Bloedbroeders

Wat doe je als je voor het eerst hoort dat je een halfbroer hebt? En dat die in een gevangenis in Addis Abeba zit? Voor de Friese fietsenmaker Michiel Hoek was het geen vraag. Hij stapte in het vliegtuig en zocht de zoon op die zijn vader 39 jaar geleden had verwekt bij een Ethiopische vrouw.

Een verhaal over de banden van het bloed en over Nederlanders die in het buitenland iets groots verrichtten.

Vier jaar geleden kreeg de eigenaar van rijwielhandel ’t Fietshoekje in het Friese Oudemirdum te horen dat hij een halfbroer in Ethiopië had.

Een medewerker Opsporing en Contactherstel van het Rode Kruis stuurde hem een brief, gedateerd 26 maart 2003. ‘Persoonlijk en vertrouwelijk’ stond er boven. Het Rode Kruis had ‘een verzoek tot opsporing’ voor ‘De heer Michiel HOEK’ gekregen. De medewerker vroeg de heer Hoek ‘vriendelijk doch dringend’ contact op te nemen.

‘Ik kan u dan vertellen door wie u wordt gezocht.’

Van het telefoongesprek met het Rode Kruis maakte Michiel, destijds 33 jaar, aantekeningen met potlood. Onder ‘HVA Ethiopië’ zette hij twee dikke strepen.

Zijn vader had van 1961 tot 1968 als procestechnoloog voor het suikerbedrijf hva in Ethiopië gewerkt. Zijn moeder was tussen 1951 en 1967 opgegroeid op de suikerplantages van hva in Ethiopië. Verder noteerde hij: ‘halfbroer’, ‘Daniel’ en: ‘gevangen’. Zijn halfbroer Daniel zat al zeven jaar in voorarrest.

Ooit was Handels Vereniging Amsterdam (hva) een van de grootste koloniale ondernemingen ter wereld. In 1928 bestond het concern uit 36 bedrijven op Java en Sumatra. Vijftien verbouwden suiker. De andere leverden koffie, thee, sisal, rubber, palmolie en cassave. De onderneming had 170.000 arbeiders in dienst.

Achthonderd stafleden, vrijwel allemaal Nederlanders, hadden de leiding. ‘Ondernemingszin en leiderschap’, schrijft prof. Dr. W. Brand in een gedenkboek, ‘moesten in het vooroorlogse Nederlands Indië in hoofdzaak van buitenaf worden ingebracht.’

HVA was een veeleisende, maar ook zorgzame vader voor het personeel. Huisvesting en medische zorg waren gratis. Het bedrijf bouwde ziekenhuizen, scholen en gemeenschapshuizen. hva koesterde de familiesfeer.

Zo snel als het bedrijf was opgekomen, zo snel ging het ook ten onder. Met de crisis in de jaren dertig zette de neergang in. Japanse bezetters ontmantelden in de Tweede Wereldoorlog de Nederlandse fabrieken. Europese stafleden verdwenen in kampen. Nationalisering van Nederlandse bedrijven in 1957 maakte aan hva in Indonesië een eind.

Het concern had intussen zijn toevlucht gezocht in Ethiopië. In 1951 begon hva met het in cultuur brengen van een uitgestrekt moerasgebied langs de Awash-rivier, zo’n honderd kilometer ten zuiden van de hoofdstad Addis Abeba. Irrigatiekanalen werden uit rots gehouwen, sloten in zand gegraven, bruggen en sluizen gebouwd.

Op de dunbevolkte Wonji-vlakte trok hva de eerste wegen, velden werden geëffend, riet geplant. Barakken voor de staf verrezen, die later plaatsmaakten voor gezinswoningen en vrijgezellenwoningen met weelderige parken en tuinen in Indische traditie.

Familieman

Het telefoontje met het Rode Kruis bracht Michiel in verwarring. Maar hij was vooral blij. ‘Ik had er opeens een broertje bij’, vertelt hij in zijn huis in Oudemirdum. Achter hem hangen twee schilderijen van zijn vader. Afrikaanse taferelen. Twee keer een moeder met kind.

Hij noemt zich ‘een familieman’. ‘Ik heb niet veel familie’, zegt hij. ‘Ik heb twee jongere broers en een zus, maar ik werd al vroeg gescheiden van mijn familie. Mijn vader heeft zijn hele leven projecten geleid in Suriname, Ghana, Gabon, Dominicaanse Republiek, Liberia, Ivoorkust en Zuid-Afrika. Op mijn 13de ging ik naar een internaat in Twello. Vanaf mijn 14de heb ik voor mezelf gezorgd. Alleen in de vakantie kwam de familie bij elkaar.’

Van zijn vader heeft hij geleerd om trots te zijn op de naam Hoek. Op verlof in Nederland sleepte zijn vader hem langs bibliotheken en kerken om te graven naar hun oorsprong. Zijn vader liet voor zichzelf en de vier kinderen gouden ringen maken met het familiewapen. Michiel draagt zijn ring altijd.

‘Familie’, schreef Michiel aan Daniel, nadat hij voor het eerst van diens bestaan had gehoord, ‘is voor mij het meest vertrouwelijke contact, dat kun je nooit kwijtraken’. Kort tevoren had Michiel zijn broers bij elkaar geroepen. Samen hadden ze hun vader gebeld die in Zuid-Afrika woont. ‘Pa, ze zeggen dat we een broer in Ethiopië hebben.’ Stilte. ‘Dat is niet waar’, had het door de kamer getoeterd. Later had vader zijn mond voorbij gepraat. ‘Het is mijn zaak.’

Hoe kon zijn vader dat nou zeggen, vond Michiel.

Daniel is toch zijn halfbroer. Daniel had hem gevonden. ‘Eigen bloed laat je niet in de steek.’

Na de eerste jeugdfoto die Daniel hem stuurde, wist Michiel het meteen. Dit 2-jarige jongetje dat staande naast zijn moeder angstig naar de camera tuurde, was sprekend zijn jongste broer Alexander. ‘Tranen biggelden over mijn wangen.’ De dna-test ruim een jaar later bevestigde de bloedband.

Dat Daniel in de gevangenis zat, schrikte Michiel niet af. Het maakte hem alleen maar vastbeslotener om zijn halfbroer te helpen. Zijn halfbroer had hem nodig. Als Michiel in nood was, zouden zijn broers hetzelfde voor hem doen.

In de kelder van het International Institute of Social History in Amsterdam liggen vijf bedrijfsfilms op 16 mm over hva in Ethiopië. Ze moeten eerst op temperatuur komen. Ze moeten op breuken en zwakke plekken worden gecontroleerd, voordat ze snorrend kunnen worden vertoond. De eerste heet Suiker uit de woestijn en laat zien hoe hva dorre lappen grond met water uit de Awash-rivier heeft omgetoverd tot weelderige, groene rietvelden. De laatste gaat over het bezoek in 1969 van koningin Juliana aan Ethiopië en de plantages van hva.

In 1954 opende de fabriek in Wonji, in 1962 in het nabijgelegen Shoa, in 1969 in Metahara honderd kilometer stroomafwaarts. In 1975 produceerde het bedrijf 130.000 ton suiker op 12.000 hectare grond. Naar schatting 30.000 gezinnen van fabrieksarbeiders en rietsnijders waren voor hun inkomen afhankelijk van het bedrijf.

