Waarom nies je bij fel licht?

Levensvragen zijn tijdrovend; nrc.next richt zich op alledaagse mysteries.

Vandaag de vraag: waarom moet je niezen van fel licht?

Je neus kriebelt. Je snuift een paar keer en bereidt je al voor op een flinke niesbui. Ha, haa, …maar de gebruikelijke ‘tsjoe’ blijft uit. ‘Kijk even naar de zon’, is vaak het advies als niezen niet lukt. Hoe komt het dat mensen moeten niezen als ze in een lichtbron kijken?

Om te beginnen: we niezen (tot ruim 150 km/pu) om de neus vrij te maken van prikkeling. Die kieteling kan allerlei interne en externe oorzaken hebben: verkoudheid, bijtende stoffen, een jeukend korstje óf bijvoorbeeld licht.

Maar niet bij iedereen. Ongeveer één op de vier mensen heeft de zogenoemde ‘photic sneeze reflex’, ook wel bekend als het ACHOO-syndroom. Dat woordgrapje staat voor Autosomal dominant Compelling Helio-Ophthalmic Outburst, kort gezegd: een erfelijke, niet te onderdrukken drang om bij fel licht te niezen.

De niesreflex is al eeuwen een mysterie. De Griekse filosoof Aristoteles (384 v. Chr.-322 v. Chr.) boog zich in het boek XXXIII al over het vraagstuk. Ook de Britse filosoof en wetenschapper Francis Bacon (1561-1626) noemde het verschijnsel.

Onno van Schayck, hoogleraar preventieve geneeskunde in Maastricht, zegt dat wetenschappers nog steeds „niet precies” weten waarom sommige mensen van fel licht moeten niezen. Wel bestaan er twee verwante, aannemelijke theorieën.

De eerste gaat uit van het idee dat er een relatie tussen het oogcentrum en het neuscentrum bestaat. „Beide centra liggen dicht bij elkaar in de voorste hersenkwab”, legt Van Schayck uit. „Door te kijken in het licht wordt, via de zenuwbanen, een signaal naar de hersenen gestuurd. Dit signaal prikkelt behalve de oogreflex ook de neusreflex.” Er ontstaat een kriebel, gevolgd door een explosieve uitademing: de nies.

Een andere uitleg hangt ook samen met de relatie tussen de oog- en neus centra. Tijdens het versturen van signalen in de zenuwbanen, zou er een soort van kortsluiting optreden. Deze kortsluiting ontstaat als twee zenuwbanen elkaar in een gebied kruisen. Het hersenweefsel wordt lokaal gestimuleerd wat weer leidt tot een tinteling en een nies.

Moet je nu blij zijn als je tot de selecte groep behoort die door fel licht moet niezen? Of ben je eigenlijk beter af zonder de niesreflex?

Dat is Volgens Van Schayck moeilijk te zeggen. Het is nog onduidelijk of het fenomeen een „beschermend mechanisme” is of eerder een „toevalligheid” van de evolutie.