Een adellijke droom

In een ver land leefde in een houthakkershuisje een man met zijn vrouw. Zij hadden één kind. Het was een jongen, een echte dromer. De vader en de moeder noemden hem Casper. Casper en zijn ouders waren erg arm. Daarom moest hij iedere dag met zijn vader naar het bos om hout te hakken. Dat vond hij helemaal niet leuk, want iedere keer als hij aan het dromen was, werd hij geslagen. Maar ja dat was tenslotte vroeger zo.

Ik zal je trouwens vertellen waarover hij droomde. Hij droomde al zijn hele leven dat hij van adel was. Precies op die dag organiseerde de koning een familiefeestje. Iedereen kwam: de neef van de baron, de nicht van de nicht van de dochter van de neef van de baron. Iedereen was er al behalve ….. het neefje van de markiezin. De koning riep: „Dit is het moment. We moeten het koninklijke teken gebruiken.” En meteen gingen de soldaten op weg. Ze zochten in steden, in dorpen, weilanden en tenslotte in het bos. Toen zagen de soldaten in het bos een houten huisje. „Daar zal toch niemand van adel in wonen”, zei één van de soldaten. Een wat slimmere zei: „hoe arm het ook lijkt, het is onze plicht in ieder huis te kijken.”

Maar toen gebeurde het. Een van de soldaten zag het kroontje op Caspers schouders. Het feest kon doorgaan. Hoera hoera hoera, en ze leefden nog lang en gelukkig!

Sprookje van Sophie van Schaik, 8 jaar, uit Maastricht