Ten onder aan gildebureaucratie en suffe fouten

Het Nederlands was eeuwenlang de enige westerse taal die Japanners kenden. Maar de studie ervan stelde weinig voor, ontdekte Henk de Groot die erop promoveerde in Nieuw-Zeeland.

Nederlands was tussen 1641 en 1853 de enige westerse taal die Japanners mochten leren. En veel van de kennis die de Japanners hadden van het westen liep via Hollandse kooplieden. Maar de Japanners spraken de taal vaak zo slecht dat de Nederlanders hen niet verstonden.

Dit concludeert de uit Nederland afkomstige Nieuw-Zeelandse japanoloog Henk de Groot uit examens Nederlands uit die tijd, die in Japanse archieven gevonden zijn. De Groot promoveerde deze week op een proefschrift over dit onderwerp aan de Universiteit van Canterbury in Christchurch.

In de eerste helft van de zeventiende eeuw verbraken de Japanse autoriteiten alle contacten met de Portugezen, omdat ze hen ervan verdachten door kolonialisme en bekeringsijver te worden gedreven. De Nederlanders overtuigden de Japanse autoriteiten ervan dat ze uitsluitend geïnteresseerd waren in handelscontacten, en mochten als enige westerse mogendheid een beperkte handelsmissie openen. De unieke verhouding zou ruim tweehonderd jaar blijven bestaan.

Alle Japanse tolken en vertalers werden in die tijd opgeleid door een gilde dat bestuurd werd door de Japanse overheid. Uit de gevonden examens concludeert De Groot nu dat de kwaliteit van die opleiding laag was. De meeste tolken kwamen zelden in contact met Nederlanders, en het cursusmateriaal was soms gebaseerd op Nederlandse boeken van honderden jaren eerder. Het gilde ontwikkelde zich bovendien snel tot een bureaucratische organisatie waarvan de belangrijkste doelstelling was om zichzelf in stand te houden. Omdat het een monopolie had op de kennis van het Nederlands, was het nauwelijks te controleren.

Wel groeide onder Japanse geleerden in de loop der tijd de belangstelling voor de taal. Van bijvoorbeeld de westerse natuurwetenschap kon alleen via Nederlandse boeken kennis worden genomen. Zo verwierf Genpaku Sugita (1733-1817) roem met een vertaling van een anatomische atlas, nadat hij ontdekt had dat de westerse anatomie verder gevorderd was dan de Chinese. Sindsdien wordt Sugita wel beschouwd als de vader van de Japanse neerlandistiek.

Volgens De Groot is deze reputatie echter niet gebaseerd op de kwaliteit van zijn werk, want dat was door de vele fouten nagenoeg onbruikbaar. Belangrijker voor Sugita’s faam waren de welsprekende jammerklachten die hij in later werk uitsprak over hoeveel hoofdbrekens zijn vertaalwerk hem had gekost.

De studie van het Nederlands kwam pas in een stroomversnelling toen de Japanse geleerde en voormalig tolk Tadao Shizuki (1760-1806) een honderd jaar oude Nederlandse grammatica vond, de Nederduytsche Spraakkonst van William Séwel.

Hoewel Séwels inzichten in Nederland inmiddels als achterhaald werden beschouwd, gaven ze Shizuki een sleutel tot de verschillen tussen de twee talen. In diezelfde tijd raakte het onder Japanse intellectuelen in de mode om Nederlandse woorden en uitdrukkingen te gebruiken, ook als men die niet precies begreep.

Vijftig jaar later verdween de studie van het Nederlands binnen korte tijd weer uit de gratie, omdat Japan zich open stelde voor de rest van de wereld. Tot hun verbijstering ontdekten Japanse geleerden dat het Nederlands helemaal niet zo’n belangrijke wereldtaal was als ze hadden gedacht, en snel wierpen ze zich op het Engels en andere westerse talen.