Smithsonian lijdt onder markt

Een incidenteel geval van zelfbevoordeling in de Amerikaanse museum-wereld heeft grote gevolgen. Miljonairtje spelen in het Smithsonian.

Lawrence M. Small had geen geduld met de losse financiële normen in de museumwereld. Sinds de oud-bankier in 2000 de baas werd van het Smithsonian – een van Amerika’s grootste culturele instituten – maande hij het personeel stelselmatig tot zuinigheid.

Geen detail werd over het hoofd gezien. „Probeer de algemene verlichting zomin mogelijk te gebruiken, probeer het eerst met specifieke belichting”, schreef de leiding het personeel vorig jaar om de stroomkosten te drukken.”

Het is een van de vele directiememo’s die de laatste maanden smalend in herinnering worden geroepen. Want Lawrence M. Small legde iedereen strakke financiële regels op – behalve zichzelf. Het is uitvoerig beschreven door een onderzoeksjournalist van The Washington Post; dezelfde die vorig jaar de Republikeinse corruptie rondom de lobbyist Jack Abramoff onthulde. En wat aanvankelijk oogde als een incidentele zelfverrijking leidt nu tot ongemakkelijke consequenties voor het Smithsonian, aanverwante instellingen en sommige particuliere kunstverzamelaars.

De zaak begon toen bleek dat Small de laatste zes jaar 1,15 miljoen dollar van het Smithsonian ontving om zijn huis op te knappen. Volgens hem om de woning geschikt te maken voor representatieve verplichtingen. Zijn salaris was bijna 900.000 dollar; ruim het dubbele van president Bush die 400.000 dollar per jaar ontvangt.

Intussen had de instelling die hij leidde geen middelen voor elementair onderhoud. Zo gebeurde het dat het Smithsonian in 2005 nieuwe plafonds in Smalls woning vergoedde terwijl lekkende daken in musea niet werden verholpen – waardoor kunstwerken en archiefstukken schade opliepen.

Op Smalls eigen werkruimte in het hoofdgebouw van het Smithsonan – het bruinrode ‘Kasteel’ aan de Mall in Washington – hoefde ook al niet bezuinigd te worden. Zijn voorganger vroeg nooit om geld voor zijn kantoor. Small spendeerde in zes jaar 850.000 dollar – onder andere voor een parketvloer van 105.000 dollar.

Extra pijnlijk is dat de zeventien bestuursleden – onder wie vicepresident Dick Cheney en voorzitter John Roberts van het Hooggerechtshof – op basis van een inspectierapport oordeelden dat Smalls uitgaven ‘redelijk’ waren.

Maar nadat The Washington Post de details publiceerde, besloten de bestuursleden een extern accountantsonderzoek in te stellen. De zaak nam een miezerige wending toen bleek dat Smalls financiële staf probeerde een groot deel van de uitgaven buiten het zicht van de externe accountants te houden.

Small is inmiddels opgestapt. Maar de onderliggende vraag van de affaire – of een cultureel instituut kan worden beheerd volgens de wetten van de markt – houdt de aandacht voor de zaak in leven.

Voordat de Republikein Small naar het Smithsonian kwam, was hij directeur bij Citibank en hoofd van de Associatie van Hypotheekverstrekkers. Hij steunde de campagnes van conservatieven als Bush en Rick Santorum (een van Amerika’s fanatiekste anti-abortusactivisten). Het soort politici dat Norman Mailer als ‘vlagconservatieven’ typeert: ze brengen de agenda van de gemiddelde zakenlunch naar het publieke domein, in combinatie met een compromisloos patriottisme en de notie dat eigenbelang per definitie samenvalt met algemeen belang.

Zo ook verdedigen vrienden van Small zijn handelen. Ze wijzen erop dat hij, mede dankzij de prettige staat van zijn woning, sinds zijn aantreden 1,1 miljard dollar donaties binnenhaalde. Zelf deed hij het instituut een half miljoen dollar cadeau. „Hij heeft deze baan nooit voor het geld gedaan”, zei Roger Sant, het belangrijkste staflid van het bestuur, vorige maand.

Maar Small lag al eerder onder vuur door deals die hij voor het Smithsonian sloot. Zo wekte hij vorig jaar de woede van historici, filmmakers en het Congres door de rechten op het gebruik van museale collecties voor dertig jaar te verkopen aan de commerciële zender Showtime, die alleen achter de decoder is te ontvangen. Onafhankelijke tv-producenten eisten dat het Congres het contract ongedaan maakte omdat 70 procent van het budget van het Smithsonian, ofwel 700 miljoen dollar, door de federale overheid wordt betaald.

Het Congres steunde dit principe – maar het contract was niet meer ongedaan te maken. Wel was de zaak voor het Congres, geleid door de Republikeinse populist Charles Grassley, aanleiding zich nader met de bedrijfsvoering te bemoeien – met de huidige affaire als gevolg. Als straf heeft Grassley voor elkaar gekregen dat het budget van het Smithsonian met 17 miljoen dollar is teruggebracht.

Maar belangrijker is dat hij een nieuwe houding van de overheid tegenover de museumwereld heeft geïntroduceerd. Als musea zo graag de voordelen van de markt willen genieten, dan moeten ze ook de nadelen accepteren. Hij kreeg voor elkaar dat particulieren niet langer hun kunstgiften aan musea van de belasting mogen aftrekken als ze de werken pas na hun dood overdragen. Volgens musea een maatregel die het aantal giften dramatisch doet dalen. Maar als musea en hun directeuren zo graag miljonairtje spelen, redeneert Grassley, „dan zou ik niet weten waarom wij die miljonairs nog subsidie geven”.