Die goedmoedige Hollander wil bloed zien

Kees Terreroo: Mijn dagboek.Aprilis, 520 blz. € 34,90

Kees Tetteroo was een burgerjournalist avant la lettre. Van 1936 tot 1947 hield hij een dagboek bij dat voor de periode 1940-45 leest als een stemmingsgeschiedenis van bezet Nederland. Tetteroo verzamelde bovendien honderden pamfletten, affiches en krantenartikelen, die hij in zijn dagboek inplakte en soms van commentaar voorzag. Dat onderscheidt zijn dagboek van de meeste anderen egodocumenten over de Tweede Wereldoorlog.

Tetteroo is 17 als hij begint aan zijn dagboek op aandringen van zijn broer Tom, die in 1936 als missionaris naar Nieuw-Guinea vertrekt. Of Kees de verwikkelingen in en rond de familie in Schipluiden wil optekenen. ‘In het eerste jaar had ik niet zoveel te schrijven, maar toen 1939 met z’n schokkende gebeurtenissen aanbrak, moest ik uitbreiden. Dat waren tenminste dingen die ons over vijfentwintig jaren nog interesseren, ook al hebben ze nu niet direct verband met de familie’, schrijft Tetteroo in 1944.

Als veeverloskundige beschikt hij over een Sonderausweis waarmee hij vrij kan reizen. Bovendien is hij een fanatieke amateurfotograaf. Regelmatig stapt hij gewapend met zijn camera op de motor om gebeurtenissen in de omgeving vast te leggen. Hij fotografeert neergestorte vliegtuigen, het nachtelijk bombardement op de Kogelgieterij in Delft en de verwoestingen in Rotterdam nadat de Duitsers de stad in de as hebben gelegd.

Het dagboek begint nog met de toon van een spannend jongensboek. Als de eerste Duitse vliegtuigen overvliegen, klimt Tetteroo in zijn ondergoed op het dak van het huis om alles beter te kunnen zien. Naarmate de oorlog vordert, en de ontbering en vernedering toenemen, wordt zijn toon grimmiger. Het gebrek aan voedsel weet hij treffend in de volgende dialoog tussen een moeder en haar zoontje te vangen. „‘Moeder, nu moet U eens raden wat ik op straat zag liggen?’ ‘Nou, misschien wel een dubbeltje.’ ‘Mis, een schil van een sinaasappel!’.

Tetteroo weet zo alledaagse problemen en de stemming op straat te verbinden met het verloop van de oorlog en de bezetting. Hij noteert bijvoorbeeld wat de psychologische weerslag van die bezetting is op zijn landgenoten: ‘De anders zo goedmoedige Hollander is bloeddorstig geworden en praat nu over ,,die moesten ze ophangen en die moet eraan’’.’

Over zijn eigen twijfels, angst, en verdriet lezen we weinig. Wel uit Tetteroo regelmatig zijn boosheid over de oorlog, zijn hoop op een goede afloop en soms staat hij zichzelf wat vrolijkheid toe. Het meest tekenend voor dit gebrek aan persoonlijk bespiegelingen is het feit dat hij pas op 19 oktober 1942 voor het eerst trots vermeldt dat hij een vriendinnetje heeft, Annie van Zeijl, terwijl hij haar al op 11 januari voor het eerst heeft ontmoet.

Het verbazingwekkende is dat Tetteroo over zijn monnikenwerk na de oorlog nooit een woord heeft gezegd. Zelfs niet tegen zijn kinderen, die wel van het bestaan van het boek wisten. Pas vier jaar na zijn overlijden, in april 2005, vond zijn jongste dochter, Gemma van Winden, de dagboeken. Ze lagen al die tijd in een oude doos op de vliering van het ouderlijk huis. Het dagboek bleek niet compleet te zijn. Op zaterdag 3 maart 1945, ruim twee maanden voor het einde van de bezetting, eindigt het dagboek abrupt. Voor de latere periode zijn er slechts twee kladschriften teruggevonden. Over 5 mei is daarin te lezen: ‘Heer Van Zeijl neergeschoten, deze treurige gebeurtenis beschrijven?’

Op wat zo’n feestelijke dag had moeten zijn, wordt de vader van zijn vriendin Annie dodelijk getroffen door een verdwaalde kogel. Is dit incident er de oorzaak van dat Tetteroo zijn aantekeningen nooit heeft uitgewerkt? Of zou er ergens op een zolder nog een boek liggen, waarin Tetteroo ook de bevrijding heeft beschreven?