The Boss of It All

Lars von Trier heeft het weer voor elkaar. Hij heeft met The Boss of It All een film gemaakt waar je mond van openvalt. Soms van verbazing, vaak van het schaterlachen en af en toe van misselijkheid. Want de regisseur die in 1996 de Europese artfilm door elkaar schudde met zijn hotsebotsende handheld camera in Breaking the Waves, heeft weer iets nieuws bedacht om de toeschouwer in beweging te brengen. Of eigenlijk bedacht hij het voor zichzelf. Want Von Trier maakt de laatste jaren nooit zomaar een film omdat hij een verhaal moet vertellen. Hij vindt steeds weer nieuwe restricties uit waar hij zich van zichzelf aan moet houden.

Het begon ruim tien jaar gelden met het Dogma-manifest, een set kuisheidsregels die leidde tot films zonder special effects en andere poespas. Toen bande hij in Dogville (2003) en Manderlay (2005) de decors uit zijn ensceneringen. En nu heeft hij een computergestuurde camera- en geluidsmachine uitgevonden, de Automavision die bepaalt wat en hoe er te zien is.

En dat ziet er vaak niet uit. Het lijkt er nog het meeste op alsof apen met een typemachine hebben zitten spelen. Er ontvouwt zich een klassieke komedie, waarin de personages zoveel praten dat ze niet meer weten wat ze zeggen. Alleen al die misverstanden zijn verrukkelijk. Von Trier beweerde dat hij zich daarvoor door de Amerikaanse screwball comedies heeft laten inspireren, maar in plaats van over de strijd tussen de seksen, gaat The Boss of It All over de strijd tussen bazen en slaven. The Boss of It All is een komische studie naar macht, die door de macht van bedenker Von Trier ondermijnd wordt, door de Automavision gestuurd en vervolgens weer door Von Trier gemanipuleerd.

Hoe hard hij ook z’n best doet het tegendeel te beweren en bewijzen: Lars von Trier is een illusionist.

The Boss of It All. Regie: Lars von Trier. Met: Jens Albinus, Peter Gantzler, Iben Hjelje, Fridrik Thor Fridriksson. In: 5 bioscopen.