De onderneming was symbool van vooruitgang. In zijn Mercedes 600 reed keizer Haile Selassie alle bezoekende staatslieden naar het suikerconcern. hva was de ‘grootste particuliere onderneming van Ethiopië, de grootste werkgever en de grootste belastingbetaler met 12 miljoen dollar per jaar’, meldt de commentaarstem in de film The Wonji Story. ‘Genoeg om ruim 100.000 kinderen naar school te laten gaan.’

In 1974 verdreef het marxistische militaire regime van Mengistu Haile Mariam de keizer. Een jaar later kon ook hva vertrekken. Die slag kwam de onderneming niet meer te boven. Van het mammoetbedrijf rest alleen nog een adviesfirma in Amsterdam-Zuidoost.

Sugar Factory

Sterk bewerkt fragment uit de autobiografie van Daniel Hoek:

‘Mijn moeder heet Bezunesh Berhanu. Mijn vader is Joop Hoek. Ze leerden elkaar kennen op het terrein van de Wonji Sugar Factory.

De meeste stafleden en technici van de fabriek waren Nederlanders. Ze woonden op een uitgestrekt terrein dat Shibo Gibbi werd genoemd. Dat betekent letterlijk: omheinde groep huizen. Mijn moeder werkte als kok in een van die huizen. Zo begon de liefde tussen mijn zwarte ma en mijn witte pa.

Mijn vader was midden in de twintig toen hij naar Ethiopië kwam. Hij was een mooie man en goed gebouwd. Hij had iemand nodig die zijn leven wilde delen. Zijn oog viel op mijn moeder die een tienermeisje was. Helaas kreeg mijn moeder in 1967 een baby. Dat was ik: Daniel Joop Hoek.

Volgens mijn moeder leefden mijn vader en zij als man en vrouw. Maar een oude vriend van mijn vader, Tafesse Kidane Mariam, zegt dat ze elkaar alleen ‘s nachts in het geheim ontmoetten. Hij zegt dat mijn vader razend was toen hij hoorde dat mijn moeder zwanger was.

Tafesse zegt dat hij mijn moeder naar het huis van haar moeder in de nabijgelegen stad Nazareth heeft gebracht. Hij zegt dat hij haar namens mijn vader 200 birr heeft betaald, in die tijd 200 dollar. Volgens Tafesse heeft mijn moeder mij daarna zoveel mogelijk weggehouden van mijn vader. Maar iedereen die mij zag en die mijn vader kende, zei: ‘wat lijkt die jongen op Joop Hoek’.

Volgens mijn moeder is het anders gegaan. Mijn moeder zegt dat mijn vader had beloofd haar naar Nederland te halen. In Nederland trouwde hij met een jonge vrouw die hij kende uit Ethiopië. Mijn moeder en haar arme kind liet hij zitten. Heel mijn leven heb ik mijn vader gezocht.

Ik heb zeven broers en zussen van vijf verschillende vaders. Maar als mijn moeder op traditionele manier koffie maakte voor de vrouwen uit de buurt, had ze het alleen over mijn vader. Ze schepte op over hoe knap en groot en goed opgeleid hij was. Ik voelde me bijzonder. Ik zei altijd dat ik een Nederlander was.

Stiefvaders noemden me killis of dikkala: bastaard of drekvod. Ze behandelden me navenant. Ze schreeuwden: ‘Kom hier, bastaard: was mijn voeten’. Ze konden het niet verdragen dat mijn huidskleur lichter was dan de hunne. Ze sloegen me tot ik niet meer kon lopen. Ze schroeiden mijn handen in het vuur.

Ik werd opstandig. Ik begon te stelen. Ik had geen respect meer voor oudere mensen. Van iedereen kreeg ik te horen: ‘Een echte Ethiopiër gedraagt zich niet zo.’

Ik was tien of elf toen ik voor het eerst van huis wegliep. Ik trok naar de hoofdstad. Ik vond de Nederlandse ambassade. Ik zei dat mijn moeder was overleden. Wilden ze mijn Nederlandse vader voor me zoeken? Ik was in het paradijs gekomen. Ze waren zo aardig, zo meelevend op de ambassade. Ze gaven me nieuwe kleren. Ik kreeg een eigen kamer.

Op een kwade dag verscheen mijn moeder. Ik deed net of ik haar niet kende. Dat hield ik vol tot ze naar haar borst greep en begon te schreeuwen. ‘Is dit niet de borst die jou heeft gevoed?’ Ik barstte in huilen uit. Mensen van de ambassade gaven ons geld voor de reis terug naar huis.’

De laatste maanden zijn de meest bijzondere van mijn leven, schrijft Daniel aan Michiel, als hij de eerste brieven van zijn Nederlandse halfbroer ontvangt. ‘Ik voel me als een nieuw mens. Een gelukkig mens. Buitengewoon gezegend. Ze zagen me als een misbaksel. Ik heb dingen gedaan die ik had moeten laten. Heel mijn leven heb ik gedroomd van contact met mijn Nederlandse familie. (..) Als ik naar de foto’s kijk die je me hebt gestuurd, zeg ik steeds: ik ben niet alleen.’

Michiel moedigt Daniel aan in zijn brieven. Hij belooft dat hij hem komt bezoeken. Hij raadt hem aan toch vooral goed Engels te leren, zodat ze met elkaar kunnen praten. Daniels brieven zijn in krom Engels en wisselend handschrift geschreven. Celgenoten hebben ze tegen betaling vertaald uit het Amhaars, de nationale taal van Ethiopië.

Michiel stuurt ook pakketten met tweedehands kleren en toiletartikelen en af en toe wat geld. Op de website van de Amerikaanse veiligheidsdienst cia vindt hij de naam van een advocaat die hij benadert om zijn halfbroer vrij te krijgen. Als Daniel hem ‘de brug naar mijn vader’ noemt, waarschuwt Michiel hem dat hij zich geen illusies moet maken. ‘Diep in zijn hart is hij bang voor jou. (..) Hij is bang dat je ons kwaad wilt doen. Bij wijze van vergelding. Daarom verzet hij zich nog steeds tegen elk contact tussen jou en mij. Hij vertrouwt niemand, zelfs niet zijn eigen kinderen.’

Sleutelposities

Een kwart eeuw. Een generatie in een mensenleven. Langer heeft hva in Ethiopië niet bestaan. In totaal hebben twee-, misschien drieduizend Nederlandse mannen daar voor het bedrijf gewerkt. Ze bezetten aanvankelijk alle sleutelposities. Ze hielpen bij de opbouw. Een deel van hen was in dienst bij onderaannemers en leveranciers van machines, zoals Werkspoor, Heemaf, Braat en Stork.

Later liep het aantal Nederlanders snel terug in het kader van de Ethiopianisering van de onderneming. In 1968 waren het er nog 250. In het slotjaar 1975 vormden 30 Nederlanders en 210 Ethiopiërs de staf.

De meeste Nederlandse mannen kwamen met vrouw en kinderen. Zo zag de onderneming het graag. Het gezin als hoeksteen van hva. Naar schatting 300 Nederlandse kinderen werden er op de plantages geboren. Zeker duizend Nederlandse kinderen groeiden op in Ethiopië.

