Aandeelhoudersfetisjisme

Afgelopen maandag riep Bernard Wientjes, de voorzitter van werkgeversorganisatie VNO-NCW, de Haagse politiek op om de macht van aandeelhouders aan banden te leggen. SER-voorzitter Alexander Rinnooy Kan liet zich woensdag in dezelfde zin uit.

Volgens Wientjes bewijst de overnamestrijd om ABN Amro dat de macht van aandeelhouders te ver kan gaan. Hij verwijt het huidige kabinet gebrek aan visie als het gaat om hoe Nederland zich moet opstellen in een globaliserende wereld.

De aandeelhoudersdominantie is nog maar van recente datum. In juli 2001 bepaalde de Ondernemingskamer inzake de Hollandsche Beton Groep (HBG) dat een onderneming verplicht is om aandeelhouders te consulteren voorafgaand aan belangrijke strategische ondernemingsbeslissingen. Het ging destijds om het afwijzen van een aanbod van Boskalis en het aangaan van een joint venture met Ballast Nedam door HBG. Anderhalf jaar later, in februari 2003, haalde de Hoge Raad een streep door de uitspraak van de Ondernemingskamer. In de ogen van het hoogste rechtscollege boden regelgeving, literatuur en de heersende opvattingen omtrent corporate governance onvoldoende basis voor een consultatieplicht van aandeelhouders. Maar de uitspraak van het college kon het tij niet keren.

Op het moment dat de Hoge Raad uitspraak deed in de HBG-zaak was er al een wetsvoorstel bij de Tweede Kamer aanhangig dat aan aandeelhouders een veel verstrekkender bevoegdheid toekende – namelijk een goedkeuringsrecht ten aanzien van alle ondernemingsbesluiten die de identiteit of het karakter van de vennootschap raken (artikel 107a boek 2 van het Burgerlijk Wetboek). De Ondernemingskamer had gisteren dan ook geen andere keus dan de onverhoedse verkoop van de Amerikaanse bank LaSalle voor 21 miljard dollar door ABN Amro te verbieden. De voor de verkoop vereiste goedkeuring van aandeelhouders ontbrak.

Volgens ingewijden is het goedkeuringsrecht dat aandeelhouders in 2003 in de schoot geworpen kregen onder meer te danken aan de anti-establishment houding van de toenmalige minister van Financiën, Gerrit Zalm, en de neoliberale wind die in die tijd tot stormkracht was aangewakkerd. Een giftig mengsel, aldus betrokkenen. Binnen het neoliberale marktdenken hebben de aandeelhouders altijd gelijk.

De gevolgen daarvan worden nu goed zichtbaar. Het is natuurlijk goed dat activistische hedgefondsen als TCI een manager als ABN Amro-topman Rijkman Groenink het zweet op de rug bezorgen. De bank heeft de problemen waarin hij nu verkeert, grotendeels aan zichzelf te wijten. Minder fraai is het dat de falende topman 20 miljoen euro aan zijn eigen incompetentie zal overhouden, terwijl Nederland een van zijn grootste hoofdkantoren dreigt te verliezen inclusief de bijbehorende arbeidsplaatsen.

Een woordvoerder van het ministerie van Financiën liet woensdag desgevraagd weten dat er geen plannen bestaan om de maatregelen die tot de huidige aandeelhoudersdominantie hebben geleid, terug te draaien. Wel wordt, aldus de woordvoerder, in samenwerking met VNO-NCW gekeken met welke maatregelen het Nederlandse vestigingsklimaat voor hoofdkantoren kan worden verbeterd.

Behalve door te zorgen voor een gunstig fiscaal klimaat, kunnen hoofdkantoren van multinationals ook worden verleid door het juridische kader waarbinnen ze moeten opereren, te versoepelen. De Amerikaanse staat Delaware maakt op deze manier furore. De Delaware General Corporation Law geeft ondernemingen grote flexibiliteit om hun zaken naar eigen inzicht te managen, inclusief de mogelijkheid van beschermingsconstructies. Zestig procent van de aan de New Yorkse aandelenbeurs genoteerde bedrijven heeft zijn statutaire zetel in het ministaatje aan de Amerikaanse oostkust.

Binnen Europa biedt Groot-Brittannië ondernemingen nu de meeste flexibiliteit. Dat is een van de redenen waarom Shell zijn hoofdkantoor in Den Haag heeft, maar zijn statutaire zetel overzee. Een nog belangrijker oorzaak is gelegen in het feit dat aan de Londense beurs alleen Britse ondernemingen een notering kunnen krijgen. Het is daarom een illusie te denken dat een combinatie van Barclays en ABN Amro, als die ooit nog wordt gerealiseerd, Nederland als statutaire zetel zou kiezen. Vraag is overigens wel hoe het in hemelsnaam mogelijk is in een verenigd Europa dat de Britten niet-Britse ondernemingen kunnen weren van de beurs.

De hiervoor geschetste maatregelen voor de verbetering van het vestigingsklimaat blijven keurig binnen het neoliberale marktmodel. In een dergelijke wereld kan het zomaar gebeuren dat een Amerikaanse hedgefondsmanager een jaarsalaris van 1,7 miljard dollar opstrijkt, zoals James Simons van Renaissance Technologies Corporation overkwam in 2006. Simons’ inkomen is meer dan 38.000 keer het gemiddelde inkomen van een Amerikaan. Twee andere Amerikaanse hedgefondsmanagers namen datzelfde jaar ieder meer dan een miljard dollar mee naar huis.

De Venezolaanse president Chávez heeft deze week juist radicaal gebroken met het neoliberale marktdenken. Ter gelegenheid van de Dag van de Arbeid kondigde hij aan alle banden met de Wereldbank en het Internationaal Monetair Fonds te zullen verbreken. Chávez betitelde beide organisaties tijdens zijn 1 mei-toespraak als „mechanismen van imperialisme” die ontwikkelingslanden uitbuiten. Tegelijkertijd verhoogde Chávez per decreet het wettelijk minimumloon met twintig procent.

Ligt het aan mij dat ik mij noch bij de retoriek van Hugo Chávez noch bij de 1,7 miljard dollar van Paul Simons behaaglijk voel? Wordt het niet tijd om, zoals Bernard Wientjes het afgelopen maandag in deze krant formuleerde, een visie te ontwikkelen hoe ons land zich moet opstellen in een globaliserende wereld?