De verpletterende werkelijkheid

Schrijvers richten zich steeds meer op de buitenwereld. Dat blijkt uit de shortlist van de Libris-prijs, die maandag wordt uitgereikt.

Waarom worden romans in recensies toch uitsluitend als kunstwerk beoordeeld? Waarom negeren critici stelselmatig wat die romans zeggen over de wereld waarin ze tot stand zijn gekomen? Die vragen wierp buitenlandredacteur van De Groene Amsterdammer Rutger van der Hoeven onlangs op in een stuk dat pleitte voor een ruimere blik op literatuur dan hij meestal in recensies aantrof. Hij pleitte ervoor ook ‘feitjeszoekers’ en krantenlezers te bedienen in ‘het pantheon van de literatuur’ en vroeg meer aandacht voor ‘de werkelijkheid’ achter een roman.

De kwestie is actueel omdat er in de literatuur de afgelopen jaren een beweging gaande is naar precies het soort werkelijkheid dat je in de krant pleegt aan te treffen. Dat zal deels te maken hebben met de onrustbarende wijze waarop die realiteit zich aan ons opdringt – het is inmiddels lastig een Amerikaanse schrijver te vinden die géén roman over 11 september heeft geschreven. En ook veel Nederlandse en Vlaamse schrijvers hebben de spreekwoordelijke ‘binnenkamer’ verlaten.

Dat wordt duidelijk weerspiegeld door de shortlist van de Libris literatuurprijs van dit jaar. Je kunt je een krantensupplement voorstellen met artikelen over de ontwrichting van een gemeenschap na een reeks moorden (Louis van Dievels De pruimelaarstraat), de Stalinterreur (Sana Valiulina’s Didar en Faroek), illegalenproblematiek (Tom Lanoyes Het derde huwelijk), het levensverhaal van een geëmigreerde boer (Gerbrand Bakkers Boven is het stil), de doorwerking van de Tweede Wereldoorlog voor de tweede generatie (L.H. Wieners De verering van Quirina T.) en de alles absorberende angst voor terrorisme en de islam (Arnon Grunbergs Tirza).

De jury zal zich in de eerste plaats hebben bezig gehouden met de vraag of dit goede romans zijn. Maar uit de samenstelling van de lijst blijkt al een zeker respect voor andere argumenten om een boek te beoordelen. Zo zijn de drie vaste ‘minderheden’ op de nominatielijsten (Vrouwen, Vlamingen en Debutanten) netjes vertegenwoordigd. Ook staan er twee boeken op de lijst die strikt literair gezien niet tot de hoogvliegers van 2006 behoren.

Het lijkt dus zinnig om in de beoordeling van deze Librislijst te kijken naar hoe de genomineerde romans met de werkelijkheid omgaan. Waarbij het voorkomen van verwijzingen naar de werkelijkheid of de actualiteit natuurlijk geen verdienste op zich is. Maar hebben deze boeken iets interessants te vertellen over die werkelijkheid? En is dat ook iets anders dan wat er al in de krant staat? Veranderen ze, tenslotte, de werkelijkheid van wie ze leest?

De zes boeken vallen wat dat betreft uiteen in drie duo’s: twee boeken waarin de beschreven werkelijkheid interessant is, maar die literair tekortschieten, twee waarin de literaire middelen er niet in slagen een alliantie met de erin beschreven actualiteit aan te gaan en twee waarin dat wel gebeurt.

De eerste twee romans op de lijst ontlenen hun belang er vooral aan dat ze een niet alledaagse werkelijkheid vastleggen. Dat gebeurt nadrukkelijk in het minst bekende boek op de lijst van zes. Amper een mens in Nederland had De Pruimelaarstraat van de Vlaamse televisiejournalist Louis van Dievel opgemerkt voor het werd genomineerd. Het verhaal wordt verteld vanuit de ogen van de bewoners van een straat in een Vlaamse voorstad in de periode na de arrestatie van hun 21-jarige buurman Staf van Eyken, ‘de vampier van Muizen’. Deze doodde ook in de werkelijkheid begin jaren zeventig drie vrouwen in de omgeving van Mechelen. Van Dievel wisselt de verhalen van de bewoners af met krantenberichten over de moordzaak.

