De geesten laten dagelijks van zich horen in Benin

Cotonou/Ouidah, 4 mei. - Vorige week veranderden twee vrouwen in Cotonou in vogels, de week ervoor ging een man over in een slang. Jean Gyimah zocht in het bos zijn overleden vrouw op, want ze bleef maar proberen hun dochter naar de andere wereld te halen. „De voodoopriester stelde haar met iets te tevreden en nu gaat het weer goed met mijn dochter.” Gyimah is een goed opgeleide intellectueel. „Iedereen doet aan voodoo in Benin”, zegt hij in de economische hoofdstad Cotonou.

Schijn bedriegt. In Benin is 40 procent van de bevolking moslim, 60 procent christen en 200 procent gelooft in voodoo. Een president legt bij zijn beëdiging een eed af ‘in de naam van God en van de tempels van onze voorouders’. Toen in 1996 de christelijk wedergeboren president Kérékou de verwijzing naar de geestenwereld weg liet, werd zijn beëdiging ongrondwettig verklaard. Poppen met pijlenlange penissen beschermen overal in het land zowel hutjes als villa’s tegen slechte machten, ze veroorzaken voorspoed en vruchtbaarheid.

Wie de geesteswereld niet erkent, begrijpt Afrika niet. „Afrikanen leven in de zichtbare en de onzichtbare wereld”, vertelt socioloog Emile Ologoudou in de Be-ninse kustplaats Ouidah. „Er bestaat geen scheiding, voor ons gaat het om één wereld. Onze voorvaders leven met ons, door rituelen kunnen we met hen in contact treden.” Voodoo was eens de staatsgodsdienst. Vanaf 1600 tot 1900 heersten er machtige koningen, met ministers, strijdmachten en vrouwelijke brigades. De geëxporteerde slaven namen hun godsdienst mee naar de Amerika’s, waar in Haïti en Brazilië hun geesten voortleven. Vijftig miljoen mensen bedrijven voodoo.

De natuur is het universum. Bij alle voodoosektes domineren de kleuren van de lucht en het water, de plantenwereld en de beesten. Geesten van de voorvaders metamorfoseren in dieren, planten en bomen. „Kijk, die boom daar, dat is een voorvader”, wijst Emile Ologoudou naar de overkant van de straat. Magische medicinale krachten komen uit kruiden en dierendelen. Afrikanen leerden de natuur te beleven. Poeder van gedroogde apenpenis beschermt de journalist op verre reizen. „De jagers weten wie de apen werkelijk zijn. Voodoo sterkt die stille krachten.”

Priester Mahinou Komoulo prevelt goede woorden, priesteres Na Adè werpt zich ter aarde voor het kogelvormige altaar besmeurd met kleverige palmolie. In een volksbuurt van Ouidah bidden ze voor mijn bescherming in hun kleine tempel van de slang en de regenboog. Mijn offer bestaat uit frisdrank, jenever, peperkorrels, kolanoten en anijs. Twee assistenten rammelen met kalebassen en schelpen. De brug naar de geestenwereld is geslagen, het wijgeschenk is geaccepteerd. „De gift van een gast wordt nooit geweigerd”, vertelt Na Adè.

Kerkdeuren, directiekamers en presidentiële paleizen in Afrika blijven officieel gesloten voor de geesten. Maar de Beninse president die niet de eed wilde afnemen met een verwijzing naar de voorouders, liet zich bij zijn politieke beleid wél adviseren door twee magische marabouts. Priester Mahinou Koloulo kent de schijn. „Zakenlui, politici, ze komen allemaal naar voodootempels”, zegt hij. Ook de rijken willen de geheimen van het onbekende weten, de onzekerheden van het leven vermijden. „Ze wensen succes en bescherming door de voodoo. Hun financiële giften geven ons aanzien en middelen om onze tempel te onderhouden. En predikanten, katholieke priesters en imams laten zich door ons bewaken tegen ongeluk.”

De geesten laten dagelijks van zich horen, door geluk en ongeluk, door banvloeken en plagen, door voorspoed en regen. „De geslaagde Afrikanen praktiseren slechts voodoo als ze problemen hebben”, zegt socioloog Emile Ologoudou. „Vaak sturen ze dan anderen naar de tempels, ze tonen hun geloof niet. Zij zijn hypocriet. Alleen de armen zijn eerlijk.” Om zich te verzekeren van de officiële zegen gaan Beninezen naar de kerk of moskee, om met de geesten in het reine te komen bezoeken ze de voodoopriesters. „Vrijdag ga ik naar de moskee”, erkent Mahinou Koloulo, „maar mijn voodoo is de hele week bij me”.

Afrikanen ervaren de kracht van de geesten in ceremonies, rituelen, dromen, dansen. Priesteres Na Adè tremuleert, gevolgd door een oud vrouwtje die beweegt als een baby. Mannen slaan met holle handen op hun bovenlichaam, de borstkast als hun percussie-instrument. Priester Mahinou Koloulo splijt de kakofonie met de straffe slag op een ijzeren bel. De voodoo doet de deelnemers dansen. De swing komt uit de heupen. De extase, de bezetenheid, de slangensekte raakt in trance. Buiten is de hemel dichtgetrokken door een wolk van vleermuizen.