Vrijgezelle mannen vonden in Ethiopië een waar speelparadijs. Meisjes waren bevallig en gewillig. Ze eisten weinig en gaven zich volledig. Je kwam ze overal tegen: bij de bakker, in het theehuis, als kok of als dienstbode bij collega’s. Het eerste contact was snel gelegd.

Oud-hva-werknemer René van Slooten schrijft daarover in zijn verhalenbundel Tsahai. ‘Ik lach onzeker en begin me uit te kleden. Daar blijkt ze op gewacht te hebben, want met één beweging trekt ze haar jurk en alles wat daaronder zit over haar hoofd en laat het naast het bed vallen. Een bh en een slipje draagt ze niet, en later zal ik leren dat dat normaal is. Naakt is ze nog mooier dan ik al dacht en haar huid is prachtig glad en glanzend. Ik stap in bed en ruik voor het eerst haar geur, zoet en kruiden die doen denken aan kruidnagel en nootmuskaat.’

‘Ja, de vrijgezellen en ontrouwe echtgenoten vonden de Ethiopische vrouwen soms wel erg exotisch of interessant’, schrijft Els Hoek in een e-mail. ‘En ja, alleen is ook maar alleen als vrijgezel. Elke avond op een barkruk zitten en je drangen en gedachten verdrinken, helpt niet veel.’

De 57-jarige moeder van Michiel leeft tegenwoordig in Zuid-Afrika, net als Michiels tien jaar oudere vader van wie ze vijf jaar geleden na 32 jaar huwelijk gescheiden is. Ze omschrijft zichzelf als een rondzwervende potplant die nooit echt wortel heeft geschoten. Van haar tweede tot haar achttiende woonde ze in Ethiopië. Als tienermeisje kwam ze erachter ‘dat er van alles gebeurde waar de mensen niet openlijk over praatten’. ‘Zo hoorde ik dan wel van die en die persoon die een kindje had gemaakt, met verder verloop, al dan niet erkend.’

Ze kende ook het gerucht dat haar latere man Joop Hoek bezoek kreeg van een meisje met prachtige ogen, en dat die schoonheid een zoon met lichte huidskleur had gekregen. Maar Joop bezwoer haar dat Bezunesh ‘betaalde service aan huis leverde’ en dat hij geen verhouding met haar had. ‘Als meisje van net achttien wilde ik dat graag geloven, want ja, in die tijd begonnen we ”uit te gaan”.’

Later, toen Joop en zij waren getrouwd, en Michiel al was geboren, en ze in Suriname woonden, heeft ze geëist dat haar man ophield met geld sturen naar Bezunesh. ‘Omdat het kind Daniel net zo goed van een andere klant kon zijn.’

Kalasjnikov

Anderhalf jaar nadat Michiel van Daniel heeft gehoord, zien de twee halfbroers elkaar voor het eerst. Bewakers van de centrale gevangenis in Addis Abeba hebben Michiel gefouilleerd. Ze hebben hem via een labyrint van paadjes naar een houten barak geleid. Ze droegen hun kalasjnikov losjes over de schouder.

In de barak zitten zeker twintig gevangenen stilletjes te praten met familie. Michiel kijkt op zijn horloge. Drie kwartier zijn verstreken sinds hij bij de gevangenis is gearriveerd. Opeens ontstaat beroering. ‘Daniel, Daniel’, roepen stemmen. Een man met lichtgetint, kalend voorhoofd stormt de ruimte binnen. In zijn linkerhand heeft hij twee dikke stengels van bloeiend olifantsgras. In zijn rechterhand draagt hij een gehalveerde plastic colafles, vol rode rozen die hij heeft geplukt in de gevangenistuin. Met gras en rozen in zijn handen slaat hij zijn armen om zijn halfbroer heen. Michiel kan geen adem meer halen. Hij voelt geen vloer meer onder zijn voeten. Daniel tilt hem op. Daniel legt zijn hoofd op Michiels schouders.

Hij begint te kermen. Hij houdt niet meer op.

Wat is Daniel lang voor een Ethiopiër: 1,85 meter. Wat is hij mager: 66 kilo. Voor hij in de gevangenis terechtkwam, woog hij 96 kilo. Michiel schrikt als hij Daniels dunne armen ziet.

In de dagen daarna zal Daniel stukje bij beetje zijn hele levensverhaal aan Michiel vertellen. Tijdens die eerste ontmoeting moet hij eerst de waarheid kwijt. De waarheid die hij in zijn brieven steeds heeft verdraaid, omdat hij bang was dat zijn halfbroer anders niet zou komen.

Hij heeft een moord gepleegd. Dat was geen opzet. Het ging om een zakenconflict. Zijn partner Samuel Egwale en hij handelden in valse dollars. Daniel eiste zijn aandeel in de winst. Samuel wilde dat geld niet geven. Hij beledigde Daniel. Hij spotte met zijn afkomst. Een bastaardzoon. Het was 18 juni 1996 en het Nederlands elftal verloor bij het ek voetbal met 4-1 kansloos van het thuisland Engeland. Daniel was razend. Nederland schoot altijd tekort.

De volgende dag ging hij zijn gelijk halen in de witgoedwinkel van de familie Egwale in Addis Abeba. Hij was gewapend met een pistool en drie granaten. Hij wilde zijn recht. Hij was bereid te sterven voor zijn recht. Eén granaat gooide hij vanuit de winkel in de etalage. Hij schoot met zijn pistool. Toen hij probeerde te ontsnappen, kreeg hij een trap tegen zijn borst.

Pas op het politiebureau hoorde hij dat Jonas dood was. Jonas, de broer van Samuel. Daniel had zo’n spijt van wat hij gedaan had. Hij bekende alles. Hij betwistte alleen zijn nationaliteit. Als ‘Nederlander’ staat hij in het politiedossier.

Daniel vertelt Michiel ook dat een rechtbank hem na acht jaar voorarrest eindelijk berecht heeft. Het vonnis was: doodstraf. Toch komt Michiel de volgende dag opnieuw op bezoek. Later rijden de halfbroers paardje op elkaars rug. Daniel ontbloot zijn bovenlijf voor de foto die de gevangenisfotograaf maakt. Daniel vraagt Michiel om die foto op te sturen naar hun vader. In het reisverslag schrijft Michiel later: ‘Symbolisch betekent dit: ”vader, ik stel me bloot aan jou, zoals jij me gemaakt hebt. Neem me zoals ik ben”.’

Vlees noch vis

Het maakt niet uit hoe volkeren, stammen of rassen elkaar ontmoeten. Door bedrijvigheid, landverhuizing, oorlog, kolonisatie. Waar ze elkaar raken, vermengen ze zich. Zo is het altijd geweest. Gebeurt dat op grote schaal, dan krijgen hun kinderen een speciale soortnaam. Mesties, dat is een kind van een indiaan en een blanke. Mulat, geboren uit een neger en een blanke. Indo, de vrucht van Europees en Indisch bloed.

Vaak heeft die soortnaam een negatieve bijklank. Zoals het Spaanse zambo, kind van een neger en een indiaan. Zambo betekent ook ‘iemand met x-benen’ en ‘ baviaan’. Kinderen van gemengd bloed staan van oudsher in laag aanzien. Ze zijn ‘bastaards’. Dat woord komt van het Latijnse bastardus, op een pakezel verwekt. Een bastaard is een mindere soort, minder dan de soorten waaruit hij ontstaan is. Half-caste zeggen de Britten. Vlees noch vis.