Van Dievel schrijft goed, met gevoel voor de taal en het milieu van de arbeidersbuurt waarin het drama zich voltrok – en waar hij zelf opgroeide. Het grote bezwaar van De pruimelaarstraat is echter dat de werkelijkheid die het boek oproept zo weinig ontwikkeling kent. De personages zijn in te delen in de categorieën hitsig/niet hitsig, agressief/niet agressief, succesvol/niet succesvol en daar zit maar weinig beweging in, of het zouden de ongelukken en aandoeningen moeten zijn waardoor de een na de ander wordt geveld. Tijd voor verdieping of reflectie gunt Van Dievel je niet. Zo blijf je zitten met een tamelijk karikaturaal beeld van de bewoners van de Pruimelaarstraat: halve beesten zijn het, die gekke dingen doen als ze bang worden.

De van oorsprong Estse Sana Valiulina liet zich voor Didar en Faroek inspireren door het levensverhaal van haar ouders, een soort liefde in tijden van terreur. Want hoewel een zekere voorbestemdheid deze liefde niet vreemd is, zijn de hindernissen kolossaal. Deels door de persoonlijkheden van de betrokkenen, deels door de verschrikkingen van het stalinisme en de Tweede Wereldoorlog. Daarbij laat Valiulina de onmogelijke positie van het opgroeiende meisje Didar mooi zien. Didar wil meer vrijheid dan haar Tartaarse moslimfamilie haar toestaat, maar staat ook dubbelhartig tegenover het helderste alternatief: de Sovjet-ideologie. Treffend is een episode in een zomerkamp. Daar wordt Didar lastiggevallen door een jonge communistische verklikker. Die verdwijnt door toedoen van Didars op het oog vrijgevochten vrienden. Die kunnen dat straffeloos doen, zo blijkt, wegens hun connecties in de partij. De werkelijkheid en de morele dilemma’s van mensen in een dictatuur wordt daar door Valiulina kraakhelder beschreven.

Didar en Faroek is dus een leerzame (en uitstekend gedocumenteerde) roman. Helaas is er ook veel op aan te merken. Zo is het portret van Faroek lang niet zo sterk als dat van Didar, neigt Valiulina naar voorspelbaarheid en sentiment én kan ze erg klef schrijven: ‘Maar de warme, zoute mond van de held was standvastig en vastbesloten, net als zijn hart, dat met zijn gelijkmatige, krachtige slag door de grove stof van haar bustehouder heen haar hartje tot bedaren bracht.’

Valiulina en Van Dievel laten veel interessante werkelijkheid zien, maar de literaire tekortkomingen van hun romans maken dat het toch nergens gaat wringen, dat de verbeelding het nooit overneemt van die werkelijkheid. Je wordt van hun boeken evenveel wijzer als van een goed krantenstuk en je wordt ook op dezelfde manier wijzer.

In de genomineerde romans van Tom Lanoye en Gerbrand Bakker zijn de tekortkomingen niet literair – althans niet literair in strikte zin. Bij deze twee boeken is het probleem dat de beschreven werkelijkheid niet meer is dan een decor. Bij Gerbrand Bakker was dat waarschijnlijk ook niet de bedoeling. Zijn Boven is het stil is vooral een met verve en aandacht geschreven roman over een boerenzoon die na de dood van zijn broer zelf boer moet worden. Op de achtergrond spelen een verloren liefde en homo-erotische gevoelens een rol – maar Bakker verdient zijn nominatie vooral om de kalme beschrijvingen van het boerenleven, waarbij het voeren van de ezels eindigt in mooie zinnen als: ‘Voor ik de stal verlaat, doe ik het licht aan. Ze kijken me niet na als ik wegloop.’

In Het derde huwelijk van Tom Lanoye is de achtergrond weliswaar doordesemd van krantenactualiteit (een homoseksuele weduwnaar gaat een schijnhuwelijk aan met een Afrikaanse vrouw, opgejaagd door de immigratiedienst en Marokkaanse jongeren) maar die setting is niet waarom Het derde huwelijk een goede roman is. Het beeld dat Lanoye van de integratieproblematiek schetst voegt hooguit een dosis overdrijving (en daarmee een waarschuwing) toe aan wat al in de kranten te lezen staat. Het portret van zijn hoofdpersoon daarentegen, de boze en ongelukkige Maarten Seebregs is groots. Deze man slaat zich doodziek door een woud van vaak ingebeelde vijanden, raakt zijns ondanks bekoord door zijn nieuwe echtgenote, maar blijkt op een hoogst persoonlijke wijze in staat is van mensen te houden zonder te stoppen ze te haten.

