Ongepast oordeel over rapport Libanonoorlog

In het hoofdredactioneel commentaar `Een rommelige oorlog` (NRC Handelsblad, 1 mei) geeft de krant een oordeel over het recente rapport van de commissie-Winograd inzake de Tweede Libanonoorlog dat tegelijk ongepast en inconsequent is.

Ongepast, aangezien het hoofdartikel zich met zijn oordeel dat de premier en minister van Defensie van Israël niet ”kunnen” aanblijven mengt in de binnenlandse (politieke) aangelegenheden van een vreemde staat - zaken waarover de Nederlandse regering zich op grond van Artikel 2 lid 7 van het Handvest van de Verenigde Naties en het algemene volkenrecht in principe niet kán uitspreken.

In een tijd waarin de uitspraken van Nederlandse volksvertegenwoordigers nauwlettend worden getoetst op hun beledigend potentieel voor andere religies in de wereld, met name in het Midden-Oosten, lijkt terughoudendheid hier eerder gepast voor Neerlands voornaamste krant.

Het hoofdartikel is ook opmerkelijk inconsequent ten aanzien van de acties van de Israëlische regering en de beoordeling daarvan. Toen het Internationaal Gerechtshof, het hoogste VN-rechtsorgaan gezeteld in Den Haag, op 9 juli 2004 bepaalde dat de afscheidingsmuur die Israël voor 99 procent op bezet Palestijns gebied bouwt in strijd is met het volkenrecht, leidde dit niet tot een soortgelijk hoofdartikel met als oordeel dat de Israëlische premier niet langer kon aanblijven op grond van de bewezen ondeugdelijke aanwending van miljarden dollars voor de bouw van die muur.

Dit is temeer inconsequent aangezien de zaak voor het Internationaal Gerechtshof óók werd beslist op gronden van internationaal oorlogsrecht.

Saillant (en nieuwswaardig) detail daarbij is dat de Nederlandse oud-minister van Buitenlandse Zaken Kooijmans één van de 14 VN-rechters was die vóór de onrechtmatigheid van de afscheidingsmuur stemden.

De conclusie kan helaas niet anders zijn dan dat NRC Handelsblad hier met twee maten meet.