Souvenirs

Franz Kafka is even terug op aarde en hij stemt toe om samen met mij zijn favoriete wandeling door Praag te maken. Die begint bij Hotel International (vroeger zijn huis Zum Schiff) met uitzicht op de Cechbrücke over de Moldau. Het is prachtig zonnig weer, maar toch dragen we allebei een jack omdat het ’s morgens nog kil is in Praag.

„U weet de weg nog?” vraag ik hem.

Hij knikt. „Er is in Praag vermoedelijk niet zo erg veel veranderd.” Hij wijst omhoog naar de heuvels. „Daar moeten we zijn.”

We lopen over stijgende paden en beklimmen trappen, totdat we bij het Hanaupaviljoen komen, dat een riant uitzicht biedt op de Moldau en de daarachter liggende stad. „Imposant, nog steeds”, mompelt Kafka. Hij slaat mijn uitnodiging af om iets op het terras te drinken, hij wil dóór.

Even later bereiken we het Chotekpark, dat al overdadig in het groen staat.

„Dit heeft u de mooiste plek van Praag genoemd”, zeg ik.

Hij knikt en wijst naar de lommerrijke plekjes en de bankjes in de zon. We lopen naar de rand van het park en kijken omlaag naar de Moldau. „Het is nog steeds de mooiste plek”, zegt hij, „er is alleen veel meer lawaai van omringende autowegen.” Verontschuldigend voegt hij eraan toe: „Ik heb altijd slecht tegen lawaai gekund.”

Via het Belvedere, een mooi Italiaans-renaissancistisch gebouw („maar nu wel erg vervallen”, zegt Kafka) lopen we door in de richting van de Praagse Burcht. Ik wil Kafka het lage huisje laten zien dat hij daar, in de Alchimistengasse (nu het Gouden Straatje), heeft bewoond. Maar plotseling zie ik zijn gezicht betrekken, het is alsof hij ergens voor terugdeinst.

„Wat doen al die mensen daar?” vraagt hij. Hij wijst op de stromen toeristen die zich, veelal onder leiding van een luid roepende, paraplu heffende gids, door de middeleeuwse straatjes van de Burcht persen.

„Die mensen zijn uit alle delen van de wereld gekomen om onder meer naar uw huisje te kijken”, zeg ik.

Hij kijkt me verbijsterd aan. „Maar nu kan ik er zelf niet meer bij! En het was hier vroeger nog wel zo heerlijk rustig.”

Ik besluit hem aangenamer te verrassen en neem hem mee naar het in de nabijheid gelegen Franz Kafka Museum. Helaas moeten we om het museum te bereiken een modern beeldhouwwerk passeren. Het bestaat uit twee grote, groene mannen van gips die tegenover elkaar in een bak staan te pissen met bewegende piemel en bekken. Om hen heen verdringen zich tientallen vet lachende en fotograferende toeristen.

„Weerzinwekkend”, fluistert Kafka.

Ik wijs op het lage gebouw van het Franz Kafka Museum erachter. Hij verbleekt. „Een museum voor mij?” zegt de meest bescheiden schrijver uit de wereldliteratuur. „Daar ga ik niet naar binnen. Ik ben tijdens mijn leven al genoeg met mezelf geconfronteerd.”

Ik loop nog even met hem de museumshop binnen, maar hij raakt bijna in paniek bij de aanblik van al die buttons, luciferdoosjes, magneetjes, sleutelhangers, schrijfblokken, baseballpetten, T-shirts, mousepads en andere souvenirs met zijn beeltenis.

„Mijn vader zou het prachtig hebben gevonden, maar die was dan ook handelaar”, zegt hij, voor hij wegvlucht.