Een feestelijke week (3)

In een feestweek heb je tenminste één moment van bezinning nodig. Daar hebben we 4 mei voor gereserveerd, dat wil zeggen: de avond van 4 mei, en meer speciaal twee minuten van die avond.

De datum is kort na het einde van de Tweede Wereldoorlog door iemand bedacht, ik weet niet door wie en waarom. Zelf herinner ik me dat het in 1945 een gezellige, mooie, wat zwoele avond was waarop de hele wijk samendromde voor het pand van onze buurman die een moderne winkel in radioartikelen wilde gaan drijven. Voor de feestelijke gelegenheid had hij alvast een verbinding tot stand gebracht met de studio in Eindhoven van waar Pieter Sjoerds Gerbrandy de overlevenden van de hongerwinter zou toespreken. Drie of vier versterkers had hij aan de gevel van de benedenwoning opgehangen, en verdomd. Klokslag acht uur schalde de countertenor van de minister-president door de straat. Zijn stem sloeg volgens mij zelfs nog even over, zodat je als door een castraat hoorde roepen:

„Landgenoten, gij zijt vrij!”

Niks twee minuten stilte. Niks bezinning. Niks aandacht voor de doden. Hoerageroep. Gejuich. Hier en daar gesnik van vreugde. En in een uithoek van de menigte een opgewonden vrouw die ineens haar blijkbaar weggelopen kind terugvond, en het jongetje uit blijdschap dat hij nog leefde bijna doodsloeg. Dat zal ik niet gauw meer vergeten. Dat heb ik dus onthouden: dat kind, dat nog harder krijste dan Gerbrandy door vier luidsprekers tegelijk bazuinde.

Zo heeft iedereen z’n eigen herinneringen aan oorlog en vrede.

Moet het na tweeënzestig jaar maar eens afgelopen zijn met het herdenken van doden en bezetting?

Dat hoor je nog al ’s, en sinds kort heb je allerlei bedenkelijke instanties (Spong, Hammerstein, Cliteur, Afshin, het weekblad Opinio, een paar losse Volskrant-redacteuren) die ons verwijten dat we blijkbaar geen ander moreel ijkpunt hebben dan die verdomde ouwe oorlog. Ze begonnen in de dagen van Fortuyn over wie je niet mocht zeggen dat hij op Mussolini leek, en zijn doorgegaan tot aan Geert Wilders. Als die door terreurbestrijder Tjibbe Joustra niet van tijd tot tijd tegen zichzelf werd beschermd in een intimiderend gesprek, zou het wel eens van kwaad tot erger tot Goebbels met hem kunnen gaan, en daar is het in wezen toch een veel te goeiige Limburger voor?

Wie zou je anders moeten nemen als afschrikwekkend voorbeeld? Ja, je kunt Idi Amin noemen, maar is dat niet zo ver weg van onze blonde anti-islamiet dat je de identificatiegrens passeert?

Waar ik vanavond overigens scherp op zal letten is op de korte toespraak die elk jaar aan iemand anders wordt toevertrouwd. Steeds verder dwalen veel van die sprekers langzamerhand af van waar het – Landgenoten, wij zijn vrij! – om begonnen was, namelijk een paar minuten terugdenken aan de vijf jaar tussen 1940 en 1945. Dus niet over Vietnam, Bosnië, Kosovo, Darfur, Irak en Uruzgan beginnen, waarvan ik toegeef dat het ook allemaal erg was of is, maar die met 4 mei geen van alle iets te maken hebben. En op 4 mei wil ik geen wereldomspannende IKON-preek horen, maar een hartig woord over, inderdaad, alleen maar die ene oorlog, en hoe je daar goed of fout of allebei tegelijk in kon zijn.

Twee minuten is het, meer niet. Dan geleidt het 4 & 5 mei-comité ons vanzelf de Bevrijdingsdag binnen, en kan de feestweek haar rechten hernemen. Als het morgen voorbij is, mag je toch in gemoede zeggen dat het mooi is geweest: een hele week bijna permanent vrolijkheid voor een volk dat altijd voor tamelijk onfeestelijk is doorgegaan.

Volgende week moeten we maar weer eens aan het werk, zou ik zeggen.

Lees alle eerdere columns van Jan Blokker via nrc.nl/blokker