Kinderen van twee culturen worden niet alleen geminacht, ook gewantrouwd. Ze bedreigen het alleenrecht van beide culturen. Ze zijn vreemd, maar ook vertrouwd. Bij wie horen ze, als het er op aankomt? Waar ligt hun loyaliteit?

Dat zijn vragen die kinderen van gemengd bloed ook plagen. Wie ben ik? Met wie voel ik me verbonden? Waar ben ik thuis?

In maart 2006 stuurt Michiel Hoek een e-mail naar een journalist van NRC Handelsblad wiens naam hij via Google heeft gevonden. Hij vraagt aandacht voor zijn Ethiopische halfbroer Daniel. ‘Een eenling, een legende. Een persoon wiens bestaan is verzwegen.’

Bijgevoegd heeft hij een samenvatting van het ‘het verhaal van Daniel Hoek door Daniel Hoek’, gemaakt door een Nigeriaanse medegevangene met gevoel voor drama. ‘Straatleven’ luidt de titel van het tweede hoofdstuk. ‘Treinberovingen’ is de titel van het derde. In het vijfde hoofdstuk komen wapenhandel, smokkel en handel in valse bankbiljetten aan bod. Dat deel gaat ook over

Daniels eerste jaren in de gevangenis. Over de opstootjes en opstanden waarbij hij was betrokken, zoals na de verprutste halve finale van het ek voetbal in 2000 die Nederland op penalties van Italië verloor.

Dit ‘verder smerige verhaal’ eindigt met een happy end. Het zesde en laatste hoofdstuk heet ‘Omwenteling in de gevangenis en hoop’. In dit deel begint Daniel bijbellezingen en gebedsdiensten bij te wonen en wordt hij een wedergeboren christen. Hij zweert slechte gewoontes als roken, drinken en vechten af en verdiept zich in psychologieboeken. Hij hervat zijn zoektocht naar zijn vader en vindt zijn halfbroer Michiel. Die zorgt ervoor dat zijn doodstraf in hoger beroep wordt omgezet in levenslang.

Halfbloedkinderen

Hoeveel halfbloedkinderen Nederlanders in Ethiopië hebben verwekt, is niet bekend. In jaarverslagen van hva blijven ze onvermeld. In gedenkboeken wordt geen noot aan hen gewijd. Veel zijn het er niet. Schattingen van oud-werknemers lopen uiteen van tien tot veertig.

Niet alle vaders lieten hun kind in de steek. Sommige mannen trouwden hun Ethiopische geliefde en namen haar mee naar Nederland. Dat waren er weinig. Anderen ‘troffen een voorziening’, zoals Hans Floor (69) het zegt. Floor heeft van 1968 tot 1974 als accountant voor hva in Ethiopië gewerkt.

Sommige vaders gaven de moeder één keer een som geld. Andere stuurden jarenlang kleine bedragen. ‘Iedereen maakt zijn eigen afweging’, zegt Floor. Hij kocht zijn vaderschap niet af. Hij haalde zijn zoon Fitsum naar Nederland. ‘Niet omdat er in het huis van zijn moeder niet genoeg liefde was. Het afstaan van haar kind was een geweldige opoffering voor zijn moeder. Een drama. Maar ik ging ervan uit dat hij in Nederland meer mogelijkheden had. De Ethiopische samenleving is racistisch. Bijzonder kleurgevoelig. Een halfbloedkind blijft een verschoppeling.’

Floor erkende zijn zoon Fitsum, ook al werd hij door collega’s gewaarschuwd: ‘Dat kind is een blok aan je been. Kun je er wel voor zorgen? Je vindt nooit meer een vrouw.’ Fitsum groeide op in het gezin van een van zijn vaders zussen. De inmiddels 33-jarige Fitsum spreekt geen woord Amhaars of Oromo, de belangrijkste talen van Ethiopië. Zijn geboorteland heeft hij nooit bezocht.

Met zijn moeder heeft hij geen contact.

Voor de tweede keer reist Michiel naar zijn halfbroer. Daniel schrijft een boek over zijn leven. Dat idee is tijdens het vorige bezoek van Michiel ontstaan. Michiel vindt dat Nederland moet weten van ‘die vergeten Nederlanders’. Het leven van zijn halfbroer moet betekenis krijgen. Daniel wil zijn familie ‘op een dag versteld doen staan’.

Daniel schreef Michiel dat hij volledig in de ban is van het boek. Het geld voor voedsel dat Michiel tijdens zijn eerste bezoek achterliet, gebruikte hij om twee politieke gevangenen te betalen die zijn teksten van het Amhaars in het Engels vertalen. In Reader’s Digest las hij over een 68-jarige Amerikaan die een bestseller schreef over boemerangs. Zijn boek moet ook bestseller worden. Hij heeft al bepaald dat het boek eerst in het Engels moet verschijnen, pas daarna in het Nederlands, Afrikaans, Duits, Italiaans en Frans. Natuurlijk komt er ook een speelfilm. Hij twijfelt nog over de titel. ‘Comeback van de boemerang’. Of alleen ‘Boemerang’.

Een week voor zijn vertrek ontvangt Michiel per post de eerste 48 pagina’s van de vertaling. Daniel is het afgelopen anderhalf jaar van gevangenis naar gevangenis geschoven. Eerst naar Zeway, later naar Nazareth, uiteindelijk naar Asela. Het origineel van zijn manuscript is onderweg verloren gegaan, maar hij had zijn vertaling achtergelaten bij vrienden in de gevangenis van Addis Abeba.

Emuka en Tigist, zijn vriendin en zijn halfzus, hebben de eerste twee hoofdstukken uit de gevangenis gesmokkeld. Met de volgende lading zijn ze betrapt. Hoofdstukken drie tot en met zes moesten ze onderdompelen in een waterbak. Daniel is meteen begonnen aan een nieuwe versie.

Afval van eethuizen

Heel zijn leven heeft Daniel zijn vader gezocht. Nadat zijn moeder hem heeft teruggehaald uit de Nederlandse ambassade, loopt hij al snel opnieuw van huis weg. Vier jaar leeft hij als straatjongen in Dire Dawa, een handelsstad langs de spoorlijn van Addis Abeba naar Djibouti. Hij vult zijn maag met uff, het afval van eethuizen. Van het geld dat hij ‘s avonds verdient met bedelen in cafés, gaat hij overdag naar de bioscoop.

Cafébezoekers pesten hem met zijn lichte huidskleur. Ze noemen hem ferendji, buitenlander, vreemdeling. ‘Hé, ferendji, je hebt hier niks te zoeken.’ ‘Sinds wanneer moet een blanke jongen uit bedelen gaan?’ Als ze hem vragen naar zijn afkomst, zegt hij altijd dat hij Nederlander is.

Maar hij heeft geen idee wat dat inhoudt. Hij raakt in verwarring. Hij krijgt overal lak aan. Hij begint bagage te stelen op het station. Hij drinkt tej en areke tot hij helemaal niet meer weet wie hij is. Op een ochtend kan hij er niet meer tegen. Hij koopt een treinkaartje naar Addis Abeba. Voor de tweede keer gaat hij naar de ambassade.

