Europa, dat is wat ons vandaag bindt

Een nieuwe mens is bezig te ontstaan, de Europese mens. Zelf is hij zich daarvan nog niet bewust, de meeste politici, geplaagd door hun bijziendheid, merken hem niet op. Wat hem maakt, zijn zijn zorgen. Het bekende rijtje: gezondheid, onderwijs, zekerheid, veiligheid, naar wens aan te vullen. Die zorgen deelt hij, onbewust, met zijn Europese medeburgers.

In alle Europese landen zijn die zorgen prioriteit, maar zij worden nationaal beleefd. Toch liggen hier de aanknopingspunten voor een nieuw Europees elan, waar het onderlinge wantrouwen plaats zou maken voor nieuwe ideeën, nieuwe voortvarendheid om die ideeën in beleid om te zetten. Want, het klinkt als een cliché, alleen in gemeenschappelijkheid is dit mogelijk. Dat waren we vergeten toen wij het grondwetverdrag afwezen. De impasse van nu beklijft zolang sociale politiek op Europees niveau taboe blijft.

Een bekend ijkpunt voor het meten van de algemene (on)tevredenheid is de bestaande verwachting wat betreft de toekomst van onze kinderen. In nagenoeg alle westerse democratieën is men sinds de Tweede Wereldoorlog vertrouwd geraakt met de idee dat iedere volgende generatie het beter zal hebben dan de voorgaande. (Die verwachting bepaalde ook lange tijd de magneetwerking van de Europese Unie op de mensen in Oost-Europa.)

Deze lijn is intussen verbroken, wellicht niet in de werkelijkheid, maar wel in het persoonlijk perspectief. De politiek, nationaal of Europees, heeft hierop geen antwoord. De financiële anarchie die met de globalisering gepaard gaat en die aan de wortel ligt van de bestaande bezorgdheid, wordt ervaren als een historische onvermijdelijkheid. Zo gaan die zaken nu eenmaal, verklaren de spelers in dit casino hun handelen aan het argwanende publiek.

De reactie is meer nationalisme, meer populisme, meer canon. Maar, om een voorbeeld te noemen, de existentie van Nederland wordt niet alleen bepaald door monarchie, kabinet en parlement, volkslied en vlag.

Subsidiariteit wordt aangeprezen als het wondermiddel voor alle bestuurlijke kwalen, beleid zo dicht mogelijk bij de burger tot uitvoering gebracht. Maar terwijl die burger zich naar de inspreekavond van de gemeente haast, wordt al globaliserend zijn baan onder zijn achterste weggetrokken, wordt zijn bankrekening tot speelbal gemaakt van ondoorgrondelijke krachten die zich van fraaie bestuurlijke beginselen niets aantrekken, worden zieke en behoeftige verwanten en kennissen ter wille van de ‘flexibilisering’ van hun alfahulp afgeholpen.

Voor bewustwording is verslechtering nodig: het moet eerst slechter gaan voor het beter wordt. Het klinkt als een wanhopige uitvlucht. Hoeveel slechter, is de onmiddellijke vraag. En kan verslechtering misschien ook onomkeerbaar worden als we niet tijdig ingrijpen? Anders gezegd: is het Europees project zelf voor de toekomst voldoende verzekerd?

Tegenover het hier geschetste noodlotscenario staat het pragmatisme van wat in economenjargon ‘a soft landing’ heet, een verandering die noodzakelijk is aanvaarden, en de gevolgen beheersbaar houden. Voor een geslaagde zachte landing is een ervaren piloot nodig en een alerte bemanning van de verkeerstoren. Alle informatie over de omstandigheden waaronder geland moet worden, dient gemakkelijk beschikbaar te zijn. Begint het te dagen?

Deze krant had afgelopen maandag een opmerkelijk vraaggesprek met Bernard Wientjes, voorzitter van de werkgeverscombinatie VNO-NCW. Als georganiseerd ondernemer is Wientjes voorstander van een open economie. Nederland kan niet zonder. Maar de schermutselingen rondom ABN Amro baren hem zorgen. Wientjes noemt ABN Amro „een bank waarmee Nederland in het buitenland ook zijn visitekaartje afgeeft. Als die zou worden opgebroken, dan vind ik dat heel zorgelijk. (…) Nederland moet nu goed nadenken over wat zijn positie nog is in een wereld waarin de grenzen verdwenen zijn.”

En dan komt de hamvraag: „Zijn we niet roomser dan de paus geworden? Roomser dan Frankrijk, Engeland, Duitsland, de VS. (…) We zouden dat graag eens op een rij willen zetten om de discussie op te schudden.” Het kan ook doorslaan, zegt Wientjes over de gegroeide macht van aandeelhouders, over het betrekkelijk nieuwe verschijnsel van private equity en hedgefondsen.

Voorlopig wordt van alles opgeschud, behalve de discussie. De gewraakte opschudders zitten niet op een discussie te wachten. Die moet hun worden opgedrongen. Wientjes ziet een taak voor de premier: dit kabinet heeft geen visie hoe Nederland zich moet opstellen in een globaliserende wereld. Maar de ondernemersvoorzitter was al enigszins bediend. Staatssecretaris van Europese Zaken Frans Timmermans zei een paar dagen eerder in Parijs: „De rauwe werkelijkheid van het aandeelhouderskapitalisme zoals geïmporteerd vanuit de Verenigde Staten is vreemd aan de traditie van het oude continent, die is gebaseerd op harmonie en niet op conflict.” En vervolgens ter verduidelijking in deze krant: „Als een bedrijf ten gronde wordt gericht, dan moet een toezichthouder kunnen ingrijpen.” Volgens Timmermans is de EU het juiste forum om daarover te beraadslagen. Ook al zijn er verschillen in benadering binnen Europa „onze punten van overeenstemming zijn veel belangrijker dan onze meningsverschillen.”

Zo is het maar net. Laten we alle dromerijen over het eigen warme nest, over de eigen wortels, over de canon van VOC en de rest opzij zetten en ons realiseren wat ons in de wereld van vandaag bindt. De Europese markt, de Europese Gemeenschap en de Europese Unie hebben internationaal indruk gemaakt. Ver buiten zijn grenzen hebben groepen landen naar Europa gekeken, als naar een voorbeeld dat nagevolgd moet worden. Laat Europeanen beseffen wat zij al in huis hebben. Het Europese Huis.

J.H. Sampiemon is medewerker van NRC Handelsblad.