De troost van de teerspijs

Over een gemeenplaats denk je niet na, daar is het een gemeenplaats voor. Alleen in bijzondere omstandigheden kan de betekenis ervan soms tot je doordringen. ‘Niemand sterft alleen’ is zo´n gemeenplaats. Ik ging er pas over nadenken tijdens een kerkdienst, op een zonnige ochtend, op een doordeweekse dag, een paar jaar geleden, toen hij nadrukkelijk werd uitgesproken. Het was bij de begrafenis van mijn vader. Ik had in de kerkbank alle tijd en om er over na te denken. Het leek mij op dat moment alleen maar waar. De kist voorin de kerk, alle mensen eromheen, de dode nog in ons midden: niemand sterft alleen.

De woorden veranderden intussen ook van functie. Van een algemene bewering werd het zoiets als een goed voornemen, een gezamenlijke wens, een gemeenschappelijke afscheidsgroet: niemand hoeft hier in zijn eentje te vertrekken, we zijn gekomen om je uit te zwaaien. En ook: we blijven aan je denken. Achterblijvers op de kade. Daarna was het moment waarop zijn laatste reis daadwerkelijk kon beginnen: de gang naar het kerkhof.

Nog weer later was het moment om je af te vragen of die uitspraak wel waar was. Niemand sterft alleen? De waarheid van veel sterfbedden is dat de meeste mensen juist wél alleen doodgaan. Zo was het bij mijn vader ook gegaan. En de gedachte dat de uitspraak ook kan betekenen dat niemand in zijn eentje wordt begraven is ook helemaal niet waar.

Dit was ook het moment om mij af te vragen wat de herkomst van de gemeenplaats was. Goethe, Shakespeare, Horatius? Het was vermoedelijk een variant op een zin uit de brief die de apostel Paulus aan de jonge gelovigen in Rome schreef: ‘Niemand van ons leeft voor zichzelf. Zolang wij leven, leven we voor de Heer; en wanneer wij sterven, sterven we voor de Heer. Dus of we nu leven of sterven, we zijn altijd van de Heer.’ (Rom. 14:7-9). Dat is duidelijke taal. Wie in God gelooft, sterft nooit alleen. En hij hoeft zich sowieso nooit meer alleen te voelen. De reis is niet alleen van de wieg tot het graf volledig verzorgd, maar ook nog eens daarvoor en daarna.

Dit zoeken naar de achtergrond van een begrafenisgemeenplaats is het gevolg van het lezen van De dood de baas, het nieuwe boek van Harry Kuitert (geb. 1924). Hij is op zoek gegaan naar dichters die iets moois, of nieuws, of waars te zeggen hebben over de dood. Hij komt met Pessoa en Shakespeare, Reve en Gerhardt, John Donne en Tomas Tranströmer, maar ook met Jesaja en Tom Waits. Hij vertelt er in een hoog tempo over, en hij vertelt er van alles en nog wat omheen, bijna in spreektaal, persoonlijk en enthousiast. Een aanstekelijk boek. De ondertitel, ‘Gedichten belicht voor je begrafenis’, suggereert dat Kuitert voor ons gedichten heeft uitgezocht die je goed op je eigen begrafenis ten gehore zou kunnen laten brengen, maar de bedoeling is luchtiger: wees blij dat je nog leeft en al deze mooie gedichten nog kunt lezen.

In een van zijn stukken belandt hij in een gedicht van Douwe Tamminga. Fries dichter, die leefde van 1909 tot 2002. Het is gebaseerd op een mooi gegeven: een vader betreedt de kamer van zijn overleden zoon, en de boeken op de boekenplank beginnen tegen hem te spreken. Waar is die zoon van u? Waar is de jongen die we ons nog zo goed herinneren? De boeken missen hem: ‘o, vrienden waren wij / met hem, reismakkers uit het kinderland / aldoor uitzwervend in steeds wijder sporen’ (vertaling Theun de Vries). Ze zijn hun reisgenoot kwijt. Het mooie is dat de vader, bladerend door de boeken met de ezelsoren en de aantekeningen, zo dichter bij zijn zoon komt, maar tegelijk ook oog in oog staat met het punt waarop zijn zoon, toen hij nog leefde, afscheid van hem begon te nemen. Hier, in deze reisverhalen, ‘ontsprong de vonk / tot lichtelaaie in zijn wijdopen zinnen, / hier ging hij verten, paradijzen binnen / vol avontuur, kennis en verzenpronk.’

Al die boeken met hun gescheurde kaften en gehavende ruggen zijn even zo vele ‘bruggen naar een verleden’. De boeken vormden voor de jongen het voedsel voor onderweg, reiskost voor de rest van zijn leven, om in moeilijke perioden een beroep op te kunnen doen. Leeftocht, zou je zeggen. Tamminga zegt: tarspize. Theun de Vries vertaalt: teerspijs. Ook mooi. In de rooms-katholieke kerk is de Heilige Teerspijze de communie die aan een stervende wordt gegeven. Lang heeft de jongen niet op zijn teerspijs mogen teren. Hij stierf jong. Al snel werd het verschiet weggenomen, de horizon verdween uit zicht, ‘tot aan het plotse dichtslaan van de nevels, / tot kwam de korte neerstap in de dood.’ Alweer een opmerkelijk woord: neerstap. In het Fries van Tamminga: delstap. De bedoeling is wel duidelijk.

Het gedicht maakt deel uit van een reeks van veertien lange, hartverscheurende gedichten: ‘In memoriam’, geschreven in 1966 en 1967, naar aanleiding van de plotselinge dood, op negentienjarige leeftijd, van Tamminga’s enige zoon. Kuitert zegt er niet veel over. Hij geeft het gedicht bijna zwijgend door, op dezelfde manier als waarop hij het zelf ooit kreeg: het werd hem zwijgend overhandigd door iemand die hem wilde troosten bij de plotselinge dood van zijn eigen volwassen dochter. Als hij de bundel van Tamminga weer in handen heeft, merkt hij hoe vers de sporen van het verdriet nog zijn. Hij zou een gemeenplaats willen aanhalen, ‘de tijd heelt alle wonden’, maar ook die gemeenplaats blijkt niet waar.

Dan treft hij in de bundel een uitgeknipt tekstje, van een onbekende dichter. Het raakt hem, en het troost hem: ‘Zij die wij liefhebben / en verloren, zijn niet / meer waar ze waren, / maar zijn altijd waar wij zijn.’ Het tekstje is anoniem, de herkomst vooralsnog onbekend. Het is te vinden in allerlei rouwadvertenties, in allerlei condoleanceregisters, in allerlei varianten. Het is een gemeenplaats. Net zoiets als ‘niemand sterft alleen’. Ogenschijnlijk bedoeld voor de vertrekkende, maar in werkelijkheid voor de achterblijvers – voor hun begrafenis.

Harry Kuitert: De dood de baas. Gedichten belicht voor je begrafenis. Ten Have. 320 blz. €24,90.