Hoe vaak Daniel de ambassade in de loop van de jaren heeft bezocht, weet hij niet meer. Vaak, bevestigt Tesfaye Belachew, die veertig jaar receptionist van de ambassade is geweest. Hij heeft Daniel als kind, als tiener en als volwassene gezien. Soms voelt Daniel zich door de ambassade gesteund in zijn zoektocht naar zijn vader. Soms krijgt hij het idee dat hij wordt afgescheept en misleid.

De enige keer dat een bezoek hem iets oplevert, is als hij in de ambassade oploopt tegen een Ethiopische vrouw die met een oud-hva-werknemer getrouwd is en in Nederland woont. Zij belooft zijn vader op te sporen. Zij stuurt na enkele maanden een adres.

Zijn vader beantwoordt zijn brief. Hij schrijft over zijn mooie tijd in Wonji. Over zijn goede vriend Tafesse die hij zijn motor heeft geschonken. Kort daarop verbreekt hij het contact. Zo gaat het daarna steeds. Telkens weet Daniel zijn vader te achterhalen. Telkens raakt hij het spoor ook weer bijster. ‘Hoe meer hij zich verborgen hield, hoe vastbeslotener ik werd hem weer te vinden’, schrijft Daniel aan Michiel.

Eind 1989 ziet Daniel op televisie dat een Nederlands gezelschap op bezoek is bij de voormalige suikerplantages van hva in Shoa, Wonji en Metahara. Het gezelschap bestaat uit 158 oud-werknemers en hun kinderen. Daniel is intussen 22. Hij bezit een taxibedrijfje in Nazareth, vlakbij Shoa. Hij doet zijn beste kleren aan.

Een van de deelnemers aan die reis doet in de Volkskrant verslag. ‘Als we voet zetten in oases als Wonji, Shoa en Metahara vallen Ethiopiërs en Nederlanders huilend in elkaars armen. Was een omhelzing toen we er woonden onmogelijk vanwege het standsverschil, nu is het de gewoonste zaak van de wereld. Kinderen vinden hun tweede moeder, hun mamite, terug. Mannen sluiten oude collega’s in de armen. (..) Toch is er verdriet. Een Ethiopische man die zijn dochtertje bij haar geboorte afstond aan een Nederlands gezin, kan haar niet vinden. Kinderen van Nederlandse mannen en Ethiopische vrouwen zoeken hun vader die niet meekwam.’

Ook Daniel wacht vergeefs op zijn vader. Wel vindt hij iemand die belooft zijn adres en groeten over te brengen aan zijn vader. Drie weken later ontvangt hij een envelop met een briefkaart en 200 dollar. Op de briefkaart staat alleen dat hij Engels moet leren. In een razende nacht verbrast Daniel dat ‘smerige geld dat zonder liefde is gegeven’, zoals hij later schrijft aan Michiel.

Daniel probeert naar Nederland te komen via Bulgarije. Hij wordt aan de grens met Roemenië gearresteerd. Hij reist naar Soedan om via Libië de oversteek naar Europa te maken. Hij wordt gedeporteerd. Hij is ten einde raad als hij op een zondagochtend in 1995 over de omheining van de Nederlandse ambassade klimt. Hij dringt het huis binnen van de eerste secretaris. Hij rent al snel weer naar buiten. Hij gaat languit liggen in de tuin. Hij wil naar zijn vader. Hij schreeuwt het uit. Hij gaat niet weg voordat hij naar Nederland mag. Laat hem maar sterven op Nederlandse grond.

Ambassadeur Jone Bos, de vader van PvdA-leider Wouter Bos, wordt gealarmeerd. De staf van de ambassade wil voorkomen dat Daniel door de Ethiopische politie in elkaar geslagen wordt. Uren later, als de politie belooft dat de gevangene goed wordt behandeld, geeft Daniel zich over.

Als hij kort daarna vrij komt dankzij bemiddeling van de ambassade, nodigt ambassadeur Bos hem uit in het Ghion-hotel. Bos zegt dat hij Daniel niet kan helpen. Drie jaar eerder heeft Joop Hoek de ambassade al laten weten dat hij niets te maken wil hebben met ene Daniel Hoek die zijn zoon zegt te zijn. Jone Bos herinnert zich het incident als ‘een van de meest tragische situaties uit mijn diplomatieke loopbaan’.

Verlosser

Op alle momenten van de dag belt Daniel vanuit de gevangenis in Asela naar de hoofdstad waar Emuka en Tigist zijn halfbroer op het vliegveld Bole met bloemen hebben ontvangen. Veel telefoontjes. Lange gesprekken. Hij zingt liedjes in de hoorn die hij speciaal voor Michiel heeft geschreven. Voor zijn heiland, zijn verlosser, die hem gevoed en gekleed heeft, die hem weer hoop heeft gegeven. ‘Michiel Hoek, je bent zo goed.’

Zijn vriendin Emuka overlaadt hij met instructies. Hoe ze Michiel met andere bastaardkinderen in contact moet brengen. Wie ze moet bellen. Wat ze moet doen om een journalist en een fotograaf de gevangenis binnen te krijgen.

Als we na vier dagen nog geen toestemmimg hebben om de gevangenis te bezoeken, neemt Daniel het heft in handen. Hij wil dat we direct komen. Vandaag kunnen we hem bezoeken. Vandaag. Niet morgen. Hij heeft dat onderhands geregeld.

Het schemert al als we bij de gevangenis arriveren. Ahmad staat ons op te wachten. Ahmad is een leraar Engels die door Daniel gevraagd is om te tolken. Daniel heeft ook geregeld dat we zomaar kunnen binnenlopen. Door de hoofdpoort. Niet eens door de zijpoort voor bezoekers.

Daniel heeft ervoor gezorgd dat de dienstdoende commandant ons onmiddellijk ontvangt in zijn kantoor.

We zitten net, als Daniel binnenstormt. Zijn zwarte haar heeft hij in een staartje. Hij draagt een oranje voetbalshirt met nummer twaalf en een spijkerbroek, kleren die Michiel hem heeft gestuurd. Hij omarmt zijn halfbroer alsof hij hem nooit meer los zal laten. Hij drukt zijn lippen op de wang van zijn halfbroer. Hij geeft hem de bos bloemen die hij speciaal in Nazareth heeft laten halen. Bloemen uit Asela waren niet goed genoeg.

Daniel laat frisdrank halen voor zijn gasten. Hij prijst het gevangenispersoneel en met name deze commandant die een godvruchtig mens is. Hij roept op tot gebed.

Daarna geeft hij het woord aan de commandant die de regels uiteenzet. Vandaag, op deze bijzondere dag, mogen er foto’s worden gemaakt, maar alleen in dit kantoor. Als we morgen terugkomen, moeten we onze camera’s en mobieltjes achterlaten bij de poort. Willen we meer foto’s, of rondlopen door de gevangenis, dan hebben we de schriftelijke toestemming nodig van de regionale commissaris voor het gevangeniswezen in Addis Abeba.

Voor we weggaan, schuift Michiel een gouden ring aan Daniels vinger. Het is de familiering die al Joop Hoeks kinderen dragen. Het valt niet mee om die over zijn kootje te krijgen. In de gevangenis zijn al zijn vingers wel een keer gebroken. Met geweld lukt het. Daniel is een echte Hoek.

