Een minuut stilte voor De Ooievaars

Voetbalclub De Ooievaars bestaat al twintig jaar niet meer. Maar de voormalige joodse leden komen eens per jaar bij elkaar voor een herdenkingsceremonie. „God-weet-waarom ben ik de dans ontsprongen.”

Er is een voetbalclub in Den Haag die niet meer voetbalt. Die zelfs niet meer bestaat. Maar waarvan de vroegere leden nog wel op 4 mei bij elkaar komen: De Ooievaars. Vanmiddag legden zij voor de 62ste keer een krans en namen zij een minuut stilte in acht. Ter nagedachtenis van hun omgekomen ploeggenoten.

De Ooievaars was voor de oorlog een joodse club. Er werd niet gevoetbald op Sjabbat. En alle leden waren halachisch: geboren uit een joodse vader en een joodse moeder. „Een beetje sektarisch”, geeft oud-aanvoerder Louis Tokkie (82) toe. „Maar ja, zo ging dat in die tijd. Voetballers die verkering kregen met een christenmeisje werden uit de selectie verwijderd. Tegenwoordig zouden we dat discriminatie noemen.” De Nederlandse Voetbal Bond (NVB) was niet gelukkig met de opzet, maar ging na lang wikken en wegen akkoord.

De Ooievaars werd in 1911 opgericht „om het slappe joodsche lichaam lenig en sterk te maken en het verdwijnende saamhorigheidsgevoel te versterken”. In die tijd werd de Haagse jodenbuurt geteisterd door drinkende en gokkende jongeren. Een voetbalclub zou hen van de straat kunnen houden, vermoedden de oprichters. Met veel gevoel voor symboliek werd De Ooievaars opgericht in een streng niet-alcoholisch café.

Aanvankelijk zou de club Vitesse gaan heten, maar toen bleek dat er al een Arnhemse club met die naam bestond, werd gekozen voor het dier dat het wapen van de Hofstad siert. Het clubtenue was geel-zwart, net als bij de beroemde stadsgenoot HVV. De veelvoudig landskampioen was destijds zeer populair onder Haagse joden en diende als inspiratiebron voor de ambitieuze nieuwelingen.

Aanvankelijk zag het er niet naar uit dat Louis Tokkie een van hen zou worden. „Ik vond dat De Ooievaars te laag speelden”, zegt de man die tot vlak voor de oorlog bij ADO 2 voetbalde. Eind 1939 kreeg hij van twee bestuursleden van de Haagse club te horen dat hij ‘als jood’ niet langer nodig was. „Of ik boos of beledigd was”, vraagt Tokkie oprecht verbaasd. „Helemaal niet. Het was een tijd waarin je zoiets gewoon accepteerde. In discussie ging je niet.”

In zijn tuin in Voorburg bladert de voormalige linksback door het verleden van De Ooievaars. „Kijk, hier is het elftal dat in 1939 kampioen werd en promoveerde naar de derde klasse van de KNVB. Door onder meer het machtige Wassenaar te verslaan – echt een stunt in die tijd.” Veel van de spelers liepen overdag achter de voddenkar, een enkeling was werkloos. Tokkie zelf was bontwerker in Den Haag en dook tijdens de oorlog onder in de Achterhoek. „Ik ben een paar keer opgepakt en mishandeld”, zegt hij opeens op fluistertoon. „Maar God-weet-waarom ben ik de dans ontsprongen.”

Al voor de oorlog kregen de spelers van De Ooievaars met antisemitisme te maken. ‘Vuile rotjood’ was op het voetbalveld een gangbaar begrip, herinnert Tokkie zich. „Maar ik heb nooit meegemaakt dat iemand van ons daar kwaad om werd. Het was net zoiets als ‘vuile rooie’ of ‘hé schele’.” In het jubileumboek wordt beschreven hoe De Ooievaars een belangrijke wedstrijd moest spelen tegen Delft, vlak voor de oorlog. Toen ze voor kwamen te staan, werd de scheidsrechter voor ‘vuile jood’ uitgescholden. Tokkie: „De man was katholiek, maar leek een beetje op ons. Na het laatste fluitsignaal moest ook hij rennen voor zijn leven.”

In de zomer van 1941 werd De Ooievaars wegens een verordening van de Duitse bezetter opgeheven.

Net als bij veel van de andere leden van de club werd bijna de hele familie van Tokkie in de oorlog vermoord – alleen zijn vader overleefde als half-jood. Bij de doorstart van De Ooievaars, eind 1945, besloot het enige nog levende bestuurslid de toelatingseis dan ook te versoepelen: zowel joden als niet-joden. Het deed de vereniging geen goed; al in het eerste jaar moest een degradatiewedstrijd worden gespeeld. Financieel wanbeheer leidde tot een (informeel) failliet en in 1987 hield De Ooievaars op te bestaan. In het laatste basiselftal zat volgens Tokkie geen enkele joodse speler.

Maar dankzij de jaarlijkse 4 mei herdenkingen gaat het joodse karakter van De Ooievaars niet verloren. In het clubhuis van de Haagse scheidsrechtersvereniging (HSV) – waar de ceremonie sinds decennia wordt gehouden – hangt een plaquette met davidster, ‘ter herinnering aan uw gevallen vrienden’. Er werd vanmiddag gemusiceerd, gedeclameerd en teruggeblikt.

Tokkie kijkt ieder jaar uit naar de herdenkingsceremonie. Maar hij is ook bezorgd. „Ik ben de laatste der Mohikanen. Wie zal het stokje na mijn dood van mij overnemen?”