk echt begonnen.

Tot dat moment heeft de lezer langdurig rondgedwaald in het historische en schilderachtige decor van Londen rond 1900. Even doelloos als Adrian Mayfield, die tobt met zijn preutse minnaar en met schaduwen uit zijn verleden. De lezer zit 29 hoofdstukken lang in een wachtkamer, die ruimschoots de gelegenheid biedt om na te denken over het schrijverschap van Floortje Zwigtman.

Zwigtman kreeg vorig jaar de Gouden Zoen en de Gouden Uil voor Schijnbewegingen, het eerste deel van een trilogie waarin Tegenspel het tweede deel vormt. Dat was een terechte beloning voor de reikwijdte van deze neo-Victoriaanse roman, waarin Zwigtman de cause célèbre rond Wilde vol flair inkleurde met zaken als homoseksualiteit, politiek gekonkel en afpersingspraktijken. Al vond ik de hoofdpersoon en de stijl te vlak om het ambitieuze boek helemaal te kunnen dragen.

Heel anders dan het overrompelende Wolfsroedel (2002), waarmee Zwigtman doorbrak en een proeve van haar grote talent en vakmanschap heeft afgegeven. In Wolfsroedel heeft Zwigtman tal van Roemeense legenden – waaronder die over ‘Dracula’ Vlad Teppes – en volkshymnen ingekookt tot een verhaal over de eeuwige strijd tussen goed en kwaad. Bij verschijning wekte dit boek over een jeugdige roversbende in het negentiende-eeuwse Roemenië enige beroering door het vele geweld. Vijf jaar later beklijft vooral de onontkoombare sfeer van dit koortsachtige mozaïek van verhalen.

Ook in Tegenspel heeft Zwigtman waar gebeurde en verzonnen geschiedenissen vakkundig in een roman gegoten; de lijst geraadpleegde literatuur is indrukwekkend. Opnieuw woedt er een strijd tussen goed en kwaad, in dit geval tussen de hofhouding rond Wilde en het politieke establishment. Opnieuw moet de hoofdpersoon partij kiezen in het volle besef niet meer te zijn dan een pion in een schaakspel van de machtigen.

De hoofdpersoon is in Wolfsroedel echter niet veel meer dan een getuige die verslag doet van zijn overlevingstocht tussen tal van kleurrijke personages; een kleurloze Elckerlyck die niet voor niets is toegerust met de Roemeense allemansnaam Ion. De hoofdpersoon van De Groene Bloem-cyclus is ook een getuige die verslag doet; in Tegenspel schopt deze volksjongen het dankzij zijn minnaar Vincent zelfs tot journalist. Adrian Mayfield is daarnaast ook bedoeld als een round character, maar hij is als zodanig niet gelukt.

Zwigtman belicht uitgebreid Mayfields persoonlijke wedervaren, van zijn verliefdheid en geilheid tot de herhaaldelijke bezoeken aan de volkskroeg van zijn jeugdvriend en aan een psychiater die hem van zijn homoseksuele geaardheid wil genezen. Mayfield komt desondanks niet tot leven. Zwigtman lijkt bij het schrijven meer aan het historische decor te hebben gedacht – een ranzig hoerenbezoek biedt vooral couleur locale – dan aan het boetseren van haar personage.

Haar hoofdpersoon zit vol weinig opzienbarende gedachten die in een vlakke stijl zijn opgeschreven. Zo wijst Vincent op een schilderij een blind meisje aan met de opmerking: „Zij kan al die prachtige dingen om haar heen niet zien.” Adrian denkt dan: „In de korte stilte die Vincent liet vallen, besefte ik hoe triest dat was.” Tja. Adrian mag dan getuige zijn van grote gebeurtenissen, hij mist een persoonlijk filter om die op een interessante manier te kleuren.

Dat wreekt zich vooral in de eerste helft van Tegenspel, dat niet meer dan een voorspel is. In de tweede helft zorgt de rechtzaak van Wilde voor zoveel dynamiek, dat de gebeurtenissen ook onder een onpersoonlijke blik vaak interessant zijn. Zwigtman toont dan in enkele scènes haar grote vertelkunde. Huiveringwekkend is het verslag van de rechtzaak, waarin de eloquente en elegante Wilde wordt vernederd door de gehaaide advocaat van zijn tegenstander. Angstaanjagend is ook de homohaat die oplaait tijdens de rechtzaak en die bijvoorbeeld Adrians vriend Trops op de vlucht jaagt – Trops, het meest geslaagde personage uit het eerste deel, de kleurrijke schilder wiens rol in Tegenspel helaas een stuk kleiner is.

Deze sterke passages maken Tegenspel niet tot een overtuigende roman, evenmin als ze deden bij Schijnbewegingen. Ze werpen veeleer de vraag op waarom Zwigtman haar trilogie niet heeft samengebald in één ijzersterke roman.