Gevangenistuin

Nadat Michiel zijn halfbroer in november 2004 voor het eerst had bezocht, stuurde hij zijn vader een reisverslag en een dikke envelop. In dat pakket zaten een gedroogde roos uit de gevangenistuin, foto’s van de twee broers, en een verkreukelde brief van drie kantjes. ‘Voor vader’, had Daniel gezegd terwijl hij Michiel een propje papier in de hand had gedrukt.

Sindsdien sturen Daniel en zijn vader elkaar brieven. Je liefhebbende vader. Zo besluit Joop Hoek de meeste van zijn brieven. Daniel bedankt zijn vader na de eerste brief uitputtend. ‘Dat zijn de woorden waar ik altijd naar verlangd heb.’ Hij eindigt zijn brieven met: ‘uw oudste zoon’.

Ik heb nooit zeker geweten dat je mijn wettige zoon was, schrijft Joop Hoek in een van zijn brieven. Andere Hollandse mannen schepten op over uitstapjes met je moeder. Ik verliet Ethiopië met een tamelijk schoon geweten. Maar ik hield er altijd rekening mee dat je misschien toch mijn kind was. Daarom heb ik af en toe geld gestuurd.

Dat hij tegenover de Nederlandse ambassade in Ethiopië heeft ontkend dat hij Daniels vader was, kan hij zich niet meer herinneren. Wel weet hij dat het Rode Kruis hem in 1999 belde met de vraag of Daniel Hoek zijn zoon was. Hij zei: nee.

In een van zijn eerste brieven aan Daniel schrijft Joop Hoek dat hij heel goed weet hoe het is om door je vader veronachtzaamd te worden. Zijn vader liet hem ook in de steek. In die brief vertelt hij hoe hij in Nederlands Indië tijdens de Tweede Wereldoorlog als 2-jarig jongetje samen met zijn moeder in een jappenkamp belandde. Zijn vader werd overgebracht naar Thailand om daar als krijgsgevangene te werken aan de Birma-spoorlijn. Na de oorlog werd de familie in Bangkok herenigd. Maar zijn vader wilde in Thailand blijven. Zijn moeder en hij gingen per schip terug naar Holland. Nooit nam zijn vader contact met hen op.

In de brief aan Daniel schrijft Joop Hoek dat ook hij zijn vader heeft gezocht. Toen hij 16 was, probeerde hij werk te vinden op een schip naar Bangkok. Hij werd teruggestuurd naar zijn moeder. Toen hij 21 was vond hij een baan als suikerlaborant in Iran waar hij meteen ontslag nam om door te reizen naar Bangkok. Via de ambassade vond hij zijn vader en diens Thaise familie. Zijn vader zette hem een maand later op het vliegtuig naar Holland. Hij heeft zijn vader nooit teruggezien.

Telkens als we Daniel bezoeken, nemen we twee maaltijden voor hem mee. Komen we ‘s ochtends, dan brengen we twee ontbijten: een Ethiopisch ontbijt en een westers ontbijt. Gaan we ‘s middags, dan nemen we twee lunches mee: een Ethiopische lunch en een westerse lunch. Daniel is onverzadigbaar.

Elke keer dat we komen, ontruimt een van de officieren zijn kantoor voor ons. Daniel regelt dat. Hij gebruikt daarvoor geld dat Michiel hem gegeven heeft. Dat hij een blanke broer heeft, draagt ook bij tot zijn aanzien. Net zoals het boek dat hij heeft geschreven. Zijn brede algemene kennis. Zijn voorbeeldig gedrag. Soms barst een van de officieren uit in een loflied op deze modelgevangene. Wat zouden ze hem graag vrijlaten. ‘Een waarlijk groot man.’

Iedereen rent voor Daniel. Zijn vriendin, zijn zus, bewakers, vrienden, bekenden. Ze sloven zich uit. Iedereen die hij belt. Als hij zich verspreekt, dan zegt hij: ‘Ik dwing ze.’ Hij corrigeert zich: ‘Ik vraag ze.’ ‘Ik overtuig ze.’ ‘Ik haal ze over.’ Hij noemt ze: ‘mijn soldaten’. ‘Mijn soldaten strijden voor mij.’

Zijn grote overredingskracht dankt hij, zegt hij, aan vier Amerikaanse psychologieboeken die hij in de gevangenis heeft bestudeerd. Absolute favoriet is: The Unlimited Power. De technieken die Anthony Robbins daarin ontvouwt om gedachten en emoties te richten, gebruikte hij ook bij training van het Amerikaanse leger. Andere titels zijn: Awake the Giant Within, The Seven Habits of Highly Effective People en The Magic of Big Thinking. Die boeken gaven hem het inzicht dat alleen zijn lichaam gevangen zit. ‘Mijn geest is vrij.’

Die boeken hielpen hem ook om Engels te leren, net zoals de bijbel, Newsweek en Reader’s Digest. Tolk Ahmad heeft hij helemaal niet nodig. Daniel verbetert hem al bij de eerste vertaling. Daniel spreekt beter Engels dan zijn halfbroer. Ahmad komt niet meer aan bod.

Daniel doorspekt zijn verhalen met citaten die hij uit de Amerikaanse bladen heeft overgeschreven. Als hij vertelt over de tijd dat hij een bende treinrovers leidde, komt hij met de woorden van Warren Bennis: ‘Leiderschap is het vermogen om visie om te zetten in werkelijkheid.’

Als hij spreekt over zijn vergeldingsactie na de moord op een Nederlandse hulpverlener, haalt hij Goethe aan:

‘Zelfkennis vergaar je eerder door daden dan door zelfbeschouwing.’ Soms komt hij met spreuken die hij zelf bedacht heeft: ‘Twee hoofden zijn beter dan één.’

Deze man, met zijn superioriteitsgevoel en zijn manifestatiedrang, heeft niets van een Ethiopiër. Ethiopiërs praten niet zoveel. Ethiopiërs praten niet zo luid. Ethiopiërs gedragen zich niet zo theatraal. Daniel vertelt over de rechtszaak, waarbij zijn beroep tegen het doodsvonnis werd behandeld, en hij stort zich ter aarde, zoals hij destijds voor de rechters heeft geknield. Als hij vertelt over de klappen die hij kreeg in de gevangenis, maken zijn handen het bijbehorende geluid. Als hij zegt dat niemand hem kapot gekregen heeft, lacht hij te hard.

‘Precies zijn vader’, zegt Michiel.

Elvis Presley

Op een terras in zijn dorp Arssi, vlakbij Nazareth, treffen we Tafesse. Als Daniel vroeger verhalen wilde horen over zijn vader, ging hij altijd naar Tafesse. Meestal nam hij een fles drank mee. Hele avonden kon Tafesse dan vertellen over zijn vader. Over hoe kundig hij was en hoe plichtsgetrouw. Over al die talen die hij vloeiend sprak, niet alleen Engels, Duits, Frans, Spaans, Portugees, ook de Ethiopische talen Oromo en Amhaars. Hij had een oor voor taal en muziek. Als hij op zijn gitaar Elvis Presley imiteerde, wilde zijn publiek altijd meer, vooral de vrouwen. ‘Meneer Hoek, ga door’, schreeuwden de vrouwen. ‘Ga door, meneer Hoek.’

Tafesse was de beste vriend van meneer Hoek. Hij erfde zijn motor bij het afscheid. Zijn adres kreeg hij niet.

De twee vrienden hebben nooit contact meer gehad.

