Stilletjes begint Cuba te wenen

marcheren.jpgHet kan natuurlijk nog steeds dat de tachtigjarige Fidel Castro straks opeens weer springlevend naast zijn ziekbed staat. De Cubaanse leider heeft immers in zijn leven al menig revolutionair huzarenstukje geflikt. Maar na zijn opvallende wegblijven op de mars ter ere van het internationale proletariaat beginnen de Cubanen toch voorzichtig te beseffen dat ze de man mogelijk nooit meer in het echt zullen zien. Op het staats televisienieuws over 1 mei werd in het geheel geen melding gemaakt van het niet verschijnen van Fidel Castro. Het journaal van die dag opende met het twintig minuten lang voorlezen van de laatste schriftelijke column van Castro. Die verhandeling behandelt de energiesituatie in de wereld en het cultiveren van alternatieve brandstoffen in het bijzonder. Daarna ging het natuurlijk over de glorieuze massale mars waarin het dappere Cubaanse volk eens te meer aantoonde nog niets aan revolutionaire geestdrift te hebben verloren. Maar in de communistische kranten van woensdag is voorzichtig een andere stemming te bespeuren.De woordvoerster voor de internationale pers zegt dat de afwezigheid van Fidel niet werd gemeld op televisie omdat de Cubanen immers al eerder te horen kregen dat hij ziek was. Er is nooit officieel gemeld dat hij helemaal beter was en dus is zijn niet verschijnen ook geen nieuws.

marcheren2.jpgMaar op straat werd het gemis van Fidel wel degelijk gevoeld. De gewone Cubanen, in meerderheid Fidelistas, hadden wel verwacht de man te zien die het sinds 1959 op het eiland voor het zeggen heeft. Hij was immers ook in staat geweest recent Chinezen te ontvangen.

In de officiële berichtgeving in de kranten staat geen woord over de zieke Fidel. ,,We zullen overwinnen want gerechtigheid staat aan onze zijde”, is de openingskop van Granma, het officiële orgaan van het centrale comité van de communistische partij. Op de voorpagina staat een foto van de nieuwe sterke man Raúl Castro.

Alleen uit een ironisch hoekje binnenin kan de lezer opmaken dat er iets was met Fidel. Hij is niet verschenen om te voorkomen dat de Cubaanse maffia (in Florida) aan de poeperij raakt als ze hem weer zouden zien, staat er. En hij is niet gekomen omdat we voorzichtig met hem omgaan. Dan gaat die langer mee.

Maar in de jeugdkrant Juventud Rebelde geeft journalist José Alejandro Rodríguez in een ongebruikelijk persoonlijke column blijk van zijn grote teleurstelling. ,,Ik zou liegen als ik niet zou zeggen dat ik ontmoedigd raakte toen ik je niet zag, mijn broeder”, begint hij. De woorden van Fidel waren altijd ,,een hand op mijn schouder.” Een bemoediging om door te gaan op de socialistische weg.

En Rodríguez vond het ook wel leuk om Raúl te zien ,,maar dat is toch niet hetzelfde.” De Cubanen zoeken ,,een talisman, iets dat ons beschermt tegen alles.” Het is een droevig stuk, een openhartige grafrede.