Uiteindelijk geldt maar voor twee boeken op de Librislijst dat een visie op de werkelijkheid een verband aangaat met de verbeelding van de auteur, waarna er iets nieuws ontstaat. Hoe die twee boeken dat doen is het beste te tonen aan de hand van wat Arnon Grunberg onlangs schreef naar aanleiding van de verzamelde werken van Sigmund Freud (Boeken, 30.03.07): ‘Literatuur is een illusie die andere illusies vernietigt.’ Vanuit die optiek is er in De verering van Quirina T. van L.H. Wiener sprake van massavernietiging van illusies. Aan het begin van de roman koestert de hoofdpersoon Victor van Gigch (die veel met Lodewijk Wiener gemeen heeft) zijn werkelijkheden. Zoals het oude apothekersrecept dat Van Gigch, zoon van ouders die de oorlog in de onderduik overleefden, boven zijn bureau heeft hangen – symbool voor de suïcidale tendensen in zijn familie. Of de vrouw die decennia eerder het leven van de vader van Van Gigch heeft verwoest en op wie hij zich nu wil wreken. Of de prachtige leerlinge Quirina Taselaar die de leraar Van Gigch het idee geeft dat hij ook nog tot de verbeelding van jonge vrouwen spreekt. Al deze illusies worden door Wiener zonder mededogen aan stukken geslagen, waarbij hij wordt gedragen door een diep verlangen tot onderzoek van zichzelf, zijn beweegredenen en zijn vergissingen: ‘Schrijven is afmaken in de ruimste zin des woords: afmaken wat onvoltooid was, maar evenzeer ombrengen wat niet had moeten zijn.’ Een cruciale rol wordt daarbij gespeeld door de onbetrouwbaarheid van het menselijk geheugen, waar Van Gigch afwisselend zijn grootste genoegen en zijn diepste frustratie uit peurt. Niet alleen de zekerheden van de hoofdpersoon gaan eraan, hij houdt uiteindelijk helemaal geen werkelijkheid meer over.

Het is ruim voldoende voor de Librisprijs – zelfs in aanmerking genomen dat De verering van Quirina T. ook van de lezer een zekere overgave vraagt. Je moet bereid zijn mee te gaan in de geest van Wiener, ook waar diens paden wat moeilijk begaanbaar worden.

Als Wiener de prijs niet wint, is dat alleen te wijten aan botte pech. De pech dat zijn boek naar dezelfde prijs dingt als Tirza, de roman waarin Arnon Grunberg Wieners ‘schrijven is afmaken’ rigoureus in praktijk brengt – zoals zijn hoofdpersoon dat ook doet.

In één zin samengevat is Tirza het verhaal van een man die zijn dochter niet kan loslaten. Maar bij Grunberg vertelt dat verhaal aan de hand van een lange stoet thema’s uit de actuele werkelijkheid. Van eetstoornissen (‘die ziekte van de blanke middenklasse’) tot xenofobie en angst voor terrorisme, de verzakelijking van het cultuurbedrijf, beleggen in hedgefunds, sekstoerisme – alles zet Grunberg naar zijn hand.

Want hoe veelomvattend en gecompliceerd die kwesties ook mogen zijn, in Tirza zijn ze niet meer dan instrumenten voor de schrijver. Die brengt die werkelijkheid in beweging om hem ondergeschikt te maken aan het diepere thema van zijn roman: de panische angst van zijn hoofdpersoon. Voor bandeloosheid én voor beheersing – voor zijn eigen illusies en voor de werkelijkheid. En wie Tirza, geschreven met het vakmanschap van een auteur wiens talent en eerzucht gelijke tred houden, leest kan dat niet anders ervaren dan een universele angst.

Dat maakt Jörgen Hofmeester – net als Wieners Victor van Gigch – een romanheld aan wie niemand zich kan onttrekken. Tirza is het soort fictie dat de werkelijkheid niet ongemoeid laat, sterker: dat een nieuwe werkelijkheid schept.