‘Godverdomme’, zegt Tafesse in het Nederlands als zijn blik valt op Michiel. ‘De zoon van meneer Hoek.’ Zijn hand glijdt over de wangen van Michiel. Hij pakt hem bij zijn kin. Hij laat hem niet meer los.

We nemen Tafesse mee als we in Nazareth op bezoek gaan bij Bezunesh, de moeder van Daniel. Ze heeft een feestmaal aangericht. Al etend haalt ze herinneringen op. Ze heeft het over ‘meneer Peter’ en ‘meneer Hans’ en ‘meneer Kees’. Ze laat de jas van nepbont zien die ‘meneer Hoek’ ooit voor haar kocht.

Hoe is het al die andere halfbloedkinderen van hva vergaan? Tafesse en Bezunesh maken de balans op. Tot een slotsom komen ze niet. De meesten zijn vertrokken en nooit meer teruggekomen. Drie vrouwen gingen naar Djibouti voor werk. Joel zit in de Verenigde Staten. Salomon woont in Mojo. Vier mannen zijn het laatst in de hoofdstad gesignaleerd. En Henok? Over Henok zeggen ze niks.

Over Henok weet ook zijn eigen moeder niks te zeggen. Haar meisjesnaam is Wyzero Shibre Adinen. Ze noemt zich ‘mevrouw Later’. Naar de oud-hva-werknemer van wie ze Henok kreeg.

Henok was twintig toen hij richting Kenia vertrok. Hij zei dat hij zijn vader ging zoeken. Zijn moeder heeft één keer bericht van hem gehad. Als hij nog leeft, is hij 37 jaar.

Zijn moeder heeft niet eens meer een foto van hem. De kiekjes die ze van hem had, gingen verloren bij een overstroming. Ze bezit alleen nog een portret van zichzelf. Uit de tijd dat hva hier heerste en zij de vrouw van een Hollander was.

Zeventien brieven

Daniel smijt een stapel enveloppen op tafel. Zeventien brieven van zijn vader. ‘Hou ze maar’, zegt hij. ‘Ik heb ze niet meer nodig. Wat moet ik met die man?’ Zijn vader belooft hem als zoon te erkennen. Zijn vader schrijft dat hij hem vrij wil krijgen. Zijn vader zegt dat hij naar Ethiopië komt. ‘Hij doet niks’, zegt Daniel.

Erger, zegt hij, veel erger, vindt hij dat zijn vader zo vol is van zichzelf dat hij geen oog heeft voor zijn zoon. Daniel schreef over zijn leven als straatjongen. ‘Ik weet zeker dat geen enkel Europees kind ooit zo heeft geleden.’ Zijn vader reageerde met een verhandeling over de verhouding tussen het christendom en de islam. Daniel beschreef hoe het was om met 200 man in een cel te zitten. ‘Tweehonderd man die allemaal uit hun bek stinken. Als je er iets van zegt, vecht de hele cel.’ Zijn vader kwam met verhalen over drie mensenlevens die hij in Ethiopië gered had. Dat kun je mooi gebruiken voor je boek.

‘Ik dacht dat uw brieven gericht waren aan uw verloren zoon’, schreef Daniel in een van zijn brieven. ‘Maar u vraagt zich niet af wat ik nodig heb.’

Ruim een jaar geleden stuurde zijn vader hem vier standaardwerken over suiker. Manufacturing and Refining of Raw Cane Sugar, Handbook of Cane Sugar Engineering, The Growing of Sugar Cane, Pests of Sugar Cane. Samen bijna 3.000 pagina’s. Daniel moest een vak leren voor als hij ooit uit de gevangenis zou komen. Waarom niet zijn vaders vak?

Wat moest hij met die boeken? Hij kon ze niet eten. Hij begreep niet wat er in stond. Zijn vader wist toch dat hij ongeschoold was. ‘Ik weet niks van suiker’, schreef hij zijn vader. ‘Ik wil er ook niks mee te maken hebben. (..) Het enige wat ik van mijn vader nodig heb, is zijn liefde. (..) Biologische vader zijn is niet genoeg.’ Leestrommel

De suikerplantages van Wonji en Shoa liggen erbij zoals hva ze 32 jaar geleden heeft verlaten. Smalle, kaarsrechte wegen verdelen het ingepolderde landschap in ruiten. Langs de wegen lopen greppels. Daarachter wuift manshoog het riet.

Michiel geeft een rondje in de personeelsclub van Wonji. Hij verbeeldt zich hoe zijn vader hier meer dan veertig jaar geleden op vrijdagavond neerstreek. Aan de bar staan nog dezelfde krukken. In een hoek aan de wand hangt een oude wereldkaart van klm.

Alle stafleden kwamen op vrijdagavond naar de club. Al was het maar om de nieuwe leestrommel op te halen, een genummerd houten kistje met verse Nederlandse bladen. Dragen van een stropdas was in de club van Wonji verplicht. Op woensdag en zaterdag was er filmavond.

In de filmzaal staan nog steeds de rotan fauteuils van de Amsterdamse firma P.F.L. de Ridder. Op het podium waar Joop Hoek ooit Love me Tender zong, schreeuwt nu elke avond een grootbeeld-tv.

Tijden zijn veranderd, maar vroeger is niet ver. Overal stuiten we op sporen die hva heeft achtergelaten. In het zwembad van Shoa staat al jaren geen water. De wip in de speeltuin is kapot. Geen van de tennisbanen heeft een net. Maar alle bloemperkjes zijn keurig aangeharkt.

We lopen naar het huis waar Michiels vader heeft gewoond. Wat zou zijn vader ervan vinden als hij wist dat zijn oude vrijgezellenwoning tegenwoordig dienst doet als vakbondsbureau?

We krijgen een rondleiding door de suikerfabrieken van Shoa en Wonji. Michiel wil in Shoa eerst naar het laboratorium waar zijn vader werkte. In het kantoor gaat hij meteen achter de tafel zitten die zijn vader gebruikt moet hebben. Zo dicht bij zijn vader is hij lang niet geweest.

Hoe fel buiten ook de zon schijnt, in de fabrieken heerst de schemer. Slijpschijven snerpen, lasapparatuur knettert, metaal bonkt op metaal, stoom komt sissend vrij. Onze begeleider Feleke Tesfaye schreeuwt om zich verstaanbaar te maken. Onze zolen plakken aan de vloer.

Feleke wijst op al die Nederlandse apparaten en machines die al een halve eeuw dienst doen. Waterpompen en bezinkers van Stork. Elektromotoren en schakelkasten van Heemaf, weegschalen van Prior. Bordessen van Braat. In Shoa hebben turbines de oude stoomapparaten verdrongen, maar in Wonji draait nog altijd een kolossale stoommachine van Stork.

Feleke gaat er prat op dat Ethiopiërs de fabrieken al die jaren in bedrijf hebben weten te houden. In moeilijke politieke tijden. Vaak zonder buitenlandse valuta. Improviserend. Sinds het vertrek van hva hebben ze de productie meer dan verdubbeld. Buitenlandse collega’s verbazen zich er altijd over dat met industriële museumstukken nog zo’n hoge opbrengst wordt gehaald.

