De kleine prins

Antoine de Saint-Exupéry: De kleine prins. Donker, 96 blz. 12,50

De prins is groot geworden. Het tv-portret dat de NOS vorige vrijdag op zijn veertigste verjaardag uitzond, was met 1,8 miljoen kijkers het best bekeken programma van het afgelopen weekend. En onmiddellijk zagen de opinieonderzoekers het gewenste effect: driekwart van het Nederlandse volk vindt dat prins Willem-Alexander klaar is voor het koningschap. Hij lijkt in niets meer op de kleine kroonprins, die op zijn achttiende nog werd bedacht met een ietwat onbenullig boekje van Renate Rubinstein.

Maar over dat boekje (het heette Alexander) gaat het hier niet. Aanbevelenswaardiger is het De kleine prins nog eens te (her)lezen. Of, eventueel, de tot de verbeelding sprekende theaterbewerking te zien waarmee het gezelschap Opus One tot 3 juni op tournee is door het hele land – met Peter Faber als onderhoudend verteller.

De kleine prins is zo’n boekje dat telkens weer opduikt. Elk jubileumjaar wordt aangegrepen voor een jubileumeditie die dan weer in hoge stapels in de boekwinkels ligt. Nog in 2000 verscheen een nieuwe Nederlandse versie, van de één jaar eerder overleden meestervertaler Ernst van Altena.

Vanzelfsprekend heeft die blijvende belangstelling óók wel iets te maken met de mysterieuze omstandigheden waaronder de schrijver Antoine de Saint-Exupéry in 1944 als piloot is gesneuveld. Zijn vliegtuigje maakte een crash–- en dat leverde een macabere parallel met de vliegenier die in De kleine prins wegens motorpech in een woestijnachtige leegte belandde. Waar hij vervolgens oog in oog komt te staan met een klein prinsje van een piepklein planeetje. Een prinsje met vragen zoals alleen een kind ze kan stellen. Met een speels soort fantasie die bij heel wat volwassenen nu eenmaal is weggedrukt door de nuchtere praktijk van het alledaagse leven. En met de kinderlogica waarin veel meer waarheid kan schuilen dan de grote mensen vaak denken. „Bij jou kweken de mensen vijfduizend rozen in één tuin,” zegt het kereltje bijvoorbeeld, „en ze vinden daarin niet wat ze zoeken. (–) En toch zouden ze kunnen vinden wat ze zoeken in één enkele roos of in een beetje water.”

Le petit prince verscheen in 1943 en was eigenlijk geschreven voor kinderen. Al meteen trok het boekje echter zo veel volwassen lezers dat het nooit in de exclusieve kinderhoek is blijven steken. Het moet destijds een oase van licht- en zuiverheid zijn geweest in een door oorlog besmeurde buitenwereld. Een toonbeeld van authentieke onschuld, toen de macht vooral in handen was van schuldigen. Teer, maar met genoeg laconieke humor om niet in zoetigheid te verzanden. Zachtaardig, maar niet zijig. Net als het prinsje zelf, dat aan het eind van het verhaal opeens weer verdwenen is. Maar niet spoorloos, want we hebben altijd De kleine prins nog.

Henk van Gelder

In ‘Iedereen praat over...’ worden boeken met nieuwswaarde besproken.