Michiel is stil als we tegen de avond het bedrijfscomplex verlaten. Hij zit voor zich uit te staren. Wat is er aan de hand? Michiel voelt een fierheid die hij onmogelijk kan onderdrukken. Hij is trots op zijn vader. Toen zijn vader hier kwam, was Nazareth een dorp. Er heerste armoe. Tegenwoordig is Nazareth een commercieel centrum van 200.000 inwoners. Dit is een van de meest welvarende streken van het land. Zijn vader heeft de kiem helpen leggen. Ook al verdween hij, hij liet wat na.

Nederige gevangene

Michiel vertrekt over een paar dagen. Verder dan de binnenplaats is hij in de gevangenis nooit gekomen. Sinds het weerzien van de twee broers zijn er geen foto’s meer gemaakt.

Nog een keer reizen we naar de hoofdstad. Nog een keer melden we ons bij het kantoor van de regionale commissaris voor het gevangeniswezen. De commissaris laat zich niet vermurwen. We mogen niet rondkijken in de gevangenis. Fotograferen is niet toegestaan.

Daniel laat het er niet bij zitten. Zijn verhaal moet worden verteld. Daar horen foto’s bij. Hij stapt naar de gevangenisdirecteur. ‘Majoor Mulagata Legasse’, zegt hij terwijl hij zijn hoofd buigt. ‘Ik ben uw nederige gevangene. U weet dat mijn broer me helpt. Mij ontbreekt het aan niets. Maar andere gevangenen zijn minder fortuinlijk. Ze krijgen te weinig te eten. Ze lijden gebrek.’

Dan ontvouwt hij zijn plan. Als de majoor de journalist en de fotograaf eens een rondleiding gaf. Dan zouden ze met eigen ogen kunnen zien hoe slecht de voorzieningen voor de 1600 gevangenen zijn. Daar zouden ze Nederlandse hulporganisaties attent op kunnen maken. Hulporganisaties hebben eerder in Asela een keuken en een slaapzaal voor de vrouwen gebouwd. Als er geld naar de gevangenis vloeit, profiteert ook het personeel daarvan.

Daniel wacht ons op als we afscheid komen nemen. Zoals altijd draagt hij een oranje T-shirt. ‘Wij houden van Holland’, staat er vandaag. Gisteren was het ‘Hup Holland Hup’. Daniel leidt ons meteen naar de majoor.

De gabi’s, de traditionele gewaden die de majoor ons cadeau geeft, door de gevangenen geweven, heeft Daniel betaald. De tekst die de majoor voorleest - over de noden van de gevangenis - heeft Daniel opgesteld. Weten we wel dat de overheid per gevangene voor het onderhoud dagelijks maar drieëneenhalve birr beschikbaar stelt: 35 eurocent? Daar houd je gevangenen net mee in leven.

We krijgen de hele gevangenis te zien. De vrouwenafdeling, waar ook jonge kinderen zitten. De school die geen banken en stoelen of boeken heeft. De bakkerij waar een van de twee houtovens niet meer werkt. We mogen overal foto’s nemen, als er maar geen gezichten op staan.

Daniel laat ons zijn slaapplaats zien. Hij is bevoorrecht. Hij heeft een echt bed met een gordijn ervoor. Hij deelt een cel met maar zes andere gevangenen. Allemaal handlangers van de verdreven dictator Mengistu, die voor genocide veroordeeld zijn.

Aan het eind van het bezoek is Daniel uitzinnig. Hij heeft ons aan al het materiaal geholpen wat we nodig hebben om zijn verhaal te vertellen. Hij schuift me op de valreep nog een notitieblok en een schoolschrift toe. Het deel van zijn boek dat verloren is gegaan. Hij heeft het in het Amhaars opnieuw geschreven, verkort, nadat de Engelse versie bij het smokkelen uit de gevangenis in beslag genomen was. We moeten die 116 pagina’s maar laten vertalen. Te beginnen met die passage die laat zien wat voor een vaderlandslievende Hollander hij is.

Sterk bewerkt fragment uit de autobiografie van Daniel Hoek:

‘Op 3 maart 1996 werd de Nederlandse ontwikkelingswerker Herman Herder in Dire Dawa vermoord. Het gebeurde om 11 uur ‘s ochtends op de centrale markt die als ‘Taiwan’ bekend staat. Herman Herder werd van dichtbij in zijn gezicht en zijn buik geschoten. Hij was 39 jaar.

Ik hoorde het pas een dag later. Ik hoorde het van Tedros Sabane die erbij was geweest. Hij kende de daders. Het waren leden van de organisatie al-Itihad al-Islamiya die ijverde voor een islamitisch Groot-Somalië, dus inclusief de Somalische regio van Ethiopië. Die organisatie wilde bekend worden in Europa en de Verenigde Staten. Daarom schoten ze een westerling dood. Later hebben de Amerikanen al-Itihad al-Islamiya op de lijst van terreurorganisaties geplaatst.

Wat waren we boos, Tedros en ik. Tedros was ook een halfbloed. Tedros had ook een Nederlandse vader. Hij zei altijd: ‘Ik snijd hem zijn hals af, als ik hem vind.’ Maar wee degene die iets slechts zei over Nederland.

We raakten er maar niet over uitgepraat. Herman Herder was gekomen om te helpen en de Somaliërs hadden hem in koelen bloede door zijn hoofd geschoten. Somaliërs beschouwden we als vee. We besloten dat we de daders zouden doden. We vonden nog drie anderen die wilden meedoen: Kassahun en Gamachuw, twee ex-soldaten. En Robel, mijn broer.

Het kostte ons geen enkele moeite om aan wapens te komen. Toen we op de trein naar Dire Dawa stapten, hadden we vijf kalasjnikovs bij ons, twee Makarof-pistolen, vier Chinese bommen, vier rookbommen en twintig handgranaten. Onze wapens hadden we in een zak en een tas verstopt.

Vanuit Dire Dawa trokken we in een karavaan van vijftig kamelen richting Djibouti. We wisten precies wie we zochten: Hassan Jari, Abdur Hamman, Nog Hassan, Kalata Kursi en Lamesa Kumbi. We wisten precies waar we moesten zijn. Een ober van een theehuis bracht ons naar de nomadentent, waar we ze vonden. Tedros stormde als eerste binnen. We schoten ze allemaal dood.

Daarna moesten we vluchten. Somaliërs zaten achter ons aan. Op een gegeven moment staakten ze de achtervolging. We waren de weg kwijtgeraakt.

We hebben een hele dag gelopen. We waren niet ver meer van Dire Dawa toen zes mannen het vuur op ons openden. Gamachuw werd meteen in het voorhoofd getroffen. Tedros stierf later. We hebben hem met onze handen begraven. Hij gaf zijn leven voor het land van zijn vader.’

Daniel hoopt in september amnestie te krijgen in het kader van de Ethiopische millenniumviering. De Ethiopische kalender loopt ruim 7,5 jaar achter op de westerse jaartelling. Op 11 september 2007 begint in Ethiopië het jaar 2000. Daniel zit dan elf jaar in de gevangenis. Levenslang komt in Ethiopië neer op 25 jaar gevangenisstraf.

Michiel heeft met zijn vader gebroken. Daniel heeft sindsdien geen post van zijn vader gehad.

Joop Hoek wilde niet reageren op dit verhaal.

Dick Wittenberg is redacteur van NRC Handelsblad.

Petterik Wiggers is fotograaf in Ethiopië en verbonden aan fotobureau Hollandse Hoogte.